KAAS.
De eerste toespeling op het maken van kaas dateert van omstreeks 3600 jaar geleden, toen Job in poëtische taal en aan de hand van zinnebeeldige uitdrukkingen schilderde hoe de Grootse Schepper hem in de schoot van zijn moeder gevormd had: „Hebt gij mij voorts niet als louter melk uitgegoten en als kaas om mij te laten stremmen?” — Job 10:10.
De kaasbereiding ging anders in zijn werk dan de boterbereiding; boter werd door karnen verkregen. Om kaas te maken liet men in de oudheid de melk snel stremmen met behulp van leb (dat uit dieremagen werd verkregen) of met het sap van bepaalde bladeren of wortels. Na het stremmen verwijderde men de wei en werd de verse wrongel gegeten.
David kreeg opdracht „tien porties melk” te brengen aan de overste van duizend onder wie zijn broers in Sauls leger dienden (1 Sam. 17:17, 18). De letterlijke lezing van de oorspronkelijke tekst luidt „tien schijven melk”, hetgeen „tien kazen van verse melk” kan hebben betekend. In de Leidse Vertaling wordt de uitdrukking weergegeven met „tien stukken melkkaas”. Tijdens de door Absalom ontketende burgeroorlog zonden vrienden van David hem proviand, onder andere „gestremde melk van runderen”, wat ook zachte kaas geweest kan zijn (2 Sam. 17:29). Volgens Josephus werd in de tijd van de apostelen de bovenstad van Jeruzalem van de benedenstad gescheiden door het „Kaasmakersdal”.