KALAH
(Ka̱lah) [kracht].
Een door Nimrod in Assyrië gestichte stad en oorspronkelijk een deel van „de grote stad” die bestond uit Nineve, Kalah, Resen en Rehoboth-Ir, waarvan de laatste drie blijkbaar „voorsteden” van Nineve waren (Gen. 10:9-12). Kalah komt in Assyrische spijkerschriftteksten voor als Kalhu, en in de periode dat Assyrië een wereldmacht was, werd Kalah naast Nineve en Assoer een van de drie belangrijkste steden van het rijk. Kalah lag in de noordoostelijke hoek die gevormd wordt door de samenvloeiing van de Grote Zab en de Tigris, ongeveer 32 km ten Z.Z.O. van Nineve. Op deze plek ligt thans de moderne stad die Nimroed wordt genoemd, waardoor de naam behouden blijft van de man die in de oudheid de stad heeft gesticht.
Bij opgravingen kwamen uit de ruïnes van Kalah enkele van de prachtigste voorbeelden van Assyrische kunst te voorschijn, waaronder kolossale gevleugelde leeuwen met mensenhoofden en gevleugelde stieren, veel reusachtige bas-reliëfs die de paleismuren sierden en ook een rijke vondst aan prachtig gesneden ivoren voorwerpen. Er werd ook een uitstekend bewaard gebleven beeld van Assoerbanipal blootgelegd, evenals de zogenoemde „zwarte obelisk” van Salmaneser III, waarop vermeld staat dat koning Jehu van Israël schatting aan Assyrië betaalde.
Kalah nam tijdens het hoogtepunt van de Assyrische macht ongeveer 150 jaar lang een voorname plaats in maar werd samen met de andere koninklijke steden van het rijk verwoest toen Assyrië ten val kwam. Xenophon constateerde in de 5de eeuw v.G.T. dat de stad verlaten was. — Vergelijk Jesaja 30:30-33; 31:8, 9.