KALEB
(Ka̱leb) [hond, of: bijtachtig].
De zoon van Jefunne, de Kenizziet, uit de stam Juda, de oom van Othniël en waarschijnlijk een nakomeling van Kaleb, de zoon van Hezron (Num. 32:12; Joz. 15:17; 1 Kron. 2:3-5, 18; 4:13, 15; zie OTHNIËL). Toen Kaleb 40 jaar was, bevond hij zich onder de 12 verspieders die door Mozes werden uitgezonden om het land Kanaän 40 dagen te verkennen. Bij hun terugkeer bracht Kaleb samen met Jozua in weerwil van de tegenstand van alle anderen een gunstig verslag uit door te zeggen: „Laten wij direct optrekken, en wij zullen het stellig in bezit nemen” (Num. 13:6, 30; 14:6-9). Omdat hij ’Jehovah, zijn God, volkomen had gevolgd’, was hij met uitzondering van Jozua en enkele Levieten de enige van die generatie van volwassenen die in 1473 v.G.T. het Beloofde Land binnenging. Toen Kaleb zes jaar later om zijn erfdeel vroeg, verklaarde hij: „Nu dan, zie, Jehovah heeft mij, juist zoals hij heeft beloofd, reeds vijfenveertig jaar in het leven gehouden sinds Jehovah deze belofte aan Mozes heeft gedaan, toen Israël in de wildernis wandelde, en nu, zie, ik ben heden vijfentachtig jaar oud. Niettemin ben ik heden nog even sterk als op de dag dat Mozes mij uitzond. Zoals mijn kracht toen was, zo is mijn kracht nu voor de oorlog, zowel om uit als om in te gaan.” — Joz. 14:6-11.
Kaleb kreeg de stad Hebron (de vesting die Kirjath-Arba heette en in handen was van de op reuzen gelijkende zonen van Enak, de Enakieten) en het gebied eromheen, met inbegrip van het nabijgelegen Debir, als zijn bezit toegewezen. In 1 Samuël 30:13, 14, waar wordt verteld dat de Amalekieten een inval deden „in het zuiden van Kaleb”, wordt klaarblijkelijk niet op een stad met die naam gedoeld, maar veeleer op deze streek die aan Kaleb was toegewezen en naar hem was genoemd; de inval had dus plaatsgevonden ’in het zuiden van Kalebs gebied’.
Toen Kaleb dit bezit ontving, verklaarde hij: „Wie Kirjath-Sefer [ook Debir genoemd] slaat en het werkelijk inneemt, die zal ik stellig mijn dochter Achsa tot vrouw geven.” Zijn neef Othniël (de eerste rechter over Israël na de dood van Jozua) nam de stad in en kreeg de beloning. Daarop gaf Kaleb zijn dochter, op haar verzoek, naast het „stuk land naar het zuiden”, ook Hoog-Gulloth en Laag-Gulloth als huwelijksgeschenk. — Joz. 15:13-19; Recht. 1:11-15; 3:9-11.