KAKKERLAK
[cha·silʹ, naar men aanneemt afgeleid van een grondwoord dat „beëindigen”, „verslinden”, „afsnijden”, „verdelgen” betekent].
Het is onzeker welk insekt precies met het Hebreeuwse woord cha·silʹ wordt aangeduid. Het is op verschillende manieren vertaald, met „rups”, „krekel”, „kaalvreter”, „schrokker”, „veldsprinkhaan”, „sprinkhaan” en „kakkerlak”. (Vergelijk Jesaja 33:4 en Joël 1:4 in AS, JB, KB, Le, LV, NBG, PC en NW.) Volgens een Hebreeuws en Aramees lexicon van Koehler en Baumgartner is het schadelijke insekt dat met het Hebreeuwse woord cha·silʹ wordt aangeduid, iets anders dan de sprinkhaan (’ar·behʹ) en is het waarschijnlijk de kakkerlak.
De kakkerlak heeft lange, sterke poten waarmee hij verbazend hard kan lopen. Hij is zelfs een van de snelste hardlopers onder de insekten. De kakkerlak heeft een platte snuit en een korte kop, die is uitgerust met lange draadvormige antennes of voelsprieten, wat de indruk wekt dat hij enigszins omlaag kijkt. Het plat samengedrukte lijf van de kakkerlak stelt hem in staat in nauwe openingen te kruipen. De meeste soorten zijn donkerbruin tot zwart gekleurd en hebben een afgeplat, glibberig lijf, bedekt met een glanzend schild. Daar kakkerlakken lichtschuw zijn, komen ze gewoonlijk alleen ’s nachts te voorschijn om te eten. In aanmerking genomen dat de kakkerlak vrijwel alles verslindt, met inbegrip van planten, keukenafval, kleding en meubels, kan hij heel goed het insekt zijn dat met de Hebreeuwse aanduiding cha·silʹ wordt bedoeld. — 1 Kon. 8:37; 2 Kron. 6:28; Ps. 78:46; Jes. 33:4; Joël 2:25.