BREMSTRUIK
[Hebreeuws: roʹthem].
De bremstruik is in werkelijkheid een woestijnheester die familie is van de erwt.
De brem is een van de veelvuldigst voorkomende struiken in de wildernis van Judea, het Sinaï-schiereiland en de rest van Arabië, en is te vinden in ravijnen, op rotsachtige plaatsen, op berghellingen en zelfs op open zandvlakten in woestijngebieden, waar zijn wortels diep in de grond dringen om vocht op te zuigen. De plant wordt 90 cm tot 3,5 m hoog en heeft talloze dunne, buigzame twijgen en smalle rechte blaadjes. Wanneer de bremstruiken in bloei staan, bieden de trosjes tere bloemen, in kleur variërend van wit tot roze, een prachtige aanblik als bekleding van de doorgaans kale berghellingen. De Hebreeuwse naam voor de struik (roʹthem) is afkomstig van een grondwoord dat „binden” betekent, en volgens Plinius (uit de 1ste eeuw G.T.) werden de buigzame twijgen gebruikt om dingen bijeen te binden en zelfs om manden te vlechten.
Toen Elia naar de wildernis vluchtte om aan Izebels toorn te ontkomen, „zette [hij] zich onder een zekere bremstruik neer” en viel daar vervolgens in slaap (1 Kon. 19:4, 5). Hoewel de kleinere bremstruiken slechts weinig schaduw zouden geven tegen de brandende zon in de wildernis, kon een behoorlijk grote struik een welkome beschutting bieden. Deze woestijnstruik diende ook als brandstof. Het hout van de brem levert een uitstekende kwaliteit houtskool, die met een intense hitte brandt en in Arabische landen tot op vandaag zeer gewaardeerd wordt.