Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 984-985
  • Lichaam

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Lichaam
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GEESTELIJKE LICHAMEN
  • CHRISTUS’ VLESELIJKE LICHAAM
  • SYMBOLISCH GEBRUIK
  • JUIST GEBRUIK VAN HET LICHAAM
  • Lichaam
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Hoe is Christus’ wederkomst te zien?
    U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven
  • Wekt God datgene op wat wordt begraven?
    Ontwaakt! 1977
  • Degenen die zijn opgewekt identificeren
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 984-985

LICHAAM.

De fysieke structuur van een mens of van een dier. De verschillende soorten van fysieke lichamen bestaan uit verschillende soorten vlees waarin zich de levenskracht bevindt. — 1 Kor. 15:39; Jak. 2:26; Gen. 7:22; zie ZIEL.

GEESTELIJKE LICHAMEN

Fysieke lichamen kan men zien en voelen; er zijn echter ook geestelijke lichamen, die voor het menselijk oog onzichtbaar en volledig aan het waarnemingsvermogen van de mens onttrokken zijn (1 Kor. 15:44). Geesten (God, Christus, de engelen) hebben een glorierijk lichaam. „Nooit heeft iemand God aanschouwd” (1 Joh. 4:12). De mens kan God niet zien en leven (Ex. 33:20). Toen de apostel Paulus na Jezus’ opstanding slechts een glimp opving van de manifestatie van Jezus Christus, viel hij op de grond en werd door de glans blind gemaakt, zodat er een wonder nodig was om hem het gezichtsvermogen terug te geven (Hand. 9:3-5, 17, 18; 26:13, 14). Insgelijks zijn engelen veel machtiger dan mensen (2 Petr. 2:11). Het zijn glorierijke, luisterrijke schepselen en zij hebben zich soms als zodanig in een fysieke gestalte vertoond (Matth. 28:2-4; Luk. 2:9). Het gezichtsvermogen van deze geestenzonen van God is zo sterk dat zij de heerlijkheid van de Almachtige God kunnen zien en verdragen. — Luk. 1:19.

Omdat wij God niet met onze letterlijke ogen kunnen zien, gebruikt hij bepaalde figuurlijke uitdrukkingen om ons te helpen dingen omtrent hemzelf te begrijpen en naar juiste waarde te schatten. De bijbel spreekt over hem als had hij ogen (Ps. 34:15; Hebr. 4:13), armen (Job 40:9; Joh. 12:38), voeten (Ps. 18:9; Zach. 14:4), een hart (Gen. 8:21; Spr. 27:11), handen (Ex. 3:20; Rom. 10:21), vingers (Ex. 31:18; Luk. 11:20), een neus, neusgaten (Ezech. 8:17; Ex. 15:8) en oren (1 Sam. 8:21 (SV); Ps. 10:17). Wij moeten alleen niet denken dat hij letterlijk zulke organen van fysieke aard zoals wij ze kennen, bezit. De apostel Johannes, die de hoop op hemels leven had, zei tot medeërfgenamen van het hemelse leven: „Geliefden, thans zijn wij kinderen van God, maar wat wij zullen zijn, is nog niet openbaar gemaakt. Wij weten wel dat wanneer hij openbaar gemaakt wordt, wij aan hem gelijk zullen zijn, want wij zullen hem zien zoals hij is” (1 Joh. 3:2). Het zal een lichaam zijn dat gelijkvormig zal zijn aan het „glorierijke lichaam” van Jezus Christus (Fil. 3:21), die „het beeld van de onzichtbare God” is, „de weerspiegeling van zijn heerlijkheid en de nauwkeurige afdruk van zijn wezen” (Kol. 1:15; Hebr. 1:3). De lichamen die zij ontvangen, zullen derhalve onverderfelijk zijn en zullen — in tegenstelling tot de engelen in het algemeen, die kunnen sterven, en tot sterfelijke mensen — het levensbeginsel van onsterfelijkheid bezitten. — 1 Kor. 15:53; 1 Tim. 1:17; 6:16; Mark. 1:23, 24; Hebr. 2:14.

CHRISTUS’ VLESELIJKE LICHAAM

Toen Jezus het Avondmaal des Heren instelde, reikte hij de 11 getrouwe apostelen het ongezuurde brood aan en zei: „Dit betekent mijn lichaam, dat ten behoeve van u gegeven zal worden” (Luk. 22:19). Voordien had hij gezegd: „Het brood dat ik zal geven, is mijn vlees ten behoeve van het leven der wereld.” — Joh. 6:51; Hebr. 10:10; 1 Petr. 2:24; zie AVONDMAAL DES HEREN.

Wilde Jezus de „laatste Adam” (1 Kor. 15:45) en een „overeenkomstige losprijs voor allen” kunnen worden, dan moest zijn vleselijke lichaam een echt menselijk lichaam zijn; hij mocht geen incarnatie zijn (1 Tim. 2:5, 6; Matth. 20:28). Hij moest volmaakt zijn, want hij moest geofferd worden om Jehovah God de loskoopprijs te kunnen geven (1 Petr. 1:18, 19; Hebr. 9:14). Geen enkel onvolmaakt mens zou de benodigde prijs kunnen verschaffen (Ps. 49:7-9). Op grond hiervan zei Jezus toen hij zich aan het begin van zijn offerandelijke loopbaan liet dopen, tot zijn Vader: „Gij hebt mij een lichaam bereid.” — Hebr. 10:5.

Het fysieke lichaam van Jezus Christus mocht niet tot stof terugkeren, zoals de lichamen van Mozes en David, mannen die gebruikt werden om Christus af te schaduwen (Deut. 34:5, 6; Hand. 13:35, 36; 2:27, 31). Toen zijn discipelen vroeg op de eerste dag van de week bij het graf kwamen, was Jezus’ lichaam verdwenen en lagen de windsels nog in het graf; ongetwijfeld was zijn lichaam opgelost of uiteengevallen zonder eerst tot ontbinding te zijn overgegaan. — Joh. 20:2-9; Luk. 24:3-6.

Na zijn opstanding verscheen Jezus in verschillende lichamen. Maria hield hem ten onrechte voor de tuinman (Joh. 20:14, 15). Toen hij wederom verscheen, trad hij een kamer binnen waarvan de deuren op slot waren en had hij een lichaam met wondtekens (Joh. 20:24-29). Diverse malen vertoonde hij zich en werd herkend — niet aan zijn uiterlijk, maar aan zijn woorden en handelingen (Luk. 24:15, 16, 30, 31, 36-45; Matth. 28:16-18). Eén keer werden door een wonder dat op zijn aanwijzing geschiedde, de ogen van zijn discipelen geopend zodat zij hem herkenden (Joh. 21:4-7, 12). Jezus, die nu als geest was opgewekt (1 Petr. 3:18), had het vermogen om bij al deze gelegenheden een stoffelijk lichaam aan te nemen, net als de engelen dit in het verleden hadden gedaan wanneer zij als boodschappers verschenen. — Gen. 18:2; 19:1, 12; Joz. 5:13, 14; Recht. 13:3, 6; Hebr. 13:2.

SYMBOLISCH GEBRUIK

Jezus Christus wordt als het Hoofd van „de gemeente, welke zijn lichaam is”, aangeduid (Ef. 1:22, 23; Kol. 1:18). Dit uit christenen bestaande lichaam is niet door raciale, nationale of andere verschillen verdeeld, ofschoon joden en mensen van alle natiën er deel van uitmaken (Gal. 3:28; Ef. 2:16; 4:4). Allen zijn door heilige geest in Christus en in zijn dood gedoopt. Derhalve zijn zij allen tot één lichaam gedoopt (1 Kor. 12:13). Dus volgt het gehele lichaam het hoofd, doordat alle leden ervan zijn soort van dood sterven en zijn soort van opstanding ontvangen. — Rom. 6:3-5.

De apostel Paulus gebruikt de functies van het menselijk lichaam om de werkzaamheid van de christelijke gemeente te illustreren, doordat hij de op aarde levende leden met een lichaam vergelijkt waarvan Christus het onzichtbare Hoofd is (Rom. 12:4, 5; 1 Kor. hfdst. 12). Hij beklemtoont de belangrijkheid van de plaats die elk lid inneemt, hun onderlinge afhankelijkheid, hun liefde en zorg voor elkaar en het werk dat wordt verricht. God heeft elkeen zijn plaats in het lichaam toegewezen en door middel van de verschillende werkingen van de heilige geest volbrengt het lichaam datgene wat nodig is. Als het lid dat allen met elkaar verbindt, voorziet het Hoofd, Jezus Christus, de leden van het lichaam door middel van „zijn gewrichten” van datgene wat zij nodig hebben. — Kol. 2:19.

JUIST GEBRUIK VAN HET LICHAAM

Een christen dient dankbaar te zijn voor het lichaam dat God hem gegeven heeft en dient zichzelf zozeer lief te hebben dat hij op juiste wijze voor zijn lichaam zorgt, zodat hij het door middel van aanvaardbare, heilige dienst aan God kan aanbieden (Rom. 12:1). Dit vereist dat men zijn denkvermogen gebruikt en het lichaam met behulp van voedsel en andere noodzakelijke dingen, alsook door fysieke reinheid onderhoudt; maar andere vormen van verzorging zijn nog belangrijker. Daartoe behoort een geestelijke instelling, wat inhoudt dat men Gods koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoekt en een moreel rechtschapen leven leidt (Matth. 6:25, 31-33; Kol. 2:20-23; 3:5). De apostel geeft de raad: „Lichamelijke oefening is nuttig voor weinig, maar godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven.” — 1 Tim. 4:8.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen