BLINDHEID.
Een in de oudheid blijkbaar veel voorkomende kwaal. Blindheid kon onder andere ontstaan door ziekte, hoge ouderdom of door het uitsteken van de ogen (bijv. bij krijgsgevangenen).
Israëls wet van vergelding, die ziel voor ziel, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand en voet voor voet eiste, beklemtoonde niet alleen de heiligheid van het leven, maar doordrong de Israëlieten ook van de noodzaak er heel goed op toe te zien dat zij een ander geen letsel toebrachten en er ook voor te zorgen dat zij voor het gerecht geen vals getuigenis aflegden, maar getrouw de waarheid vertelden, want een valse getuige kreeg dezelfde straf die hij over een onschuldige had willen brengen (Ex. 21:23, 24; Deut. 19:18-21; Lev. 24:19, 20). Indien een slaaf door de schuld van zijn meester een oog verloor, werd de meester niet een van zijn ogen uitgestoken, maar werd de slaaf vrijgelaten (Ex. 21:26). Van slaven kon geëist worden dat zij werkten, en wanneer zij opstandig waren, mocht de meester hen slaan, maar hij moest er steeds aan denken dat hij niet overmatig streng mocht zijn.
Jehovah, die het oog heeft gemaakt, kan ook blindheid veroorzaken (Ex. 4:11). Hij waarschuwde de natie Israël dat hij, wanneer zij zijn inzettingen zouden verwerpen en zijn verbond zouden verbreken, brandende koorts over hen zou brengen, die de ogen zou doen verkwijnen (Lev. 26:15, 16; Deut. 28:28). Hij sloeg de goddeloze mannen van Sodom en de tovenaar Elymas tijdelijk met blindheid (Gen. 19:11; Hand. 13:11). Saulus van Tarsus werd door het felle licht dat hem omstraalde toen Jezus aan hem verscheen „als aan een te vroeg geborene”, verblind, en pas toen Ananias de handen op hem legde, „vielen er van zijn ogen wat op schubben geleek” en kreeg hij het gezicht terug. — 1 Kor. 15:8; Hand. 9:3, 8, 9, 12, 17, 18.
De blindheid die op het woord van Elisa over de strijdkrachten van de Syriërs kwam, was klaarblijkelijk psychische blindheid. Indien het gehele leger met letterlijke blindheid was geslagen, hadden alle soldaten bij de hand geleid moeten worden. Het verslag zegt echter eenvoudig dat Elisa tot hen zei: „Dit is de weg niet, en dit is de stad niet. Volgt mij.” William James zegt in zijn boek Principles of Psychology (Deel 1, blz. 48): „Een hoogst interessant verschijnsel bij beschadigingen van de hersenschors is psychische blindheid. Hierbij gaat het niet zozeer om een ongevoeligheid voor gezichtsindrukken, als wel om het onvermogen het geziene te begrijpen. Van psychologisch standpunt uit bezien is dit verschijnsel te verklaren als een verlies van associatie tussen gezichtsgewaarwordingen en dat wat ze betekenen, en elke onderbreking van de banen tussen het gezichtscentrum en andere centra in de hersenen kan dit veroorzaken.” Van dit soort van blindheid bevrijdde Jehovah waarschijnlijk het Syrische leger toen het in Samaria aankwam. — 2 Kon. 6:18-20.
Blindheid maakte een man ongeschikt voor de priesterdienst in Jehovah’s heiligdom (Lev. 21:17, 18, 21-23). Ook mocht een blind dier niet als offer aan Jehovah worden gebracht (Deut. 15:21; Mal. 1:8). Niettemin weerspiegelde Jehovah’s wet consideratie en medegevoel met de blinden. Wie een blinde een hindernis op de weg legde of hem deed dwalen, werd vervloekt (Lev. 19:14; Deut. 27:18). Gods rechtvaardige dienstknecht Job zei: „Ogen werd ik voor de blinde.” — Job 29:15.
Toen Jezus Christus op aarde was, gaf hij vele blinden door een wonder het gezicht terug (Matth. 11:5; 15:30, 31; 21:14; Luk. 7:21, 22). In de buurt van Jericho genas Jezus de blinde Bartimeüs en zijn metgezel (Matth. 20:29-34; Mark. 10:46-52; Luk. 18:35-43). Bij een andere gelegenheid genas hij twee blinden tegelijk (Matth. 9:27-31). Verder genas hij een door een demon bezetene die zowel blind als stom was (Matth. 12:22; vergelijk Lukas 11:14). Bij één gelegenheid gaf hij een man geleidelijk het gezicht terug, wellicht opdat zijn ogen, die zo lang aan het donker gewend waren, zich op het felle zonlicht konden instellen (Mark. 8:22-26). Een andere man, die van zijn geboorte af blind was, ging in Jezus geloven nadat hij weer ziende was geworden (Joh. 9:1, 35-38). In de beide laatste gevallen gebruikte Jezus speeksel of een mengsel van speeksel en slijk, maar deze vermeende overeenkomst met methoden in de volksgeneeskunst betekent niet dat deze genezingen geen wonderen waren. In het geval van de blindgeboren man werd hem gezegd zich in het waterbekken van Siloam te gaan wassen voordat hij het gezicht terugkreeg. Dit was ongetwijfeld bedoeld als een beproeving op zijn geloof, net zoals Naäman zich in de rivier de Jordaan moest baden voordat hij van zijn melaatsheid werd genezen. — 2 Kon. 5:10-14.
GEESTELIJKE BLINDHEID
Volgens de bijbel is het geestelijke gezichtsvermogen veel belangrijker dan het fysieke. Jezus gebruikte de genezing van de blindgeboren man om de Farizeeën aan de kaak te stellen, die beweerden in geestelijke zin ziende te zijn, maar zich willens en wetens in hun blindheid verhardden. Zij geleken op degenen die de duisternis meer liefhadden dan het licht (Joh. 9:39-41; 3:19, 20). De apostel Paulus schreef aan de gemeente in Efeze dat de ogen van hun hart verlicht moesten zijn (Ef. 1:16, 18). Jezus wijst erop dat degenen die zich christenen noemen maar zich niet bewust zijn van hun geestelijke nood, blind en naakt zijn; zij onderscheiden niet dat zij in het donker rondtasten en zich in een beklagenswaardige toestand bevinden (Openb. 3:17). Volgens de woorden van de apostel Johannes wandelt een christen die zijn broeder haat, doelloos in een blindmakende duisternis, net zoals iemand die lange tijd in het donker is, zijn gezichtsvermogen zal verliezen (1 Joh. 2:11), en Petrus waarschuwt dat degene die geen christelijke vruchten voortbrengt, waarvan liefde de belangrijkste is, ’blind is en zijn ogen sluit voor het licht’ (2 Petr. 1:5-9). Deze duisternis en geestelijke blindheid vinden hun oorsprong bij Satan de Duivel, die zich verandert in een engel des lichts maar in werkelijkheid „de god van dit samenstel van dingen” en de god van duisternis is, die de geest van de ongelovigen heeft verblind opdat zij het goede nieuws omtrent de Christus niet onderscheiden. — Luk. 22:53; 2 Kor. 4:4; 11:14, 15.