APOCRIEFEN
(Apocri̱e̱fen) [verborgen of geheim gehouden dingen].
Het Griekse woord a·po·kruʹfos wordt in drie bijbelteksten in zijn oorspronkelijke betekenis gebruikt. Het heeft daar betrekking op iets wat „zorgvuldig aan het oog onttrokken” of „zorgvuldig verborgen” is (Mark. 4:22; Luk. 8:17; Kol. 2:3). Op geschriften toegepast, had het woord oorspronkelijk betrekking op die publikaties die niet in het openbaar werden voorgelezen en derhalve voor anderen „verborgen” bleven. Later kreeg het woord echter de betekenis van „onecht, niet-canoniek”, en tegenwoordig wordt het gewoonlijk toegepast op de 11 toegevoegde geschriften die door de Rooms-Katholieke Kerk op het Concilie van Trente (1546) tot een deel van de canon van de bijbel werden verklaard. Katholieke schrijvers duiden deze boeken aan als deuterocanoniek („tot de tweede [of latere] canon behorend”), ter onderscheiding van de protocanonieke boeken.
Deze 11 toegevoegde geschriften zijn: Tobias (Tobit), Judith (Judit), Wijsheid (Wijsheid van Salomo), Ecclesiasticus (of de Wijsheid van Jezus Sirach), Baruch, 1 en 2 Makkabeeën, toevoegsels op Esther en drie toevoegsels op Daniël: „Lofzang der drie vrienden”, „Susanna en de ouderlingen” en „De vernietiging van Bel en de Draak”. Men weet niet precies wanneer ze geschreven werden, maar het schijnt niet vóór de 2de of 3de eeuw v.G.T. te zijn geweest.
WAT TEGEN HUN CANONICITEIT GETUIGT
Alhoewel deze geschriften in sommige gevallen enige historische waarde hebben, steunt de bewering dat ze canoniek zijn, op geen enkele deugdelijke grondslag. Alle aanwijzingen duiden erop dat de Hebreeuwse canon met het schrijven van de boeken Nehemia en Maleachi in de 5de eeuw v.G.T. werd afgesloten. De apocriefe geschriften zijn nooit opgenomen in de joodse canon der geïnspireerde bijbelboeken, en maken er ook nu geen deel van uit.
De eerste-eeuwse joodse geschiedschrijver Josephus toont aan dat alleen deze boeken (van de Hebreeuwse canon) werden erkend en als heilig werden beschouwd. Hij schreef: „Bij ons vindt men geen ontelbare onderling afwijkende en met elkander strijdige boeken, maar slechts twee-en-twintig [het equivalent van de 39 boeken van de Hebreeuwse Geschriften volgens de huidige indeling], welke het gansche verleden omvatten en terecht voor goddelijk gehouden worden.” Zoals uit zijn verdere woorden duidelijk blijkt, wist hij dat er apocriefe boeken bestonden, maar dat deze niet in de Hebreeuwse canon opgenomen waren: „Ook de overige tijd van Artaxerxes tot op onze dagen is in bijzonderheden beschreven; maar de des betreffende boeken verdienen niet hetzelfde vertrouwen als de vroegere, daar de opeenvolging der profeten niet nauwkeurig plaats had.” — Tegen Apion, I, 8.
Opneming in „Septuaginta” geen bewijs voor canoniciteit
Argumenten die ten gunste van de canoniciteit van de apocriefe geschriften zouden getuigen, draaien over het algemeen om het feit dat deze geschriften in vele vroege afschriften van de Septuaginta te vinden zijn. Deze Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften begon men omstreeks 280 v.G.T. in Egypte te vervaardigen. Daar er echter geen oorspronkelijke exemplaren van de Septuaginta voorhanden zijn, kan men niet categorisch beweren dat de apocriefe boeken oorspronkelijk in dit werk opgenomen waren. Vele, ja, misschien wel de meeste van de apocriefe geschriften werden, zoals wordt toegegeven, geschreven nadat er met het vertaalwerk aan de Septuaginta was begonnen, zodat ze klaarblijkelijk niet op de oorspronkelijke lijst van boeken stonden die door de vertalers voor het vertalen waren uitgekozen. Men zou ze dus op zijn hoogst als toevoegsels op dit werk kunnen beschouwen.
En alhoewel de Griekssprekende joden van Alexandrië deze apocriefe geschriften ten slotte in de Septuaginta opnamen en ze klaarblijkelijk als een deel van een vergrote canon van heilige geschriften beschouwden, blijkt toch uit de reeds eerder aangehaalde verklaring van Josephus dat ze nooit in de Jeruzalemse of Palestijnse canon werden opgenomen en hoogstens slechts als secundaire geschriften en niet als van goddelijke oorsprong werden beschouwd. Op de joodse Synode van Jamnia (omstreeks 90 G.T.) werden al zulke geschriften dan ook uitdrukkelijk van de Hebreeuwse canon uitgesloten.
Waarom het passend is het joodse standpunt in deze kwestie in aanmerking te nemen, wordt in Romeinen 3:1, 2 door de apostel Paulus duidelijk onder woorden gebracht.
Nog meer bewijzen uit de oudheid
Een van de voornaamste externe bewijzen die tegen de canoniciteit van de Apocriefen getuigen, is het feit dat geen van de christelijke bijbelschrijvers ooit een aanhaling uit deze boeken heeft gedaan. Hoewel dit op zich niet doorslaggevend is, aangezien zij in hun geschriften ook geen aanhalingen doen uit enkele als canoniek aanvaarde boeken — zoals Esther, Prediker en het Hooglied — is toch het feit dat er uit niet één van de 11 geschriften van de Apocriefen zelfs maar eenmaal een aanhaling wordt gedaan, beslist veelbetekenend.
Het is ook niet zonder betekenis dat toonaangevende bijbelgeleerden en „kerkvaders” uit de eerste eeuwen van de gewone tijdrekening over het algemeen de Apocriefen als inferieur achtten. Zo maakte Origenes, die in het begin van de 3de eeuw G.T. leefde, als gevolg van een zorgvuldig onderzoek een onderscheid tussen deze geschriften en die van de echte canon. Athanasius, Cyrillus van Jeruzalem, Gregorius van Naziane en Amphilochius, die allen in de 4de eeuw G.T. leefden, stelden catalogussen samen waarin zij de heilige geschriften volgens de Hebreeuwse canon opnamen en waarbij zij deze toegevoegde geschriften hetzij negeerden of een tweederangs plaats toekenden.
Hiëronymus, die als „de beste Hebreeuwse geleerde” van de vroege kerk wordt beschreven en in 405 G.T. zijn Latijnse vertaling van de bijbel, de Vulgaat genoemd, voltooide, sprak zich definitief tegen de apocriefe boeken uit. Hij was zelfs de eerste die het woord „apocriefen” uitdrukkelijk in de zin van niet-canoniek met betrekking tot deze geschriften gebruikte. In zijn Prologus Galeatus op de Vulgaat somt Hiëronymus dan ook de geïnspireerde boeken van de Hebreeuwse Geschriften op overeenkomstig de Hebreeuwse canon (waarin de 39 boeken als 22 zijn gerangschikt) en zegt hij vervolgens: „Er zijn dus tweeëntwintig boeken . . . Deze voorrede op de Geschriften kan dienst doen als een krachtige achtergrond voor het benaderen van alle boeken die wij uit het Hebreeuws in het Latijn vertalen, zodat wij mogen weten dat al wat hierbuiten valt, onder de apocriefen gerekend moet worden.” In een brief aan een dame genaamd Lœta, waarin Hiëronymus over de opvoeding van haar dochter schrijft, gaf hij de raad: „Alle apocriefe boeken dienen vermeden te worden; mocht zij ze ooit willen lezen, niet om de waarheid van leerstellingen vast te stellen, maar uit eerbied voor de waarheden die ze vertolken, dan dient haar verteld te worden dat dit niet de werken zijn van de auteurs wier namen ze dragen, dat ze veel bevatten wat verkeerd is en dat het een taak is waarbij men zeer beleidvol te werk moet gaan als men goud te midden van klei wil vinden.”
Strijdige katholieke zienswijzen
Het was vooral Augustinus (354–430 G.T.) die er de eerste stoot toe gaf dat deze toegevoegde geschriften in de canon opgenomen werden, alhoewel hij in latere werken toegaf dat er een duidelijk onderscheid bestond tussen de boeken van de Hebreeuwse canon en zulke „buitenstaande boeken”. De Katholieke Kerk, die de leiding van Augustinus volgde, besloot echter op het concilie van Carthago (397 G.T.) deze toegevoegde geschriften in de canon van heilige boeken op te nemen. Maar pas in 1546 G.T., op het concilie van Trente, bevestigde de Rooms-Katholieke Kerk definitief de opneming van deze toevoegsels in haar catalogus van bijbelboeken. Deze stap werd noodzakelijk geacht omdat zelfs in de kerk de meningen over deze geschriften nog steeds verdeeld waren. John Wycliffe, de rooms-katholieke priester en geleerde die, naderhand met de hulp van Nicholas van Hereford, in de 14de eeuw als eerste de bijbel in het Engels vertaalde, nam de Apocriefen niet in zijn werk op. In het voorwoord bij zijn vertaling verklaarde hij dat zulke geschriften „zonder geloofsgetuigenis” waren. Ook kardinaal Cajetanus (1469–1534 G.T.), een dominicaan en de belangrijkste katholieke theoloog van zijn tijd, die door Clemens VII het „licht der Kerk” werd genoemd, maakte een onderscheid tussen de boeken van de echte Hebreeuwse canon en de apocriefe werken; hij beriep zich daarbij op de geschriften van Hiëronymus.
Tevens is het opmerkenswaardig dat op het concilie van Trente niet alle geschriften werden erkend die voordien op het concilie van Carthago waren goedgekeurd, maar dat drie daarvan werden verworpen: het Gebed van Manasse en 1 en 2 Ezra (Esdras) (niet de 1 en 2 Esdras die, in de Nederlandse Professorenbijbel, met Ezra en Nehemia overeenkomen). Aldus werden deze drie geschriften, die ruim 1100 jaar in de erkende Latijnse Vulgaat-vertaling hadden gestaan, er nu uit verwijderd.
Interne bewijzen
De interne bewijzen die tegen de canoniciteit van de apocriefe geschriften getuigen, wegen zelfs nog zwaarder dan de externe bewijzen. Zo ontbreekt bijvoorbeeld volledig het profetische element. Hun inhoud en leringen spreken soms de canonieke boeken tegen en zijn ook met zichzelf in tegenspraak. Ze staan vol historische en geografische onnauwkeurigheden en anachronismen. In sommige gevallen maakten de schrijvers zich aan oneerlijkheid schuldig door hun werken als de pennevrucht van vroegere geïnspireerde schrijvers uit te geven. Zij verraadden dat zij onder Griekse invloed stonden en bedienden zich soms van een overdreven taal en een literaire stijl die volledig vreemd zijn aan de geïnspireerde Geschriften. Twee van de schrijvers geven te kennen dat zij niet geïnspireerd waren. (Zie de Proloog bij Ecclesiasticus; 2 Makkabeeën 2:24-32; 15:38-40, PC.) Er kan dus gezegd worden dat de Apocriefen zelf het beste bewijs vormen dat ze niet canoniek zijn.
LATERE APOCRIEFE WERKEN
Vooral sedert de 2de eeuw G.T. ontstond er een grote hoeveelheid geschriften die er aanspraak op maakten door God geïnspireerd en canoniek te zijn en zogenaamd verband hielden met het christelijke geloof. Deze werken, dikwijls de „Nieuwtestamentische Apocriefen” genoemd, trachtten de Evangeliën, de Handelingen, de brieven en de openbaringen na te bootsen die alle tot de canon van de christelijke Griekse Geschriften behoren. Een groot aantal van deze Apocriefen kent men slechts uit voorhanden zijnde fragmenten of uit citaten en zinspelingen die bij andere schrijvers worden aangetroffen.
Het is duidelijk dat men in deze geschriften inlichtingen trachtte te verschaffen die in de geïnspireerde geschriften moedwillig waren weggelaten, zoals wat er zich allemaal in het leven van Jezus afspeelde vanaf zijn vroege kinderjaren tot aan zijn doop; of dat men door deze geschriften leringen of tradities trachtte te bewijzen die geen ondersteuning vonden in de bijbel of daarin zelfs werden tegengesproken. Zo staan het zogenoemde „Evangelie van Thomas” en het zogeheten „Protevangelium van Jakobus” vol fantastische verhalen over wonderen die Jezus in zijn kinderjaren verricht zou hebben. Maar door het beeld dat zij van hem schilderen, wordt de schijn gewekt alsof Jezus een nukkig en lastig kind was dat met buitengewone krachten was begiftigd. (Vergelijk het ware verslag in Lukas 2:51, 52.) In de apocriefe „Handelingen”, zoals de „Handelingen van Paulus” en de „Handelingen van Petrus”, wordt krachtig de nadruk gelegd op volledige onthouding van seksuele betrekkingen en wordt zelfs over de apostelen gezegd dat zij vrouwen ertoe aanspoorden van hun man te scheiden, hetgeen echter in tegenspraak is met Paulus’ authentieke raad in 1 Korinthiërs 7.
In The Interpreter’s Dictionary of the Bible (Deel I, blz. 166) staat over zulke postapostolische apocriefe geschriften het volgende commentaar: „Vele ervan zijn onbeduidend, sommige zijn hoogst theatraal, sommige zijn weerzinwekkend, ja verfoeilijk.” En in de New Standard Bible Dictionary door Funk en Wagnalls (blz. 56) staat: „Ze zijn een vruchtbare bron voor heilige legenden en kerkelijke tradities geweest. In deze boeken moeten wij de oorsprong van enkele dogma’s van de Rooms-Katholieke Kerk zoeken.”
Evenals de vroegere apocriefe geschriften niet in de erkende voorchristelijke Hebreeuwse Geschriften werden opgenomen, werden ook deze latere apocriefe geschriften niet als geïnspireerd beschouwd noch in de vroegste collecties of catalogussen van de christelijke Griekse Geschriften als canoniek opgenomen.