BAÄL-HANAN
(Ba̱äl-Ha̱nan) [Baäl heeft gunst betoond; Baäl is goedgunstig].
1. Zoon van Achbor; de zevende van de acht koningen die over Edom hebben geregeerd „voordat er enige koning over de zonen van Israël regeerde”. — Ge 36:31, 38, 39; 1Kr 1:49, 50.
2. De Gederiet die door David werd aangesteld als overste „over de olijfbosjes en de sycomoorbomen die in de Sjefela waren”. — 1Kr 27:28, 31.