BAÄL-HAMON
(Ba̱äl-Ha̱mon) [Eigenaar van een menigte].
Een in Hooglied 8:11 genoemde plaats waar zich een vruchtbare wijngaard van koning Salomo bevond. Waar die precies lag, wordt niet vermeld. Terwijl velen denken dat het om een letterlijke plaats gaat, vermoeden sommigen dat de naam in dit poëtische geschrift figuurlijk is gebruikt als een aanduiding voor het rijk waarover Salomo regeerde en dat hem grote rijkdom opleverde. — Vgl. 1Kon 4:20, 21.