Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g99 22/12 blz. 13-16
  • Geschraagd door hoop om beproevingen te verduren

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Geschraagd door hoop om beproevingen te verduren
  • Ontwaakt! 1999
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het begin van onze zorgen
  • Inwonen bij mijn ouders
  • Geschraagd door hoop
  • Mijn kinderen, een bron van vreugde
  • Onze volletijddienst
  • Geschraagd door veel zegeningen
  • Jehovah heeft mij kracht gegeven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Hoe ik Gods liefdevolle zorg heb ervaren
    Ontwaakt! 1995
  • Een werkelijk doel in het leven vinden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Wanhoop maakt plaats voor vreugde
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
Meer weergeven
Ontwaakt! 1999
g99 22/12 blz. 13-16

Geschraagd door hoop om beproevingen te verduren

VERTELD DOOR MICHIKO OGAWA

Op 29 april 1969 kreeg ik een telefoontje van de politie. Mijn man, Seikichi, was gewond geraakt bij een verkeersongeluk en lag in het ziekenhuis. Ik liet mijn twee zoontjes achter bij een vriendin en haastte mij ernaartoe. Sinds die tijd is Seikichi verlamd en nooit meer bij bewustzijn gekomen. Laat mij u vertellen over ons gezin en hoe wij het hebben gered.

IK BEN in februari 1940 geboren in Sanda, vlak bij Kobe (Japan). Seikichi en ik kenden elkaar al vanaf de tijd dat wij samen naar de kleuterschool gingen. Wij trouwden op 16 februari 1964. Mijn echtgenoot was een man van weinig woorden, maar hij hield van kinderen. Mettertijd kregen wij twee jongens, Ryusuke en Kohei.

Seikichi was in dienst bij een bouwbedrijf in Tokio, dus na ons trouwen woonden wij in een van Tokio’s voorsteden. In oktober 1967 werd ik bezocht door een jonge vrouw die zich voorstelde als bijbelonderwijzer. „Nee bedankt”, zei ik. „Ik heb mijn eigen bijbel.”

„Mag ik die bijbel eens zien?”, vroeg zij.

Ik pakte de bijbel van onze boekenplank — hij was van Seikichi — en toonde die aan haar. Zij liet mij daarin de naam Jehovah zien. Ik had nooit geweten dat dit Gods naam was. De vrouw, die mijn twee kleine kinderen opmerkte, las mij uit de bijbel voor: „Leid een knaap op overeenkomstig de weg voor hem; ook als hij oud wordt, zal hij er niet van afwijken” (Spreuken 22:6). Ik had me feitelijk al afgevraagd hoe ik mijn kinderen met succes kon opvoeden. Ik wilde dus meteen de bijbel bestuderen.

Ik nodigde de vrouw binnen en wij begonnen een bespreking uit de brochure „Zie! Ik maak alle dingen nieuw”. Ik dacht: ’Wat zou het prachtig zijn als wij als gezin van een gelukkig leven konden genieten!’ Toen Seikichi thuiskwam, zei ik: „Ik wil de bijbel bestuderen.”

„Schat, je hoeft niet zo onderlegd te zijn”, zei hij. „Ik zal je helpen met wat je ook maar wilt weten.” Niettemin begon ik ermee elke week met Jehovah’s Getuigen de bijbel te bestuderen en ging al spoedig hun vergaderingen bezoeken.

Het begin van onze zorgen

Toen ik die bewuste avond in april 1969 in het ziekenhuis arriveerde, was ik geschokt te horen dat een vriend van Seikichi, de man van de vrouw bij wie ik mijn zoontjes had achtergelaten, ook in de taxi had gezeten toen het ongeluk gebeurde. De vriend van mijn man overleed een week later.

Die avond zei het ziekenhuispersoneel tegen mij dat ik contact op moest nemen met iedereen van wie ik vond dat die Seikichi nog moest zien, omdat hij niet lang meer te leven had. Hij had een schedelbasisfractuur en een hersenkneuzing. De volgende dag kwamen de familieleden vanuit Kobe en omstreken in aller ijl naar het ziekenhuis.

Via de luidspreker van het ziekenhuis deed een stem de dringende oproep: „Willen alle familieleden van Seikichi Ogawa onmiddellijk naar hem toe gaan.” Wij haastten ons naar de afdeling intensive care en namen om de beurt afscheid van hem. Zijn kritieke toestand hield echter een hele maand aan. Een uiteindelijke diagnose gaf aan dat zijn toestand lang zou duren.

Dus werd Seikichi per ambulance van Tokio naar Kobe overgebracht, een afstand van zo’n 650 kilometer. Na zijn vertrek ging ik met de kogeltrein naar huis terwijl ik bad dat hij het zou overleven. Die avond was ik dolblij hem levend in het ziekenhuis in Kobe te zien. Fluisterend zei ik tegen hem: ’Schat, je hebt het volgehouden!’

Inwonen bij mijn ouders

Met mijn zoons keerde ik terug naar het huis van mijn ouders in Sanda, waar de kinderen voor het eerst naar de kleuterschool gingen. Ik kocht een abonnement voor de trein naar Kobe, een afstand van ongeveer veertig kilometer, en mijn schoonmoeder en ik reisden het jaar daarop bij toerbeurt dagelijks naar het ziekenhuis. Dan vroeg ik me af: ’Zal Seikichi vandaag bijkomen? Wat zal het eerste zijn dat hij tegen me zegt? Hoe moet ik erop reageren?’ Ook dacht ik, vooral als ik toevallig een gelukkig uitziend gezin zag: ’Als Seikichi maar gezond zou zijn, wat zou dat fijn zijn voor onze zoons.’ Dan kreeg ik tranen in mijn ogen.

Wanneer ik in die beginjaren in de krant las dat iemand na verscheidene maanden in coma te hebben gelegen, weer bijkwam, dacht ik dat Seikichi misschien ook wakker zou worden. Ik zei dus op een keer tegen mijn zwager: „Ik wil hem naar het ziekenhuis in het noordoosten van Honshu laten overbrengen.” Maar hij vertelde mij dat er geen remedie was en gaf mij de raad het geld dat wij hadden voor de andere gezinsleden te gebruiken.

Een christelijke ouderling in een van de gemeenten van Jehovah’s Getuigen in Kobe woonde vlak bij het ziekenhuis en ik ging vaak hij hem langs voordat ik Seikichi ging bezoeken. Een keer per week bestudeerde zijn vrouw de bijbel met mij. En hun twee kinderen kwamen naar onze kamer in het ziekenhuis om een cassettebandje van hun gemeentevergaderingen te brengen. Ik werd door dit gezin erg aangemoedigd en vertroost.

Geschraagd door hoop

Op een dag bezocht een reizende opziener van Jehovah’s Getuigen ons in het ziekenhuis en las mij Romeinen 8:18-25 voor. Daar staat gedeeltelijk: „Ik [ben] van oordeel dat het lijden van de tegenwoordige tijd niets te betekenen heeft in vergelijking met de heerlijkheid die in ons geopenbaard zal worden. . . . Want wij weten dat de gehele schepping tot nu toe voortdurend te zamen zucht en te zamen pijn lijdt. . . . Als iemand iets ziet, hoopt hij er dan nog op? Indien wij echter hopen op wat wij niet zien, blijven wij er met volharding op wachten.”

De bespreking van onze christelijke hoop herinnerde mij eraan dat het huidige lijden gering is, vergeleken met de vreugde die Jezus belooft — leven op de toekomstige paradijsaarde (Lukas 23:43). Ik werd erdoor geholpen de huidige feiten hoopvol onder ogen te zien en mij te richten op de toekomstige werkelijkheden van zegeningen in de nieuwe wereld. — 2 Korinthiërs 4:17, 18; Openbaring 21:3, 4.

In juni 1970 werd Seikichi overgebracht naar een ziekenhuis in Sanda, waar mijn ouders en ik woonden. Toen mij in januari van het jaar daarop de verklaring die onze advocaat had opgesteld, werd overgelegd waarin mijn man handelingsonbekwaam werd verklaard als gevolg van het ongeluk, was ik erg verdrietig en kon ik mijn tranen niet bedwingen. Vaak zei mijn schoonmoeder tegen mij: „Michiko, het spijt me dat je het zo moeilijk hebt vanwege mijn zoon.” Ook zei ze: „Ik wou dat ík Seikichi’s plaats kon innemen.” Dan huilden wij samen.

Mijn vader drong er bij mij op aan een volledige baan te zoeken, maar ik was vastbesloten voor Seikichi te zorgen. Hoewel het scheen dat hij buiten bewustzijn was, reageerde hij op warmte en kou en hadden de manieren waarop hij werd verpleegd invloed op hem. Vader wilde dat ik zou hertrouwen, maar ik besefte dat dat onjuist zou zijn omdat mijn echtgenoot nog leefde (Romeinen 7:2). Daarna zei Vader wanneer hij gedronken had: „Wanneer ik doodga, zal ik Seikichi met me meenemen.”

Tot mijn grote vreugde werd er in 1971 in Sanda een gemeente opgericht. Vervolgens, op 28 juli 1973, kon ik mijn opdracht aan Jehovah symboliseren door de waterdoop. Dat was tijdens het internationale congres van Jehovah’s Getuigen op het terrein van de Expo van Osaka.

Later in 1973 kreeg mijn zoon Kohei acute nierontsteking en lag vijf maanden in het ziekenhuis. Mijn vader lag ook in het ziekenhuis, vanwege tuberculose. Op 1 januari 1974 ging ik dus op bezoek bij mijn vader, mijn man en mijn zoon, in drie verschillende ziekenhuizen. Op zondag, wanneer ik met Ryusuke, mijn oudste zoon, Kohei ging bezoeken, bestudeerde ik met hen het boek Naar de grote Onderwijzer luisteren. Daarna bezochten Ryusuke en ik een vergadering in Kobe en gingen wij met een blij hart naar huis.

Ik ben altijd dankbaar geweest voor degenen die mij hebben geholpen voor Seikichi te zorgen. Ik deed speciaal moeite om bijbelkennis met hen te delen. Nadat een verpleegster bij een brand haar zus had verloren, reageerde zij gunstig toen ik haar de grootse hoop van de opstanding liet zien die in de bijbel wordt beloofd (Job 14:13-15; Johannes 5:28, 29). Er werd met haar een bijbelstudie begonnen in het ziekenhuis en uiteindelijk werd zij op een congres in 1978 gedoopt.

Mijn kinderen, een bron van vreugde

Het opvoeden van mijn kinderen zonder de hulp van mijn man is een uitdaging geweest, maar wat is het de moeite waard geweest! Ik heb hun goede manieren bijgebracht en zorg voor de gevoelens van anderen. Toen Ryusuke nog maar drie jaar was, bood hij zijn excuses aan als hij zich niet goed had gedragen en zei: „Mamma, het spijt me.” Kohei was een beetje opstandig en soms was hij verontwaardigd wanneer ik probeerde hem te corrigeren. Op een dag ging hij zelfs languit voor een winkel liggen huilen toen hij iets wilde hebben. Maar ik redeneerde met hem waarbij ik genegenheid en geduld toonde. Op den duur werd hij een gehoorzame en lieve jongen. Dat hielp om mij ervan te overtuigen dat de bijbel echt Gods Woord is. — 2 Timotheüs 3:15-17.

Toen Ryusuke voor het eerst naar de middelbare school ging, legde hij aan de leraren uit waarom hij niet mee kon doen aan de lessen in vechtsport (Jesaja 2:4). Op een dag kwam hij blij en opgewonden thuis uit school omdat hij op een vergadering met een aantal leraren hun vragen had kunnen beantwoorden.

Gezonde omgang in de gemeente was erg nuttig voor mijn zoons. Christelijke ouderlingen nodigden hen vaak uit om te komen eten en betrokken hen bij hun gezinsstudie van de bijbel en ook bij ontspanningsactiviteiten. Er waren ook gelegenheden voor gezellige omgang, met inbegrip van het deelnemen aan verscheidene sporten. In 1979 symboliseerde Ryusuke zijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop en Kohei werd het jaar daarop gedoopt.

Onze volletijddienst

Op een keer vertelde ik de reizende opziener tijdens zijn bezoek dat ik pionier wilde zijn, zoals volletijdpredikers van Jehovah’s Getuigen worden genoemd. Omdat zo’n stap op dat moment vanwege mijn omstandigheden niet verstandig zou zijn geweest, herinnerde hij mij vriendelijk aan de noodzaak om mijn zoons vastberaden in de bijbelse waarheid groot te brengen. „Het belangrijkste”, zei hij, „is dat je een pioniersgeest hebt.” Dus ging ik in de hulppioniersdienst, en tijdens de schoolvakanties van mijn zoons namen wij samen aan deze activiteit deel. Dit was een geweldige hulp voor mij om mijn vreugde en gemoedsrust te bewaren terwijl ik voor Seikichi zorgde.

Ten slotte kon ik mij in september 1979 bij de gelederen van de gewone pioniers aansluiten. In mei 1984, ongeveer een jaar nadat hij van de middelbare school af kwam, ging ook Ryusuke pionieren. Kohei sloot zich in september 1984 bij hem aan. Wij hebben dus alle drie deze vorm van volletijddienst ervaren. Als ik terugblik op meer dan twintig jaar pioniersdienst, een tijd waarin ik het voorrecht heb gehad een aantal personen te helpen Jehovah te dienen, vind ik dat die activiteit mij heeft geholpen tijdens mijn beproevingen staande te blijven.

Toen er naast de congreshal in Kansai aan nog een door Jehovah’s Getuigen te gebruiken gebouw werd gewerkt, heeft Ryusuke daar als vrijwilliger aan meegeholpen. Later diende hij zeven jaar als beheerder van de congreshal in Hyogo. Nu, als christelijke ouderling in een naburige gemeente in Kobe, zorgt hij voor mij. Sinds 1985 dient Kohei als vrijwilliger op het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Ebina.

Geschraagd door veel zegeningen

Jarenlang ging ik diverse keren per week naar het ziekenhuis om Seikichi te bezoeken en hem te wassen. Mijn verzorging kwam nog bij de verpleging die door een vaste verpleegster werd gegeven. In september 1996, na 27 jaar in ziekenhuizen te hebben doorgebracht, kwam Seikichi, met hulp van een verpleegster, bij ons thuis wonen. Hij krijgt vloeibaar voedsel via een neussonde. Hoewel zijn ogen gesloten zijn gebleven, reageert hij enigszins wanneer wij iets tegen hem zeggen. Het doet mij pijn Seikichi in deze toestand te zien, maar ik word geschraagd door de grootse hoop voor de toekomst.

Vlak voor Seikichi thuiskwam, had ik een reizende opziener en zijn vrouw woonruimte aangeboden, dus een jaar lang woonden wij met ons vijven in ons vrij kleine huis. Ik had nooit gedacht dat ik weer met Seikichi zou kunnen samenwonen en ik dank Jehovah hiervoor. Jarenlang wilde ik heel graag dat Seikichi zijn ogen zou openen, maar nu is het eenvoudig mijn wens dat Jehovah’s wil geschiedt.

Ik kan naar waarheid zeggen: „De zegen van Jehovah — die maakt rijk, en hij voegt er geen smart bij” (Spreuken 10:22). Hoewel een gelukkig leven met een gezonde Seikichi van korte duur was, ben ik gezegend met twee zoons die ’onze Grootse Schepper gedenken’. Hier ben ik zeer dankbaar voor! — Prediker 12:1.

Ondertussen zou ik er graag mee doorgaan te pionieren en aldus anderen te helpen „het werkelijke leven” te vinden, en tegelijkertijd Seikichi liefdevolle zorg te geven (1 Timotheüs 6:19). Mijn ervaring heeft me geleerd hoe waar de woorden van de psalmist zijn: „Werp uw last op Jehóvah, en hijzelf zal u schragen. Nooit zal hij toelaten dat de rechtvaardige wankelt.” — Psalm 55:22.

[Illustratie op blz. 13]

Mijn man en ik met Ryusuke

[Illustratie op blz. 13]

Seikichi met onze twee zoons, zes maanden voor het ongeluk

[Illustratie op blz. 15]

Wij werden gezegend met twee zoons, Ryusuke en Kohei (midden), die ’onze Grootse Schepper gedenken’

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen