Verbannen in Siberië!
VERTELD DOOR VASILY KALIN
Indien u een man rustig in de bijbel zag zitten lezen te midden van het lawaai van ontploffende granaten, zou u dan niet willen weten hoe hij zo kalm kon zijn? Ruim 56 jaar geleden sloeg mijn vader zo’n tafereel gade.
HET was juli 1942 en de Tweede Wereldoorlog was op zijn hoogtepunt. Terwijl de Duitse frontlinie zich door Vilsjanitsa bewoog, het dorp in Oekraïne waar mijn vader woonde, stapte hij bij een paar oudere mensen binnen. De man zat bij het fornuis, waarop hij wat maïs opwarmde, en las de bijbel, terwijl overal rondom granaten ontploften.
Ik werd vijf jaar later geboren, niet ver van de prachtige stad Ivano-Frankivs’k in het westen van Oekraïne, dat toen deel uitmaakte van de Sovjet-Unie. Later vertelde mijn vader mij over zijn gedenkwaardige ontmoeting met deze man, die een van Jehovah’s Getuigen was, en ook over de verschrikkingen van de oorlogsjaren. De mensen waren uitgeput en in de war en velen vroegen zich af: ’Waarom is er zo veel onrecht? Waarom sterven er duizenden onschuldige mensen? Waarom laat God het toe? Waarom? Waarom? Waarom?’
Over zulke vragen kreeg Vader een lang, openhartig gesprek met de oude man. Door in zijn bijbel de ene schriftplaats na de andere op te slaan, toonde de man Vader de antwoorden op vragen waarmee hij al een hele tijd zat. Hij legde uit dat het Gods voornemen was op zijn bestemde tijd een eind te maken aan alle oorlogen en dat de aarde een prachtig paradijs zou worden. — Psalm 46:9; Jesaja 2:4; Openbaring 21:3, 4.
Vader haastte zich naar huis en riep uit: „Moet je horen! Na één gesprek met Jehovah’s Getuigen zijn mij de ogen geopend! Ik heb de waarheid gevonden!” Hij zei dat hoewel hij regelmatig naar de katholieke kerk was gegaan, de geestelijken nooit in staat waren geweest zijn vragen te beantwoorden. Dus begon hij de bijbel te bestuderen en mijn moeder sloot zich bij hem aan. Ook begonnen zij hun drie kinderen te onderwijzen — mijn zus, die toen pas twee jaar was, en mijn broers van zeven en elf. Kort daarna werd hun huis ernstig beschadigd door een bom, zodat er maar één kamer overbleef waarin zij konden wonen.
Moeder kwam uit een groot gezin; zij had zes zussen en een broer. Haar vader was een van de beter gesitueerden in de buurt en hij hechtte waarde aan zijn gezag en status. Aanvankelijk was de familie dus tegen het pas gevonden geloof van ons gezin. Maar na verloop van tijd lieten veel van deze tegenstanders onschriftuurlijke religieuze gebruiken zoals hun gebruik van iconen, varen, en sloten zich bij mijn ouders aan in de ware aanbidding.
De priesters zetten de mensen openlijk tegen de Getuigen op. Het gevolg was dat de plaatselijke bevolking hun ruiten ingooide en hen bedreigde. Desondanks gingen mijn ouders door met hun bijbelstudie en tegen de tijd dat ik werd geboren, in 1947, aanbad ons gezin Jehovah met geest en waarheid. — Johannes 4:24.
Verbannen
De herinneringen aan de vroege ochtenduren van 8 april 1951 staan diep in mijn geest gegrift, ook al was ik toen pas vier jaar. Militairen met honden drongen ons huis binnen. Zij lieten een bevel tot deportatie zien en deden huiszoeking. Soldaten met machinegeweren en honden stonden op onze stoep en mannen in militaire uniformen zaten aan onze tafel te wachten terwijl wij ons in de twee uur die ons waren toegestaan haastig klaarmaakten om te vertrekken. Ik begreep niet wat er aan de hand was en ik huilde.
Mijn ouders kregen bevel een document te ondertekenen waarin stond dat zij geen Jehovah’s Getuigen meer waren en dat zij niets meer met hen te maken wilden hebben. Als zij tekenden, zouden zij in hun huis en hun geboorteland mogen blijven wonen. Maar Vader verklaarde vastberaden: „Ik ben ervan overtuigd dat waar u ons ook naartoe brengt, onze God, Jehovah, met ons zal zijn.”
„Denk toch aan uw gezin, aan uw kinderen”, pleitte de officier. „U gaat tenslotte niet naar een vakantieoord. U wordt naar het verre noorden gebracht, waar eeuwige sneeuw ligt en waar de ijsberen door de straten lopen.”
Het woord „Siberië” was toentertijd voor iedereen iets verschrikkelijks en mysterieus. Toch bleken geloof en een diepe liefde voor Jehovah sterker te zijn dan de angst voor het onbekende. Onze bezittingen werden op een wagen gezet, en wij werden naar de stad gebracht en in goederenwagons geladen, samen met twintig tot dertig andere gezinnen. En zo begon onze tocht naar de verre taiga of wildernis van Siberië.
Onderweg kwamen wij op de spoorwegstations andere treinen tegen met personen die werden verbannen en wij zagen de borden op de wagons met: „Vervoer van Jehovah’s Getuigen”. Dit was een getuigenis op zich, want hierdoor kwamen velen te weten dat duizenden Getuigen en hun gezinnen naar diverse gebieden in het noorden en het verre oosten werden gestuurd.
Over deze arrestatie en verbanning van Jehovah’s Getuigen in april 1951 is veel geschreven. De historicus Walter Kolarz schreef erover in zijn boek Godsdienst in de Sowjet-Unie: „Dit was niet het einde van Jehova’s Getuigen in Rusland, maar enkel het begin van een nieuwe periode in hun bekeringswerk. Zij probeerden zelfs propaganda te maken voor hun geloof, als de trein naar hun ballingsoord onderweg stopte. De sowjetregering had geen beter middel kunnen bedenken om de verspreiding van de sekte te bevorderen dan de deportatie van haar leden. Verlost uit hun dorpsisolement, werden de Getuigen in een wijdere wereld gebracht, ook al was het enkel de verschrikkelijke wereld van koncentratiekampen en dwangarbeid.”
Ons gezin had geluk, want wij mochten wat voedsel meenemen — meel, maïs en bonen. Mijn grootvader mocht zelfs een varken slachten, waardoor wij en andere Getuigen van voedsel werden voorzien. Onderweg klonken er uit volle borst gezongen liederen uit de treinwagons. Jehovah gaf ons de kracht om vol te houden. — Spreuken 18:10.
Bijna drie weken lang reisden wij dwars door Rusland en uiteindelijk arriveerden wij in het koude, eenzame, afgelegen Siberië. Wij werden naar het station van Toreja gebracht in de regio Tsjoensk van de provincie Irkoetsk. Van daar uit werden wij dieper de taiga in gebracht, naar een klein dorpje, naar wat in onze papieren stond aangeduid als onze „eeuwige vestigingsplaats”. De bezittingen van vijftien gezinnen pasten makkelijk op een slee, die door een trekker door de voorjaarsmodder werd getrokken. Ongeveer twintig gezinnen werden ondergebracht in barakken, die bestonden uit lange gangen zonder tussenmuren. De autoriteiten hadden de bevolking van tevoren gewaarschuwd dat Jehovah’s Getuigen verschrikkelijke mensen waren. In het begin waren de mensen dus bang voor ons en deden zij geen enkele poging om ons beter te leren kennen.
Werken in ballingschap
Jehovah’s Getuigen werkten als houthakkers en wel onder de zwaarste omstandigheden. Al het werk werd met de hand gedaan — het zagen en kappen, en het laden van de stammen op door paarden getrokken wagens en daarna in spoorwagons. De situatie werd nog verergerd door zwermen muggen waaraan niet viel te ontkomen. Mijn vader had er verschrikkelijk veel last van. Zijn lichaam was helemaal gezwollen en hij bad intens tot Jehovah of hij hem wilde helpen te volharden. Maar ondanks alle moeilijkheden bleef het geloof van verreweg de meeste Getuigen onwrikbaar.
Kort daarna werden wij naar de stad Irkoetsk overgebracht, waar ons gezin in een voormalig gevangenenkamp woonde en in een steenfabriek werkte. De stenen werden met de hand rechtstreeks uit de grote, hete ovens gehaald en de werkquota werden voortdurend verhoogd, zodat zelfs kinderen hun ouders moesten helpen ze te bereiken. Het deed ons denken aan de slavenarbeid van de Israëlieten in het oude Egypte. — Exodus 5:9-16.
Het werd duidelijk dat de Getuigen hardwerkende en eerlijke mensen waren en geen „vijanden van het volk”, zoals werd beweerd. Men zag dat geen enkele Getuige de autoriteiten beledigde en dat Getuigen de beslissingen van de gezagdragers niet aanvochten. Op den duur gingen velen zelfs hun geloof waarderen.
Ons geestelijk leven
Hoewel de bezittingen van de Getuigen herhaaldelijk werden doorzocht — voordat zij verbannen werden, toen zij onderweg waren en in hun ballingsoorden — slaagden velen erin uitgaven van De Wachttoren en zelfs bijbels te verbergen. Later werden deze met de hand of op andere manieren gekopieerd. In de barakken werden regelmatig christelijke vergaderingen gehouden. Wanneer de commandant van de barakken binnenkwam en een groep van ons aantrof die een lied zong, gaf hij ons bevel daarmee op te houden. Dat deden wij dan. Maar als hij naar de volgende barak ging, begonnen wij weer te zingen. Wij waren niet te stoppen.
Ons predikingswerk is ook nooit tot stilstand gekomen. De Getuigen spraken met iedereen en overal. Mijn oudere broers en mijn ouders vertelden mij vaak hoe zij erin slaagden bijbelse waarheden met anderen te delen. Hierdoor begon de bijbelse waarheid geleidelijk het hart van oprechte mensen te veroveren. Zo werd in het begin van de jaren ’50 Jehovah’s koninkrijk in en rond Irkoetsk bekendgemaakt.
Aanvankelijk werden de Getuigen als politieke vijanden beschouwd, maar later werd officieel erkend dat onze organisatie puur religieus is. Desalniettemin probeerden de autoriteiten onze activiteit een halt toe te roepen. Dus kwamen wij voor bijbelstudie in kleine groepen van twee of drie gezinnen bijeen om ontdekking te vermijden. Op een dag in februari 1952 werd ’s morgens vroeg een grondige huiszoeking gedaan. Daarna werden tien Getuigen gearresteerd en de overigen van ons werden naar verschillende plaatsen overgebracht. Ons gezin werd naar Iskra getransporteerd, een dorp met een bevolking van ongeveer honderd personen op zo’n dertig kilometer van de stad Irkoetsk.
Volharding onder andere omstandigheden
Het dorpsbestuur ontving ons met onverwachte gastvrijheid. De mensen waren eenvoudig en vriendelijk — enkele kwamen zelfs hun huis uit om ons te helpen. Wij waren het derde gezin dat in dezelfde kleine kamer van ongeveer zeventien vierkante meter werd ondergebracht. Petroleumlampen waren onze enige lichtbron.
De volgende morgen vonden er verkiezingen plaats. Mijn ouders zeiden dat zij al voor Gods koninkrijk hadden gekozen en dat was iets wat de mensen uiteraard niet begrepen. De volwassen leden van ons gezin stonden dan ook de hele dag onder arrest. Naderhand stelden verscheidene personen vragen over hun geloof en dat gaf hun een mooie gelegenheid om te spreken over Gods koninkrijk als de enige hoop voor de mensheid.
In de vier jaar dat wij in het dorp Iskra woonden, waren er geen andere Getuigen in de buurt met wie wij konden omgaan. Om het dorp te kunnen verlaten, hadden wij speciale toestemming nodig van de commandant, en die gaf hij zelden, omdat de voornaamste reden voor onze deportatie was dat men ons van andere mensen wilde isoleren. Toch probeerden de Getuigen altijd met elkaar in contact te komen om wat zij ook maar aan vers geestelijk voedsel hadden bemachtigd te delen.
Na de dood van Stalin in 1953 werden de straffen van alle veroordeelde Getuigen verminderd van 25 tot 10 jaar. Degenen die in Siberië waren, hadden niet langer een speciaal document nodig om te reizen. De autoriteiten begonnen echter al spoedig huiszoekingen te doen en daarna Getuigen te arresteren als bleek dat zij bijbels of bijbelse lectuur in hun bezit hadden. Er werden speciale kampen voor de Getuigen opgezet en in het gebied rond Irkoetsk werden er zo’n 400 broeders en 200 zusters in ondergebracht.
Het nieuws over onze vervolging in de Sovjet-Unie bereikte Jehovah’s Getuigen over de hele wereld. Daarom werd er van halverwege 1956 tot februari 1957 ten behoeve van ons op 199 districtscongressen die in alle delen van de wereld werden gehouden, een resolutie aangenomen. In totaal 462.936 aanwezigen stemden in met een verzoekschrift dat gericht was aan de toenmalige sovjetpremier Nikolaj A. Boelganin. Het bevatte onder andere het verzoek ons vrij te laten en ons „toestemming te geven het tijdschrift De Wachttoren in het Russisch, Oekrains en andere talen welke nodig mogen blijken te zijn, en andere bijbelse publikaties die door Jehovah’s getuigen over de gehele wereld worden gebruikt, te ontvangen en te publiceren”.
Ondertussen was ons gezin naar het afgelegen dorp Choedjakovo gestuurd, ongeveer twintig kilometer van Irkoetsk. Daar hebben wij zeven jaar gewoond. In 1960 ging mijn broer Fjodor in Irkoetsk wonen en het jaar daarop trouwde mijn oudste broer en verhuisde mijn zus. In 1962 werd Fjodor gearresteerd en gevangengezet omdat hij predikte.
Mijn geestelijke groei
Van ons dorp Choedjakovo was het een tocht van ongeveer twintig kilometer te voet of op de fiets om met anderen samen te komen voor bijbelstudie. Dus probeerden wij naar Irkoetsk te verhuizen om meer contact met andere Getuigen te hebben. Het hoofd van het gebied waar wij woonden, was echter tegen onze verhuizing en hij deed er alles aan om het te voorkomen. Maar na een tijdje werd deze man ons iets vriendelijker gezind en konden wij naar het dorp Pivovaricha verhuizen, ongeveer tien kilometer van Irkoetsk. Daar bevond zich een gemeente van Jehovah’s Getuigen en voor mij begon er een nieuw leven. In Pivovaricha waren georganiseerde gemeenteboekstudiegroepen en broeders die het opzicht over geestelijke activiteiten hadden. Wat was ik gelukkig!
Inmiddels had ik heel veel liefde voor de bijbelse waarheid gekregen en ik wilde gedoopt worden. In augustus 1965 werd mijn wens gerealiseerd toen ik werd gedoopt in het riviertje de Olche, waar in die tijd veel nieuwe Getuigen werden gedoopt. Voor de achteloze voorbijganger zag het eruit alsof we een picknick hielden en in de rivier zwommen. Kort daarna ontving ik mijn eerste toewijzing als opziener van de theocratische bedieningsschool. In november 1965 hadden wij nog meer reden tot vreugde toen Fjodor thuiskwam uit de gevangenis.
Vooruitgang van het werk
In 1965 werden alle bannelingen bijeengeroepen en werd bekendgemaakt dat wij het recht hadden om te verhuizen waarheen wij maar wilden, zodat wij niet meer gebonden waren aan onze „eeuwige vestigingsplaats”. Kunt u zich onze vreugde voorstellen? Hoewel velen van ons toen naar andere delen van het land trokken, besloten anderen te blijven waar Jehovah ons had gezegend en ons in onze geestelijke groei en activiteit had gesteund. Velen van hen hebben hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen zien opgroeien in Siberië, dat achteraf toch niet zo afschrikwekkend bleek te zijn.
In 1967 ontmoette ik Maria, een meisje dat ook met haar ouders vanuit Oekraïne naar Siberië was verbannen. Toen wij klein waren, woonden wij allebei in het Oekraïense dorp Vilsjanitsa. Wij trouwden in 1968 en later werden wij gezegend met een zoon, Jaroslav, en ten slotte met een dochter, Oksana.
Wij bleven begrafenissen en bruiloften gebruiken om met grote aantallen samen te komen voor geestelijke omgang. Ook gebruikten wij deze gelegenheden om bijbelse waarheden uit te leggen aan aanwezige familieleden en vrienden die geen Getuigen waren. Vaak woonden veiligheidsagenten deze plechtigheden bij, waar wij openlijk uit de bijbel onderwezen over de opstandingshoop of over Jehovah’s huwelijksregeling en de toekomstige zegeningen in zijn nieuwe wereld.
Toen ik op een keer een begrafenistoespraak afrondde, stopte er een auto. De portieren vlogen open en een van de mannen stapte uit en beval mij in te stappen. Ik was niet bang. Per slot van rekening waren wij geen criminelen, alleen personen die in God geloofden. Maar in mijn zak had ik velddienstrapporten van de gemeente. Hiervoor had ik gearresteerd kunnen worden. Dus vroeg ik of ik wat geld aan mijn vrouw mocht geven voordat ik met hen meeging. Op die manier gaf ik haar waar zij bij stonden kalm mijn portefeuille en de gemeenteberichten.
Begin 1974 begonnen Maria en ik thuis in het geheim bijbelse lectuur te vervaardigen. Omdat wij een zoontje hadden, deden wij dit ’s avonds laat zodat hij er niets van zou weten. Maar omdat hij nieuwsgierig was, deed hij of hij sliep en gluurde om te zien wat wij aan het doen waren. Later zei hij: „Ik weet wie de tijdschriften over God maakt.” Wij schrokken een beetje, maar wij vroegen Jehovah altijd ons gezin te beschermen bij dit belangrijke werk.
Uiteindelijk werden de autoriteiten Jehovah’s Getuigen gunstiger gezind en dus maakten wij plannen om een grote bijeenkomst te houden in het Mir Kunst- en Vrijetijdscentrum in de stad Oesolje-Sibirskoje. Wij verzekerden het stadsbestuur dat onze bijeenkomsten uitsluitend worden gehouden voor bijbelstudie en christelijke omgang. Meer dan 700 personen kwamen in januari 1990 bijeen; de zaal was helemaal bezet en de bijeenkomst trok veel aandacht van het publiek.
Na de vergadering vroeg een verslaggever: „Wanneer hebt u uw kleine kinderen kunnen opleiden?” Zowel hij als andere bezoekers stonden er versteld van dat zij de vier uur van deze eerste openbare vergadering oplettend zaten te luisteren. Al gauw verscheen er een mooi artikel over Jehovah’s Getuigen in de plaatselijke krant. Daarin stond: „Er valt echt iets te leren van [Jehovah’s Getuigen].”
Vreugde over grote toename
In 1991 hadden wij zeven congressen in de Sovjet-Unie, met 74.252 aanwezigen. Nadat de vroegere sovjetrepublieken onafhankelijk waren geworden, kreeg ik een toewijzing van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen om naar Moskou te gaan. Daar werd mij gevraagd of ik in staat was mijn aandeel aan het Koninkrijkswerk uit te breiden. Jaroslav was inmiddels getrouwd en had zelf een dochtertje en Oksana was een tiener. Dus begonnen Maria en ik in 1993 onze volletijddienst in Moskou. In datzelfde jaar werd ik aangesteld als coördinator van het Bestuurscentrum van de Regionale Religieuze Organisatie van Jehovah’s Getuigen in Rusland.
Nu wonen en werken Maria en ik op ons nieuwe bijkantoor buiten Sint-Petersburg. Ik beschouw het als een eer om samen met andere getrouwe broeders een aandeel te kunnen hebben aan de zorg voor de snel groeiende aantallen Koninkrijksverkondigers in Rusland. Er zijn thans ruim 260.000 Getuigen in de vroegere sovjetrepublieken, alleen al in Rusland meer dan 100.000!
Maria en ik denken vaak aan onze dierbare familieleden en vrienden die getrouw aan het Koninkrijkswerk blijven deelnemen in Siberië, dat ons geliefde thuis was geworden. Tegenwoordig worden daar regelmatig grote congressen gehouden en in en rond Irkoetsk zijn zo’n 2000 Getuigen actief. De profetie in Jesaja 60:22 gaat beslist ook in dat deel van de wereld in vervulling: „De kleine zelf zal tot duizend worden, en de geringe tot een machtige natie.”
[Illustratie op blz. 20]
Met mijn vader, de rest van ons gezin en andere ballingen in Irkoetsk in 1959
[Illustratie op blz. 23]
Verbannen kinderen in Iskra
[Illustratie op blz. 25]
In het jaar dat wij trouwden
[Illustratie op blz. 25]
Een recente foto van Maria en mij