Jehovah’s Getuigen — Moedig in weerwil van nazi-gevaar
DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN DUITSLAND
JEHOVAH’S GETUIGEN staan erom bekend dat zij stevig vasthouden aan Gods Woord, de bijbel. Dit vergt vaak moed, en het oefent beslist invloed uit op hun leven en hun verhouding met anderen.
De Getuigen hebben bijvoorbeeld diepe achting voor mensen van alle etnische en culturele achtergronden. Zij hebben God en hun naaste lief (Mattheüs 22:35-40). Ja, zij stemmen volledig in met de apostel Petrus, die verklaarde: „Ik bemerk zeer zeker dat God niet partijdig is, maar in elke natie is de mens die hem vreest en rechtvaardigheid beoefent, aanvaardbaar voor hem.” — Handelingen 10:34, 35.
Jehovah’s Getuigen staan wereldwijd ook bekend om hun respect voor wet, orde en regeringsautoriteiten. Zij zijn nooit een voedingsbodem van opstand geweest en zullen dat nooit worden. Dit is zelfs het geval wanneer zij in sommige landen worden vervolgd omdat zij het apostolische standpunt innemen: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen” (Handelingen 5:29; Mattheüs 24:9). Terzelfder tijd erkennen de Getuigen dat anderen het recht hebben God te aanbidden volgens de stem van hun geweten.
Het moedige christelijke standpunt van Jehovah’s Getuigen in Duitsland en andere door Adolf Hitler beheerste landen is goed gedocumenteerd. Een opmerkelijke gebeurtenis die zich in 1933 in Berlijn (Duitsland) voordeed, illustreert hun moed, hun liefde voor God en de naaste, en hun respect voor wet, orde en religieuze vrijheid.
Geen compromis met Hitler
Het is meer dan vijftig jaar geleden dat er een einde kwam aan Hitlers monsterachtige, twaalfjarige regering van racisme en moord. Toch bracht dat nazi-regime wonden toe die de mensheid tot op heden kwellen.
De geschiedenis bevestigt dat slechts enkele groeperingen zich moedig tegen de nazi-terreur verzetten en zich ertegen uitspraken. Daartoe behoorden ook Jehovah’s Getuigen, beschreven als „een eilandje van nimmer aflatende [morele] weerstand binnen een geterroriseerde natie”. Hun moedige standpunt is door gerespecteerde geschiedschrijvers goed gedocumenteerd.
Sommige critici, onder wie enkele vroegere metgezellen van Jehovah’s Getuigen, uiten echter de beschuldiging dat de Getuigen aanvankelijk hebben getracht een compromis met het Hitlerregime te sluiten. Zij beweren dat vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap zonder succes de gunst van de nieuwe regering trachtten te winnen en dat zij, althans een tijdlang, de racistische ideologie van de nazi’s ondersteunden, wat uiteindelijk tot de moord op zes miljoen joden leidde.
Deze ernstige beschuldigingen zijn absoluut vals. Hier volgt een eerlijk onderzoek van de betreffende gebeurtenissen, gebaseerd op beschikbare documentatie en de historische context.
Een terugblik
Jehovah’s Getuigen zijn in Duitsland al meer dan 100 jaar actief. Tegen 1933 waren er ongeveer 25.000 Getuigen die Jehovah God aanbaden en bijbelse lectuur in heel Duitsland verspreidden.
Ondanks de door de Duitse grondwet van die tijd verleende vrijheden, waren Jehovah’s Getuigen veelvuldig het doelwit van lastercampagnes, die vooral door religieuze tegenstanders op touw waren gezet. Reeds in 1921 werden de Getuigen, destijds Ernste Bibelforscher (Ernstige Bijbelonderzoekers) genoemd, ervan beschuldigd samen met de joden bij subversieve politieke bewegingen aangesloten te zijn. De Bijbelonderzoekers werden gebrandmerkt als de gevaarlijke bolsjewistische „joodse worm”, hoewel er nooit enig bewijs voor de beschuldigingen werd geleverd. De Zwitserse theoloog Karl Barth schreef later: „De beschuldiging dat er verband bestaat tussen Jehovah’s Getuigen en de communisten kan slechts op een ongewild of zelfs opzettelijk misverstand berusten.”
Een kerkblad in Duitsland uitte de beschuldiging dat de Getuigen en de joden met elkaar samenzwoeren in revolutionaire bewegingen. In een reactie zei de Duitse uitgave van 15 april 1930 van Het Gouden Tijdperk (voorloper van Ontwaakt!): „Wij hebben geen reden deze valse beschuldiging als een belediging op te vatten — aangezien wij ervan overtuigd zijn dat de jood als persoon minstens zo waardevol is als een naamchristen; maar wij verwerpen de bovengenoemde onwaarheid van het kerkblaadje omdat het erop gericht is ons werk in diskrediet te brengen, alsof het niet gedaan zou worden ter wille van het Evangelie, maar ten behoeve van de joden.”
Bijgevolg schreef John Weiss, hoogleraar geschiedenis: „De Getuigen waren vrij van Duits raciaal nationalisme en hadden er niet eeuwen over zitten tobben dat de joden zich niet hadden bekeerd. De Getuigen hielden nog steeds vast aan het oorspronkelijke, zij het ook minzaam-neerbuigende, christelijke geloof dat alle potentiële bekeerlingen tot Christus gebracht moesten worden.”
Wat gebeurde er toen Hitler aan de macht kwam?
Op 30 januari 1933 werd Adolf Hitler tot Duitslands nieuwe kanselier benoemd. In het begin trachtte de Hitlerregering haar gewelddadige en extremistische aard te verhullen. Bijgevolg beschouwden de Getuigen, samen met miljoenen andere Duitsers, de nationaal-socialistische partij begin 1933 als de rechtmatige regeringsautoriteit van die tijd. De Getuigen hoopten dat de nationaal-socialistische (nazi)regering zou beseffen dat deze vredige, gezagsgetrouwe christelijke groepering geen omverwerpende bedreiging voor de staat vormde. Dit betekende niet dat de Getuigen ten aanzien van bijbelse beginselen zouden schipperen. Zoals dat ook in andere landen was gebeurd, wilden de Getuigen de regering inlichten omtrent de ware apolitieke aard van hun religie.
Het werd al gauw duidelijk dat Jehovah’s Getuigen tot de eersten behoorden die het mikpunt van brute nazi-onderdrukking zouden worden. De Getuigen werden opnieuw gebrandmerkt als handlangers in een zogenaamde bolsjewistisch-joodse samenzwering. Er werd een vervolgingscampagne op touw gezet.
Waarom zou zo’n kleine religieuze gemeenschap zich de woede van het nieuwe regime op de hals halen? De geschiedschrijver Brian Dunn noemt drie fundamentele redenen: (1) het internationale karakter van de Getuigen, (2) hun oppositie tegen racisme en (3) hun neutrale standpunt ten opzichte van de staat. Wegens hun schriftuurlijke standpunten weigerden de Duitse Getuigen de Hitlergroet te brengen, de nationaal-socialistische partij te steunen of later aan militaire activiteiten deel te nemen. — Exodus 20:4, 5; Jesaja 2:4; Johannes 17:16.
Dientengevolge werden de Getuigen blootgesteld aan bedreigingen, ondervragingen, huiszoekingen en andere kwellingen door de politie en de SA (Hitlers Sturmabteilung, politieke strijdtroepen of bruinhemden). Op 24 april 1933 namen functionarissen het kantoor van het Wachttorengenootschap in Maagdenburg (Duitsland) in beslag waarna het werd gesloten. Nadat een grondig onderzoek geen verdacht materiaal had opgeleverd en onder druk van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, gaf de politie het pand weer terug. Maar tegen mei 1933 waren de Getuigen in een aantal Duitse deelstaten verboden.
Getuigen gaan moedig tot actie over
Tijdens deze vroege periode werkte Hitler met zorg aan zijn imago als voorvechter van het christendom. Hij verklaarde godsdienstvrijheid toegedaan te zijn en beloofde christelijke denominaties „met onpartijdige gerechtigheid” te behandelen. Als onderdeel van zijn politieke beeldvorming verscheen de nieuwe kanselier in kerken. Dit was een tijd waarin veel mensen in landen die later in oorlog met Duitsland zouden zijn, bewondering voor Hitlers prestaties tot uitdrukking brachten.
Bezorgd voor de oplopende spanningen in Duitsland besloot Joseph F. Rutherford, destijds president van het Wachttorengenootschap, samen met de beheerder van het Duitse bijkantoor, Paul Balzereit, een campagne op touw te zetten om kanselier Hitler, regeringsfunctionarissen en het publiek erover in te lichten dat Jehovah’s Getuigen geen bedreiging voor het Duitse volk en de staat vormden. Kennelijk geloofde Rutherford dat Hitler zich niet bewust was van de aanvallen op Jehovah’s Getuigen of dat hij door religieuze elementen verkeerd was ingelicht over de Getuigen.
Daarom trof het bureau in Maagdenburg regelingen voor een congres om gebruik te maken van het aan Duitse burgers verleende recht van petitie. Jehovah’s Getuigen uit heel Duitsland werden op korte termijn uitgenodigd om op 25 juni 1933 naar de Wilmersdorfer Tennishallen in Berlijn te komen. Er werden ongeveer 5000 afgevaardigden verwacht. Ondanks de vijandige sfeer woonden meer dan 7000 personen moedig de vergadering bij. De afgevaardigden namen een resolutie aan getiteld „Feitenverklaring”. Dit document protesteerde tegen de beperkingen die het werk van de Getuigen waren opgelegd. Het zette duidelijk hun standpunt uiteen en wees beschuldigingen van opruiende banden met welke politieke doeleinden maar ook van de hand. Het verklaarde:
„Wij zijn ten onrechte bij de besturende machten van deze regering beschuldigd . . . Wij vragen de regeerders van de natie en het volk respectvol de hier afgelegde feitenverklaring aan een eerlijk en onpartijdig onderzoek te onderwerpen.”
„Wij voeren geen strijd tegen wie maar ook, of tegen religieuze leraren, maar wij moeten de aandacht vestigen op het feit dat vaak degenen die voorgeven God en Christus Jezus te vertegenwoordigen eigenlijk onze vervolgers zijn en ons bij de regeringen in een verkeerd daglicht stellen.”
Congres van moed of compromis?
Sommigen zijn thans van mening dat het in 1933 in Berlijn gehouden congres en de „Feitenverklaring” pogingen van vooraanstaande Getuigen waren om steun aan de nazi-regering en haar jodenhaat te betuigen. Maar hun beweringen zijn niet waar. Ze zijn op onjuiste informatie en op een verkeerde interpretatie van de feiten gebaseerd.
Critici beweren bijvoorbeeld dat de Getuigen de Wilmersdorfer Tennishallen met hakenkruisvlaggen hadden opgesmukt. Foto’s van het in 1933 gehouden congres laten duidelijk zien dat zij geen hakenkruizen in de zaal ophingen. Ooggetuigen bevestigen dat er binnen geen vlaggen waren.
Het is echter mogelijk dat er buiten aan het gebouw vlaggen wapperden. Een SA-afdeling had de zaal op 21 juni, de woensdag vóór het congres, gebruikt. Ook had net de dag vóór het congres een groot aantal jonge mensen samen met eenheden van de SS (Schutzstaffel, aanvankelijk Hitlers zwarthemden, zijn lijfgarde), de SA en anderen de ophanden zijnde zomerzonnewende gevierd. Getuigen die ’s zondags op het congres kwamen, kunnen dus begroet zijn met de aanblik van een met hakenkruisvlaggen versierd gebouw.
Als de buitenkant van de zaal, de gangen of zelfs het interieur met hakenkruisvlaggen opgesmukt waren geweest, dan zouden de Getuigen ze ongemoeid hebben gelaten. Zelfs in deze tijd verwijderen Jehovah’s Getuigen nationale symbolen niet wanneer zij voor hun vergaderingen of congressen openbare faciliteiten huren. Maar er is geen bewijs dat de Getuigen zelf vlaggen hebben opgehangen of ze hebben gegroet.
Critici zeggen verder dat de Getuigen het congres openden met het Duitse volkslied. In feite begon het congres met „Sions glorierijke hoop”, lied 64 in de liederenbundel van de Getuigen. De woorden van dit lied werden op door Joseph Haydn in 1797 gecomponeerde muziek gezet. Lied 64 had op zijn minst vanaf 1905 in de liederenbundel van de Bijbelonderzoekers gestaan. In 1922 nam de Duitse regering Haydns melodie met woorden van Hoffmann von Fallersleben als hun volkslied aan. Niettemin zongen de Bijbelonderzoekers in Duitsland ook daarna soms nog hun lied 64, net als andere Bijbelonderzoekers in andere landen.
Het zingen van een lied over Sion kon moeilijk opgevat worden als een poging om de nazi’s gunstig te stemmen. Onder druk van antisemitische nazi’s verwijderden andere kerken Hebreeuwse termen als „Juda”, „Jehovah” en „Sion” uit hun gezangboeken en liturgieën. Jehovah’s Getuigen deden dat niet. De congresorganisatoren verwachtten destijds beslist niet de gunst van de regering te winnen door een lied te zingen waarin Sion werd verheerlijkt. Misschien hebben sommige afgevaardigden een bepaalde tegenzin gevoeld om „Sions glorierijke hoop” te zingen, aangezien de melodie van dit door Haydn gecomponeerde muziekstuk dezelfde was als die van het volkslied.
Een beginselverklaring
Nu de regering zich in een overgangsfase bevond en het land vol beroering was, wilden de Getuigen hun standpunt duidelijk uiteenzetten. Door middel van de „Verklaring” wezen zij krachtig beschuldigingen van financiële relaties of politieke banden met de joden van de hand. Bijgevolg zei het document:
„Door onze vijanden is de valse beschuldiging geuit dat wij ten behoeve van ons werk door de joden financieel ondersteund worden. Dit is absoluut niet waar. Tot op dit uur is er door de joden geen enkele geldelijke bijdrage aan ons werk geleverd.”
Nadat er over geld was gesproken, stelde de „Verklaring” vervolgens oneerlijke praktijken van de grote zakenwereld aan de kaak door te zeggen: „Het zijn de commerciële joden van het Brits-Amerikaanse rijk die de Grote Zakenwereld opgebouwd en in stand gehouden hebben als een middel om de mensen van vele natiën uit te buiten en te onderdrukken.”
Deze verklaring doelde natuurlijk niet op de joden in het algemeen, en het is spijtig als ze verkeerd is begrepen en in enig opzicht aanstoot heeft gegeven. Sommigen hebben beweerd dat Jehovah’s Getuigen zich schuldig maakten aan de destijds algemeen in de Duitse kerken onderwezen vijandige gezindheid jegens de joden. Dit is pertinent niet het geval. Door hun lectuur en gedrag gedurende het nazi-tijdperk verwierpen de Getuigen antisemitische opvattingen en keurden zij de mishandeling van de joden door de nazi’s af. Hun vriendelijkheid jegens joden die in de concentratiekampen hun lot deelden, verschaft beslist een krachtige weerlegging van deze valse beschuldiging.
De „Verklaring” omschreef het werk van de Getuigen als religieus van aard door te zeggen: „Onze organisatie is in geen enkel opzicht politiek. Wij staan er alleen op het Woord van Jehovah God aan de mensen te onderwijzen.”
De „Verklaring” herinnerde de regering ook aan haar eigen beloften. De Getuigen kwamen op voor bepaalde hoge idealen, en deze werden nu eenmaal ook door de Duitse regering in het openbaar voorgestaan. Hiertoe behoorden gezinswaarden en religieuze vrijheid.
In dit verband voegde de „Verklaring” eraan toe: „Een zorgvuldig onderzoek van onze boeken en lectuur zal onthullen dat juist de hoge idealen die de huidige nationale regering huldigt en propageert, in onze publikaties uiteengezet, onderschreven en krachtig beklemtoond worden, en zal te zien geven dat Jehovah God erop zal toezien dat allen die rechtvaardigheid liefhebben mettertijd deze hoge idealen zullen bereiken.”
Bijgevolg hebben de Getuigen nooit steun voor de nazi-partij tot uitdrukking gebracht. Bovendien waren zij bij de uitoefening van religieuze vrijheid niet van plan om met hun openbare prediking op te houden. — Mattheüs 24:14; 28:19, 20.
Volgens het relaas in het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1975 waren sommige Duitse Getuigen teleurgesteld dat de in de „Verklaring” gebezigde taal niet explicieter was. Had de beheerder van het bijkantoor, Paul Balzereit, de tekst van het document verzwakt? Nee, want uit een vergelijking van de Duitse en de Engelse tekst blijkt dat dit niet het geval is. Kennelijk was een indruk als zou het tegendeel waar zijn, gebaseerd op de subjectieve waarnemingen van sommigen die niet rechtstreeks bij de voorbereiding van de „Verklaring” betrokken waren. Hun gevolgtrekkingen kunnen ook beïnvloed zijn door het feit dat Balzereit slechts twee jaar later zijn geloof verloochende.
Het is nu bekend dat op zaterdag 24 juni 1933, net een dag vóór het congres in Berlijn, een verbod op Jehovah’s Getuigen in Duitsland was uitgevaardigd. De congresorganisatoren en de politie hoorden een paar dagen later van dit verbod. Met het oog op de heersende spanningen en de kennelijke vijandigheid van nazi-functionarissen is het opmerkelijk dat het congres toch werd gehouden. Het is geen overdrijving te zeggen dat 7000 Getuigen moedig hun vrijheid riskeerden door de bijeenkomst bij te wonen.
Na het congres verspreidden de Getuigen 2,1 miljoen exemplaren van de „Verklaring”. Sommige Getuigen werden onmiddellijk gearresteerd en naar werkkampen gezonden. Aldus onthulde de nazi-regering ten volle haar onderdrukkende en gewelddadige aard en ontketende niet lang daarna een grootscheepse aanval op deze kleine groep christenen.
Professor Christine King schreef: „Brute kracht kon, zoals de nazi’s te weten zouden komen, de Getuigen niet onderdrukken.” Het was zoals de „Verklaring” zei: „De macht van Jehovah God is boven alles verheven en er bestaat geen macht die hem succesvol kan weerstaan.”a
[Voetnoten]
a De ruimte staat ons niet toe om een algehele documentatie voor dit historische verslag te verschaffen. Maar een lijst van volledige verwijzingen is op verzoek verkrijgbaar bij de uitgevers. U zult het misschien ook verhelderend vinden de documentaire videocassette Jehovah’s Getuigen — Standvastig onder nazi-terreur te zien.
[Illustraties op blz. 13]
Echte foto’s van het congres dat door Jehovah’s Getuigen in 1933 in de Tennishallen werd bijgewoond