Ik overleefde Vlucht 801
IK KEEK uit het raam toen wij daalden voor de landing op Guam. ’Wat vreemd’, dacht ik. ’Het lijkt zo donker.’ Het was weliswaar na middernacht, en door zware regenval was het zicht slecht. Maar waar waren de vertrouwde lichtjes van het eiland en de oplichtende landingsbanen van het vliegveld? Ik kon alleen maar de zwakke lichten aan de vleugels van onze jumbo-jet zien.
Een van onze stewardessen had de gebruikelijke aankondigingen gedaan als voorbereiding op de landing, en ik hoorde het landingsgestel van het vliegtuig met een bonk stevig op zijn plaats komen. Opeens was er een hard geluid te horen toen ons vliegtuig over de grond schuurde. Het vliegtuig schokte onbeheersbaar, en passagiers grepen hun armleuningen vast en riepen: „Wat gebeurt er?”
Een ogenblik later knalde onze Boeing 747 tegen een heuvel aan, vijf kilometer vóór het vliegveld, blijkbaar door een misrekening van onze piloot. Als gevolg van die vliegramp op 6 augustus 1997 stierven in totaal 228 passagiers en bemanningsleden. Ik was een van de slechts 26 overlevenden.
Voordat ik in Seoel (Korea) aan boord was gegaan, had iemand van de luchtvaartmaatschappij mij een betere plaats aangeboden, en ik kreeg de laatste zitplaats in de eerste klas. Ik vond dit zo leuk dat ik mijn vrouw, Soon Duck, opbelde, die mij op het vliegveld op Guam af zou halen. Die verandering van zitplaats bleek meer voor mij te betekenen dan ik ooit voor mogelijk had kunnen houden.
De crash en de plaats des onheils
Door het beperkte zicht is de vluchtbemanning zich misschien niet bewust geweest van enig dreigend gevaar. Alles gebeurde ook zo snel! Een moment lang bereidde ik mij op het ergste voor, en het volgende wat tot mij doordrong, was dat ik buiten het vliegtuig op de grond lag, nog steeds vastgegespt in mijn stoel. Ik weet niet zeker of ik buiten westen ben geweest.
’Is dit een droom?’, vroeg ik mij af. Toen ik besefte dat dit geen droom was, schoot als eerste door mijn hoofd hoe mijn vrouw wel niet zou reageren als zij van het ongeluk zou horen. Later vertelde zij mij dat zij nooit de hoop heeft opgegeven. Zelfs toen zij iemand op het vliegveld toevallig hoorde zeggen dat maar zeven passagiers het hadden overleefd, geloofde zij dat ik daar een van was.
Ons vliegtuig was in vier stukken gebroken, die over ruig junglegebied verspreid lagen. Overal lagen lichamen. Delen van het vliegtuig stonden in brand, en ik hoorde explosies samen met afschuwelijk gekreun en gejammer. „Help! Help!”, riepen stemmen smekend. Mijn stoel was in cypergras van bijna twee meter hoog terechtgekomen, en in het spookachtige licht van het vuur kon ik dichtbij een steile heuvel zien. Het was ongeveer 2.00 uur, en het regende nog steeds.
Ik was zo verdoofd dat ik er niet eens aan dacht dat ik misschien wel gewond kon zijn, totdat ik een meisje zag bij wie de hoofdhuid aan haar achterhoofd hing. Meteen greep ik naar mijn hoofd en ik merkte dat ik bloedde uit een snee boven mijn linkeroog. Ik begon de rest van mijn lichaam te controleren en ontdekte nog veel meer kleine sneetjes. Maar gelukkig leek geen daarvan ernstig te zijn. Ik had echter een verlammende pijn in mijn benen, waardoor ik mij onmogelijk kon bewegen. Ze waren allebei gebroken.
Later, in het ziekenhuis, zouden de artsen mijn verwondingen „licht” noemen. En dat waren ze ook, vergeleken met die van andere overlevenden. Eén man werd zonder benen uit het wrak getrokken. Anderen liepen ernstige brandwonden op, onder wie drie personen die het ongeluk overleefden maar later toch stierven, na weken van folterende pijn.
Bang voor de vlammen
In plaats van mijn gedachten in beslag te laten nemen door mijn verwondingen, zat ik erover in of reddingswerkers wel op tijd bij mij zouden zijn. De middelste gedeelten van het vliegtuig, waar mijn plaats in de tweede klas geweest zou zijn, waren bijna helemaal uit elkaar gerukt. Wat er nog over was, stond in brand, en passagiers die binnenin opgesloten zaten stierven een martelende dood. Ik zal hun kreten om hulp nooit vergeten.
Mijn stoel lag vlak naast de neus van het vliegtuig. Ik bevond mij op nog geen armlengte afstand van het wrak. Door mijn hals naar achteren te strekken, kon ik de vlammen zien. Ik vreesde dat het nog maar een kwestie van tijd was totdat ze mij zouden bereiken, maar gelukkig is dat nooit gebeurd.
Uiteindelijk gered!
De minuten tikten langzaam weg. Er ging meer dan een uur voorbij. Uiteindelijk vonden enkele reddingswerkers om ongeveer 3.00 uur de plaats van het ongeluk. Ik kon hen boven op de heuvel horen praten, en hoorde hun uitingen van verbazing over wat zij zagen. Een van hen riep: „Is daar iemand?”
„Hier ben ik”, gilde ik terug. „Help me!” Ook andere passagiers reageerden. Een van de reddingswerkers noemde een andere „Ted”, dus begon ik te roepen: „Hé Ted, ik ben hier!”, en „Ted, kom ons helpen!”
„We komen naar beneden! Heb geduld”, was het antwoord.
De stromende regen, die velen misschien van de vlammen heeft gered, bemoeilijkte het afdalen van de glibberige helling. Als gevolg daarvan duurde het nog een heel uur voordat de reddingswerkers bij de overlevenden waren. De tijd die zij nodig hadden om mij te vinden, leek wel een eeuwigheid.
„We zijn er”, zeiden twee reddingswerkers met zaklantaarns. „Maak je geen zorgen.” Al gauw voegden zich nog twee reddingswerkers bij hen, en samen probeerden zij mij te verplaatsen. Twee pakten mijn armen, en de andere twee hielden mijn benen vast. Het was vreselijk pijnlijk om op die manier gedragen te worden, vooral doordat zij steeds uitgleden in de modder. Na een korte afstand afgelegd te hebben, legden zij mij neer. Een van hen ging een brancard halen, en ik werd naar een plek gebracht vanwaar een legerhelikopter mij naar een ambulance op de top van de heuvel kon brengen.
Eindelijk zie ik mijn vrouw weer!
Pas om 5.30 uur arriveerde ik op de eerste hulp. Vanwege de ernst van mijn verwondingen mocht ik van de artsen niet telefoneren, dus hoorde mijn vrouw pas om 10.30 uur, bijna negen uur na het ongeluk, dat ik het had overleefd. Zij werd ingelicht door een vriend die mijn naam op een lijst met overlevenden had zien staan.
Toen mijn vrouw eindelijk toestemming kreeg mij te zien, om ongeveer 16.00 uur, herkende ik haar niet meteen. Mijn zintuigen waren verdoofd door de pijnstillers. „Bedankt dat je nog leeft”, waren haar eerste woorden. Ik herinner mij het gesprek niet meer, maar later hoorde ik dat ik had geantwoord: „Bedank niet mij maar Jehovah.”
De juiste prioriteiten blijven stellen
Ik was vertrouwd met de pijn die ik voelde toen ik in het ziekenhuis lag te herstellen. In 1987, een klein jaar nadat ik van Korea naar Guam was verhuisd, was ik bij een bouwongeval van een vier verdiepingen hoge steiger naar beneden gevallen en had mijn beide benen gebroken. Dat bleek een keerpunt in mijn leven te zijn. Mijn oudere zus, een van Jehovah’s Getuigen, had er bij mij op aangedrongen de bijbel te bestuderen. De zes maanden van mijn herstel vormden een gelegenheid om dit te doen. Het gevolg was dat ik datzelfde jaar mijn leven aan Jehovah God opdroeg en dit symboliseerde door de waterdoop.
Sinds het vliegtuigongeluk heb ik steeds gedacht aan een favoriete schriftplaats van mij, die luidt: „Blijft dan eerst [Gods] koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd” (Mattheüs 6:33). Terwijl ik herstelde van het vliegtuigongeluk, was ik in de gelegenheid nog eens diep over mijn leven na te denken.
Op een zeer krachtige manier heeft de ramp met Vlucht 801 mij ervan doordrongen hoe kostbaar het leven is. Ik had gemakkelijk om kunnen komen! (Prediker 9:11) Uiteindelijk moest ik verschillende operaties ondergaan om mijn lichaam weer op te lappen, en ik moest meer dan een maand in het ziekenhuis blijven om te herstellen.
Nu wil ik onze Grootse Schepper laten zien dat ik zijn schitterende gave van het leven werkelijk waardeer, met inbegrip van zijn voorziening dat mensen voor eeuwig in een aards paradijs kunnen leven (Psalm 37:9-11, 29; Openbaring 21:3, 4). Ik besef dat de beste manier om die waardering te tonen is de Koninkrijksbelangen in mijn leven op de eerste plaats te blijven stellen. — Ingezonden.
[Illustratieverantwoording op blz. 23]
US Navy/Sipa Press