Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g98 8/1 blz. 19-23
  • Een Europees hof herstelt een onrecht

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een Europees hof herstelt een onrecht
  • Ontwaakt! 1998
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Onwettig gevangengezet
  • Gevangenis in, gevangenis uit
  • Wijdverbreide reactie
  • Naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
  • Het onrecht wordt hersteld
  • Godsdienstvrijheid hoog gehouden
  • Jehovah’s Getuigen in Griekenland in het gelijk gesteld
    Ontwaakt! 1997
  • Het goede nieuws wettelijk beschermen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
  • Waarom een internationaal gerechtshof in Europa?
    Ontwaakt! 1996
  • „Het verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws”
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
Meer weergeven
Ontwaakt! 1998
g98 8/1 blz. 19-23

Een Europees hof herstelt een onrecht

DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN GRIEKENLAND

IN GRIEKENLAND geldt militaire dienstplicht. Op elk willekeurig moment bevinden zich ongeveer 300 Jehovah’s Getuigen in de gevangenis omdat zij weigeren militaire dienstplicht te vervullen. Amnesty International beschouwt hen als gewetensgevangenen en heeft er herhaaldelijk bij achtereenvolgende Griekse regeringen op aangedrongen hen vrij te laten en wetten uit te vaardigen die hun zouden toestaan burgerdienst te verrichten die niet als strafmaatregel geldt.

In 1988 kwam er nieuwe wetgeving inzake militaire dienst. Hierin werd onder andere bepaald dat „de volgende groepen vrijstelling van militaire dienst werd verleend: . . . Rekruten die religieuze bedienaren, monniken of monniken in opleiding van een erkende religie zijn, indien zij zulks wensen.” De religieuze bedienaren van de Grieks-Orthodoxe Kerk wordt altijd eenvoudig en gemakkelijk vrijstelling verleend, zonder dat zij met enig probleem of een vorm van schending van hun fundamentele rechten worden geconfronteerd. Zou hetzelfde gelden voor bedienaren van een minderheidsreligie? Een test verschafte al gauw het antwoord hierop.

Onwettig gevangengezet

Conform deze wet dienden Dimitrios Tsirlis en Timotheos Kouloumpas, aangestelde religieuze bedienaren van Gemeente Centrum van de christelijke getuigen van Jehovah in Griekenland, eind 1989 en begin 1990 bij hun respectieve rekruteringsbureaus een verzoek om vrijstelling van militaire dienst in. Met hun verzoek legden zij papieren over waaruit bleek dat zij praktizerende religieuze bedienaren waren. Zoals verwacht, werden de verzoeken afgewezen op grond van het schoonschijnende argument dat Jehovah’s Getuigen niet tot een „bekende religie” behoren.

Broeder Tsirlis en broeder Kouloumpas meldden zich bij hun respectieve militaire opleidingscentra, werden gearresteerd op beschuldiging van insubordinatie en gevangengezet. Intussen verwierp het Algemene Hoofdkwartier van Nationale Defensie hun beroep tegen de beslissingen van de rekruteringsbureaus. De militaire autoriteiten gebruikten het argument dat de Heilige Synode van de Grieks-Orthodoxe Kerk hen geïnformeerd had dat Jehovah’s Getuigen geen erkende religie zijn! Dit was in tegenspraak met de uitspraken van een aantal burgerlijke rechtbanken die hadden verklaard dat Jehovah’s Getuigen wel degelijk een bekende religie zijn.

De krijgsraden op hun beurt bevonden Tsirlis en Kouloumpas schuldig aan insubordinatie en veroordeelden hen tot vier jaar gevangenisstraf. De twee broeders gingen hiertegen in beroep bij het militaire hof van beroep, dat het onderzoek van het beroep driemaal om verschillende redenen verdaagde. Het hof weigerde echter steeds het bevel tot voorlopige vrijlating van de beklaagden te geven, hoewel de Griekse wet daarin wel voorziet.

Intussen vernietigde het Hoogste Bestuurlijke Hof in een andere reeks processen de uitspraken van het Algemene Hoofdkwartier van Nationale Defensie op grond van het feit dat Jehovah’s Getuigen wel degelijk tot een bekende religie behoren.

In de vijftien maanden die Tsirlis en Kouloumpas in de militaire gevangenis van Avlona moesten doorbrengen, moesten zij samen met andere Getuige-gevangenen het hoofd bieden aan een uitzonderlijk inhumane en vernederende behandeling. Een verslag over die periode spreekt van „de slechte omstandigheden waaronder [Jehovah’s Getuigen] in de gevangenis leven, en noemt het bedorven vlees en de muizestaartjes die vaak bij het eten worden opgediend, het beperken van de bezoekuren afhankelijk van de grillen van het bestuur, het gebrek aan ruimte doordat de cellen overvol zijn en de veel hardvochtiger behandeling die gewetensgevangenen krijgen”.

Uiteindelijk sprak het militaire hof van beroep broeder Tsirlis en broeder Kouloumpas vrij maar besliste tegelijkertijd dat op de staat niet de verplichting rustte om hen voor hun detentie een schadevergoeding te geven, omdat „deze detentie aan grove nalatigheid van de kant van de beklaagden te wijten was”. Dit wierp in juridische kringen terechte vragen op: Wie waren verantwoordelijk voor de grove nalatigheid? De Getuigen of de krijgsraden?

De broeders werden onmiddellijk vrijgelaten en uiteindelijk vrijgesteld van militaire dienstplicht op grond van het feit dat zij religieuze bedienaren waren. Toen zij werden vrijgelaten, maakte Amnesty International bekend de vrijlating van Dimitrios Tsirlis en Timotheos Kouloumpas toe te juichen en sprak ze de hoop uit dat de bedienaren van Jehovah’s Getuigen in de toekomst conform de bepalingen van de Griekse wet vrijgesteld zouden worden van militaire dienst. Maar al gauw werd deze hoop de bodem ingeslagen.

Gevangenis in, gevangenis uit

Een andere aangestelde religieuze bedienaar van Jehovah’s Getuigen moest om dezelfde reden een enigszins verschillende beproeving ondergaan. Op 11 september 1991 diende Anastasios Georgiadis op dezelfde manier een verzoek tot vrijstelling van militaire dienst in. Zes dagen later kreeg hij van het rekruteringsbureau te horen dat zijn verzoek was afgewezen, weer omdat de Heilige Synode van de Grieks-Orthodoxe Kerk het niet aanvaardt dat Jehovah’s Getuigen een bekende religie zijn. En dit ondanks de expliciete uitspraken van het Hoogste Bestuurlijke Hof in de zaken Tsirlis en Kouloumpas!

Het schriftelijke antwoord van het Algemene Hoofdkwartier van Nationale Defensie luidde: „In verband met [Georgiadis’] verzoek kwam de overheid tot een afwijzende beslissing op grond van de deskundige mening van de Heilige Synode van de Griekse Kerk, die Jehovah’s Getuigen niet als een bekende religie beschouwt.” — Wij cursiveren.

Georgiadis ging op 20 januari naar het opleidingskamp van Nafplion en werd onmiddellijk in de strafcel van het kamp opgesloten. Later werd hij naar de militaire gevangenis van Avlona overgeplaatst.

Op 16 maart 1992 sprak de krijgsraad van Athene Georgiadis vrij. Dit was de eerste keer dat een krijgsraad in Griekenland erkende dat Jehovah’s Getuigen wel degelijk een bekende religie zijn. De directeur van de militaire gevangenis van Avlona liet hem onmiddellijk vrij maar beval hem zich op 4 april weer bij het rekruteringscentrum van Nafplion te melden. Op die dag weigerde Georgiadis opnieuw dienst te nemen en werd weer van insubordinatie beschuldigd, voor de tweede keer gevangengezet en aangeklaagd.

Op 8 mei 1992 sprak de krijgsraad van Athene hem in de nieuwe strafzaak vrij maar besliste dat hem geen schadevergoeding voor zijn detentie toegekend mocht worden. Georgiadis werd onmiddellijk uit de militaire gevangenis van Avlona vrijgelaten maar moest zich op 22 mei 1992 voor de derde keer bij het rekruteringscentrum van Nafplion melden! Opnieuw weigerde hij dienst te nemen en voor de derde keer werd hij van insubordinatie beschuldigd en gevangengezet.

Op 7 juli 1992 vernietigde het Hoogste Bestuurlijke Hof de beslissing van september 1991 op grond van het feit dat Jehovah’s Getuigen wel degelijk tot een bekende religie behoren. Op 27 juli 1992 werd Georgiadis uiteindelijk uit de militaire gevangenis van Thessaloníke vrijgelaten. Op 10 september 1992 sprak de krijgsraad van Thessaloníke hem vrij maar besliste dat Georgiadis geen recht op schadevergoeding had, opnieuw omdat zijn detentie ’aan zijn grove nalatigheid te wijten was’.

Wijdverbreide reactie

Over de zaak Georgiadis verklaarde het Europees Parlement: „Deze situatie is een geval van discriminatie van religieuze bedienaren van Jehovah’s Getuigen in termen van het beginsel van gelijkheid voor de wet en het genot van het recht op gelijke behandeling.”

In februari 1992 verklaarde Amnesty International „van mening te zijn dat [Anastasios Georgiadis] enkel op grond van de discriminatoire behandeling van bedienaren van Jehovah’s Getuigen door de militaire autoriteiten gevangengezet was en ze eist zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating als gewetensgevangene”.

Zelfs de militaire aanklager bij een van Georgiadis’ processen voelde zich gedrongen te zeggen: „De mate van culturele ontwikkeling van een samenleving blijkt duidelijk uit de wijze waarop ze omgaat met bepaalde situaties waarbij haar burgers betrokken zijn. Als wij hier in Griekenland willen dat onze culturele ontwikkeling aan Europese maatstaven voldoet, als wij vooruitgang willen, dan moeten wij ons schikken naar internationale bepalingen en ons bevrijden van vooroordeel. Een terrein waarop dit vooral aan het licht treedt, is respect voor de individuele rechten van burgers. Maar actuele gebeurtenissen en tactieken van de overheid wijzen duidelijk op vooroordeel en religieuze onverdraagzaamheid jegens religieuze minderheden. De onderhavige zaak is schandelijk.”

Ian White, een lid van het Europees Parlement, uit Bristol (Engeland), schreef: „De gedachte dat Jehovah’s Getuigen geen ’bekende religie’ zijn, zou velen in dit graafschap doen glimlachen. De Getuigen zijn, hoewel betrekkelijk gering in aantal, beslist zeer bekend in dit land en gaan regelmatig van huis tot huis.” Gezien de ruim 26.000 Getuigen die in Griekenland prediken, kunnen zij nauwelijks ’een onbekende religie’ zijn!

Een groep van tien leden van het Europees Parlement gaf uiting aan hun verontwaardiging over de zaak Georgiadis en schreef dat zulke schendingen van mensenrechten in Griekenland hun „buitengewoon verrasten en treurig stemden”.

Naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

Nadat zij vrijgesproken en vervolgens vrijgelaten waren, voelden alle drie de slachtoffers van deze religieuze discriminatie zich ethisch verplicht hun zaak aanhangig te maken bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De gronden hiervoor waren hun onrechtmatige detentie, die op zichzelf beschouwd onterecht bleek te zijn, en de mentale en fysieke marteling die zij hadden ondergaan, alsook de enorme morele en maatschappelijke gevolgen van het feit dat zij herhaaldelijk voor zo’n lange periode van hun vrijheid beroofd waren. Om deze redenen eisten zij een gegronde en gepaste schadevergoeding.

De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens was eenstemmig van oordeel dat er in de zaken Tsirlis en Kouloumpas sprake was van schending van hun recht op vrijheid en veiligheid van de persoon, dat hun detentie onrechtmatig was, dat zij recht op schadevergoeding hadden en dat zij geen eerlijk proces hadden gehad. In de zaak Georgiadis kwam de Commissie tot een soortgelijke conclusie.

Het onrecht wordt hersteld

De behandeling van de zaak werd vastgesteld op 21 januari 1997. Er waren veel aanwezigen in de rechtszaal, onder wie studenten van de plaatselijke universiteit, journalisten en een aantal Jehovah’s Getuigen uit Griekenland, Duitsland, België en Frankrijk.

Mr. Panos Bitsaxis, de advocaat van de Getuigen, sprak van „de aanhoudende halsstarrigheid en onbuigzaamheid van de Griekse autoriteiten om niet het bestaan te erkennen van een religieuze minderheid”, namelijk Jehovah’s Getuigen. Hij hekelde de procedure van de Griekse autoriteiten, waarbij zij hun officiële mening over de Getuigen op de zienswijze van hun voornaamste tegenstanders — de Grieks-Orthodoxe Kerk — baseerden! Hij vervolgde: „Hoever mag dit gaan? . . . En hoelang mag dit duren?” Hij sprak van de „weigering een bepaalde religieuze gemeenschap te erkennen, een weigering die absurd blijkt als men ziet dat ze lijnrecht en openlijk, en zonder opgave van redenen, tegen de wet en tegen tientallen uitspraken van het Hoogste Bestuurlijke Hof ingaat”.

De vertegenwoordiger van de Griekse regering bevestigde de bevooroordeelde houding van de Griekse autoriteiten door te stellen: „Men moet niet vergeten dat vrijwel de hele Griekse bevolking al eeuwenlang lid van de Orthodoxe Kerk is. Eén natuurlijk gevolg hiervan is dat de organisatie van die Kerk, de status van haar bedienaren en hun rol in de Kerk heel duidelijk zijn. . . . De status van de bedienaren van de Kerk van de Jehovah’s Getuigen is niet zo duidelijk.” Wat een flagrante erkenning van de bevooroordeelde behandeling van religieuze minderheden in Griekenland!

Godsdienstvrijheid hoog gehouden

Op 29 mei werd er uitspraak gedaan. De president van de kamer, mr. Rolv Ryssdal, las de uitspraak voor. Het Hof, bestaande uit negen rechters, was eenstemmig van oordeel dat Griekenland artikel 5 en 6 van de Europese Conventie had geschonden. Het kende de eisers tevens een bedrag van ongeveer ƒ 140.000 toe als schade- en onkostenvergoeding. Het belangrijkste was echter dat de uitspraak veel opmerkelijke argumenten ten gunste van de vrijheid van godsdienst bevatte.

Het Hof merkte op dat „de militaire autoriteiten schaamteloos genegeerd hebben” dat Jehovah’s Getuigen in overeenstemming met de uitspraken van het Hoogste Bestuurlijke Hof als een „bekende religie” in Griekenland erkend zijn. Het zei verder: „De desbetreffende halsstarrigheid van de autoriteiten om Jehovah’s Getuigen niet als een ’bekende religie’ te erkennen en de daaruit voortvloeiende minachting van het recht van de eisers op vrijheid waren discriminatoir van aard in vergelijking met de wijze waarop de bedienaren van de Grieks-Orthodoxe Kerk vrijstelling verkrijgen.”

De zaak kreeg in de Griekse media veel publiciteit. Athens News verklaarde: ’Griekenland scherp bekritiseerd door E[uropese] Hof in verband met Jehovah-eis’. De uitspraak in de zaak Tsirlis, Kouloumpas en Georgiadis-Griekenland wekt de hoop dat de Griekse staat zijn wetgeving in overeenstemming zal brengen met de uitspraak van het Europese Hof, zodat Jehovah’s Getuigen in Griekenland zich kunnen verheugen in vrijheid van godsdienst zonder inmenging van overheid, leger of kerk. Trouwens, dit is niet de eerste keer dat het Europese Hof zich op het punt van de godsdienstvrijheid tegen het Griekse rechtswezen heeft uitgesproken.a

Jehovah’s Getuigen koesteren hun vrijheid, en zij streven ernaar die te gebruiken om God te dienen en hun naaste te helpen. De drie Getuigen hebben hun zaak niet voor enig materieel gewin bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aanhangig gemaakt, maar zuiver om morele en ethische redenen. Daarom hebben zij alle drie besloten dat de hun toegekende schadevergoeding uitsluitend ter bevordering van het onderwijzingswerk van Jehovah’s Getuigen aangewend zal worden.

[Voetnoten]

a De eerste uitspraak, in 1993 gedaan, was die in de zaak Kokkinakis-Griekenland; de tweede, in 1996, betrof de zaak Manoussakis en anderen-​Griekenland. — Zie De Wachttoren van 1 september 1993, blz. 27-31; de Ontwaakt! van 22 maart 1997, blz. 14-16.

[Illustratie op blz. 20]

Esther en Dimitrios Tsirlis

[Illustratie op blz. 21]

Timotheos en Nafsika Kouloumpas

[Illustratie op blz. 22]

Anastasios en Koula Georgiadis

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen