Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 8/12 blz. 5-8
  • Ouderlijk gezag bij echtscheiding — Godsdienst en de wet

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ouderlijk gezag bij echtscheiding — Godsdienst en de wet
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Fundamentele rechten van ouders en kinderen
  • Rechten van ouders die niet met het ouderlijk gezag belast zijn
  • Bemiddeling buiten de rechtszaal
  • In het beste belang van uw kind handelen
    Ontwaakt! 1988
  • Ouderlijk gezag bij echtscheiding — Een evenwichtige zienswijze
    Ontwaakt! 1997
  • Gezinsproblemen opgelost door bijbelse raad
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Waarmee zijn de belangen van het kind het beste gediend?
    Ontwaakt! 1997
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 8/12 blz. 5-8

Ouderlijk gezag bij echtscheiding — Godsdienst en de wet

BIJ echtscheidings- en ouderlijk-gezagzaken kan godsdienst een belangrijke factor zijn — en een ingewikkelde. Er kunnen bijvoorbeeld vragen zoals de volgende rijzen.

Moet een rechter een getuigenverklaring in aanmerking nemen dat een van de ouders niet geschikt is om het ouderlijk gezag over een kind uit te oefenen omdat die ouder lid is van een bepaalde godsdienst, en dan in het bijzonder een minderheidsreligie? Moet een rechter verklaringen over de religieuze overtuiging en gebruiken van de ouders in aanmerking nemen zodat hij kan vaststellen welke godsdienst naar zijn mening de beste voor het kind zou zijn? Moet hij dan bepalen dat het kind in die godsdienst wordt grootgebracht en blootstelling van het kind aan andere godsdiensten verbieden?

Tegenwoordig trouwen steeds meer mensen buiten hun eigen godsdienstige en etnische achtergrond. Wanneer deze echtparen scheiden, kunnen de kinderen dus reeds banden hebben in twee godsdienstige gemeenschappen. Soms kan een ouder die een echtscheidingsprocedure heeft lopen, onlangs een bepaald geloof hebben aangenomen dat anders is dan het geloof dat die ouder voordien aanhing. De nieuwe godsdienstige binding kan een stabiliserende factor zijn in het leven van die ouder en zeer belangrijk zijn voor hem maar de kinderen vreemd zijn. Dus rijst er nog een vraag: Kan de rechtbank de ouder verbieden de kinderen mee te nemen naar de religieuze diensten van deze godsdienst alleen omdat deze afwijkt van de godsdienst die de ouders voorheen aanhingen?

Dit zijn moeilijke vragen. Ze eisen van een rechter dat hij niet alleen de behoeften van het kind in aanmerking neemt maar ook de belangen en rechten van de ouders.

Fundamentele rechten van ouders en kinderen

Het is waar dat rechters zich kunnen laten beïnvloeden door hun persoonlijke godsdienstige opvattingen. Maar in veel landen is het niet waarschijnlijk dat de religieuze rechten van de ouders of het kind worden genegeerd. Deze landen hebben meestal een grondwet die de rechter verbiedt beperkingen te stellen aan het fundamentele recht van de ouders op zeggenschap over het grootbrengen van een kind, het onderwijs en het godsdienstonderricht voor het kind inbegrepen.

Het kind op zijn beurt heeft recht op het ontvangen van zulk onderricht van zijn ouders. Voordat een rechter zich rechtmatig kan inlaten met de godsdienstige opvoeding van een kind, moet de rechtbank overtuigende bewijzen horen dat „bepaalde godsdienstige praktijken een onmiddellijke en wezenlijke bedreiging vormen voor het fysieke welzijn van een kind”. (Wij cursiveren.) Louter religieuze meningsverschillen of zelfs conflicten tussen de ouders over godsdienst zijn niet voldoende om interventie van staatswege te rechtvaardigen.

In Nebraska (VS) illustreert de redelijke houding die een moeder — een van Jehovah’s Getuigen — in een geding om het ouderlijk gezag aan de dag legde, hoe deze wettelijke voorzieningen zowel de ouders als de kinderen beschermen. De vader, die geen Getuige is, wilde niet dat hun dochtertje de religieuze diensten van Jehovah’s Getuigen in de Koninkrijkszaal bijwoonde. Een lagere rechtbank stelde de vader in het gelijk.

De moeder ging daarop in cassatie bij het Hooggerechtshof van Nebraska. Zij voerde aan dat er geen bewijs was dat er in een van de activiteiten van Jehovah’s Getuigen een onmiddellijke of wezenlijke bedreiging voor het welzijn van het kind school. De moeder verklaarde „dat het bijwonen van en deelname aan de religieuze activiteiten van beide ouders . . . het kind een basis zou verschaffen om te beslissen aan welke godsdienst zij de voorkeur zou geven wanneer zij de jaren des onderscheids heeft bereikt”.

Het hogere hof vernietigde de uitspraak van het lagere rechtscollege en voerde aan dat „de [lagere] rechtbank haar discretionaire bevoegdheid had misbruikt door beperkingen te stellen aan het recht van de met het gezag belaste moeder om zeggenschap uit te oefenen over de godsdienstige opvoeding van haar minderjarige kind”. Er was absoluut geen bewijs dat het kind schade berokkend werd door het bijwonen van religieuze diensten in de Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen.

Rechten van ouders die niet met het ouderlijk gezag belast zijn

Soms proberen gescheiden ouders meningsverschillen over godsdienstonderricht te gebruiken om zeggenschap over de kinderen te krijgen. Zo hadden in de zaak Khalsa v. Khalsa, die in de Amerikaanse deelstaat New Mexico speelde, beide ouders tijdens hun huwelijk de Sikh-religie beoefend. Maar kort na hun echtscheiding ging de moeder over tot het katholicisme en begon de kinderen te ontmoedigen de Sikh-religie te beoefenen.

De vader was geschokt en bracht de zaak voor de rechter in een poging meer autoriteit te krijgen om het godsdienstonderricht van de kinderen in de richting van zijn Sikh-religie te sturen. Hoe reageerde de rechtbank op het verzoek van de vader? Zijn verzoek werd afgewezen. De rechtbank bepaalde dat „wanneer de kinderen bij [hem] waren, zij niet vrijwillig of onvrijwillig mochten deelnemen aan enige Sikh-activiteiten, met inbegrip van kerkelijke activiteiten, een Sikh-kamp of opvang in een Sikh-dagverblijf”.

De vader vocht deze uitspraak aan bij het Hof van Beroep van New Mexico. Dit hogere rechtscollege stelde de vader in het gelijk en vernietigde het vonnis van de lagere rechtbank. Het Hof van Beroep verklaarde: „Rechtbanken moeten zich houden aan een gedragslijn van onpartijdigheid inzake godsdiensten en mogen op dit gevoelige en grondwettelijk beschermde terrein alleen tussenbeide komen wanneer duidelijk en onomstotelijk bewezen is dat de kinderen schade berokkend wordt. Restricties op dit terrein brengen het gevaar met zich mee dat door de rechtbank opgelegde beperkingen ongrondwettig inbreuk zullen maken op de vrijheid van aanbidding van een ouder of gezien zullen worden als die uitwerking hebbend.”

Bij een dergelijke uitspraak wordt een hele reeks beginselen gehanteerd waaraan men zich in veel landen reeds lang houdt. Een redelijke ouder zal bij deze beginselen stilstaan. Daarnaast zal de christelijke ouder goed nadenken over de behoefte van het kind aan interactie met beide ouders en aan de plicht van het kind om zowel vader als moeder te eren. — Efeziërs 6:1-3.

Bemiddeling buiten de rechtszaal

Hoewel bemiddeling minder formeel kan zijn dan gehoord te worden door een rechter, dient een ouder die niet nonchalant te benaderen. Alle op die manier bereikte wederzijdse afspraken of bedingen kunnen bindend worden gemaakt door daaropvolgende gerechtelijke uitspraken. Het zou daarom raadzaam zijn voor een ouder, een ervaren advocaat die gespecialiseerd is in het familierecht te raadplegen om er zeker van te zijn dat alle kwesties die erbij komen kijken, juist en eerlijk behandeld worden.

Elke ouder moet de tijd nemen om zich op de bemiddeling voor te bereiden. De houding en het gedrag van een ouder tijdens de bemiddeling kunnen van grote invloed zijn op de uitslag. Maar al te vaak zijn scheidende ouders zo emotioneel betrokken bij de echtscheidingsprocedure dat zij de belangrijke kwesties uit het oog verliezen: Waarmee zijn de belangen van het kind het beste gediend? Wat heeft het kind nodig om zich mentaal, emotioneel en fysiek te kunnen ontwikkelen?

Bedenk dat het juridisch gezien bij bemiddeling niet in de eerste plaats draait om religieuze of andere persoonlijke meningsverschillen, maar hoe de ouders het eens kunnen worden en een akkoord kunnen bereiken waarbij de kinderen gebaat zijn. Een ouder zal misschien geconfronteerd worden met godsdienstige of andere vooroordelen, onverwachte vragen of manipulaties bedoeld om hem of haar te schokken en van de wijs te brengen. De tekortkomingen van beide ouders kunnen aan het licht gebracht of zelfs overtrokken worden. Wanneer de betrokkenen echter redelijk blijven, kan men tot een oplossing komen.

Soms kan de bemiddeling lang en frustrerend lijken. Het alternatief is een langdurige rechtszaak met alle gênante publiciteit eromheen, de financiële druk en de schadelijke uitwerking op het kind. Dat is beslist minder wenselijk. Zoals bij alle ernstige problemen in het leven zal een christelijke ouder de bemiddeling gebedsvol tegemoet willen gaan, gedachtig aan de geïnspireerde uitnodiging: „Wentel uw weg op Jehovah, en verlaat u op hem, en hijzelf zal handelen.” — Psalm 37:5.

Maar als er nu geen schikking getroffen kan worden en de rechter de andere ouder met het ouderlijk gezag over het kind belast? Of als een van de scheidende ouders uit de christelijke gemeente wordt gesloten? Hoe moet men trouwens het al dan niet gezamenlijke ouderlijk gezag bezien? Deze vragen en ermee verband houdende bijbelse beginselen zullen in het volgende artikel worden besproken.

[Kader op blz. 6]

Drie belangrijke eigenschappen

Een rechter die zaken op het terrein van het familierecht behandelt, zei in een interview met Ontwaakt! dat tot de belangrijke eigenschappen die hij bij een ouder zoekt, de volgende drie behoren:

Redelijkheid — de bereidheid om de andere ouder maximale toegang tot het kind te verlenen (mits het kind geen fysiek of moreel gevaar loopt)

Gevoeligheid — een bewustheid van de emotionele behoeften van het kind

Zelfbeheersing — een evenwichtig huiselijk leven dat zou bijdragen tot een rustige sfeer waarin het kind zou kunnen gedijen

[Kader op blz. 6]

Rechterlijke richtlijnen

Door richtlijnen vast te stellen hebben enkele rechters geprobeerd nodeloze debatten over de godsdienstige waarden van een ouder te voorkomen. Bijvoorbeeld:

1. Er moet een zinvolle relatie gestimuleerd worden tussen een kind en beide ouders. Rechter John Sopinka van het Opperste Gerechtshof van Canada merkte op dat elke ouder moet mogen „deelnemen aan de activiteiten die medebepalend zijn voor wat de ouder werkelijk is [de beoefening van zijn of haar godsdienst inbegrepen]. Van de ouder met omgangsrecht wordt niet verwacht dat hij of zij zich tijdens de omgangsperiodes anders voordoet of een leven leidt dat hem of haar vreemd is.”

2. De ouder met omgangsrecht te verbieden het kind zijn of haar godsdienstige overtuiging bij te brengen, is een inbreuk op de godsdienstvrijheid van de ouder, tenzij er duidelijke, bevestigende aanwijzingen zijn dat het kind onmiddellijk en wezenlijk gevaar loopt.

[Illustratie op blz. 7]

Op rechters rust een zware verantwoordelijkheid

[Illustratie op blz. 8]

Een scheidingsbemiddelaar kan ouders helpen meningsverschillen op te lossen zonder een langdurig rechtsgeding

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen