Lering uit een pot met vet
Tot mijn eerste herinneringen behoren de verschrikkingen van de oorlog, in het bijzonder die van de vlucht voor ons leven tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen ik nog maar vier jaar was. Ons uit zeven personen bestaande gezin had in Oostpruisen gewoond, dat destijds deel uitmaakte van Duitsland.
IK STAARDE in het griezelige donker en luisterde naar een naderend eskader Russische bommenwerpers. Plotseling vlogen met verblindende lichtflitsen en oorverdovende explosies op enkele honderden meters afstand brandstoftanks in brand. De trein waarin wij zaten, slingerde hevig op de rails en mensen gilden. Maar al gauw vlogen de bommenwerpers weg en onze reis ging verder.
Een andere keer werd ik wakker uit een rusteloze slaap en zag hoe een gillende vrouw probeerde uit de veewagen waarin wij zaten te springen. Vader hield haar tegen en trok haar weer naar binnen. De vrouw was vlak bij de deur in slaap gevallen, met haar baby in haar armen. Toen zij wakker werd, ontdekte zij dat de baby doodgevroren was. Daarop gooiden mannen het lijkje naar buiten in de sneeuw en door verdriet overmand probeerde de moeder nu de deur open te krijgen om naar buiten te springen en daar bij haar kind te sterven.
Om de bittere kou tegen te gaan, was er midden in onze veewagen een potkachel neergezet. De kleine voorraad hout aan de ene kant van de wagon werd spaarzaam gebruikt om aardappels te koken. De zakken aardappels dienden ons ook tot bed, daar je op die manier enigszins geïsoleerd lag van de bevroren vloerplanken van de wagon.
Waarom vluchtten wij voor ons leven? Hoe heeft ons gezin die maanden durende vlucht overleefd? Dat ga ik u nu vertellen.
Onze joodse afkomst
Ik ben op 22 december 1940 als jongste van vijf kinderen geboren in het Oostpruisische Lyck (nu Ełk in Polen). Tegen het einde van de achttiende eeuw waren mijn joodse voorouders door religieuze vervolging gedwongen geweest Duitsland te verlaten. Zij waren naar Rusland verhuisd in een van de grote massale migraties van de geschiedenis. Vervolgens was mijn joodse grootvader in 1917, om aan de antisemitische vervolging die destijds in Rusland heerste te ontkomen, uit zijn dorp bij de rivier de Wolga naar Oostpruisen getrokken.
Grootvader verwierf het Duitse staatsburgerschap en Oostpruisen leek een veilig toevluchtsoord. Personen die een joodse voornaam hadden, namen een Arische naam aan. Zo ging mijn vader, Friedrich Salomon, Fritz heten. Moeder daarentegen was Pruisische. Zij en Vader, die musicus was, trouwden in 1929.
Het leven leek vol geluk en belofte voor mijn ouders. Grootmoeder Fredericke en overgrootmoeder Wilhelmine (van moederskant) bezaten een flinke boerderij, die een tweede thuis werd voor mijn ouders en ons, kinderen. Muziek speelde een grote rol in ons gezinsleven. Moeder was drumster bij Vaders dansorkestje.
Nazi-bezetting
In 1939 begonnen er onheilspellende wolken aan de politieke horizon te verschijnen. Adolf Hitlers zogenoemde Endlösung voor het joodse probleem begon mijn ouders zorgen te baren. Wij, kinderen, waren ons niet bewust van onze joodse afkomst en hoorden er pas van bij de dood van Moeder in 1978 — negen jaar nadat Vader gestorven was.
Opdat niemand zou vermoeden dat hij joods was, ging Vader in het Duitse leger. Aanvankelijk diende hij in het muziekkorps. Maar iemand die blijkbaar op de hoogte was van zijn achtergrond, zei dat hij een jood was en dus werd ons hele gezin ondervraagd en gefotografeerd. De nazi-deskundigen probeerden te bepalen of wij al dan niet joodse trekken hadden. Wij moeten er voor hen Arisch genoeg uitgezien hebben en dus werden wij gelukkig niet gearresteerd of gevangengezet.
Toen Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenviel, kreeg de angst onze eens vredige streek in zijn macht. Moeder wilde onmiddellijk naar een veiliger gebied verhuizen, maar dat werd de familie krachtig belet door nazi-functionarissen. Toen het Russische leger in de zomer van 1944 naar Oostpruisen oprukte, besloten de Duitsers Lyck en omgeving te evacueren. Op een dag in juli kregen wij precies zes uur om ons huis te verlaten.
Massale uittocht in paniek
Moeder was totaal van streek. Wat moesten we meenemen? Waar moesten we heen? En hoe? Zouden we ooit terugkomen? Er waren strenge beperkingen gesteld aan wat elk gezin kon meenemen. Moeder was zo verstandig voor de meest fundamentele dingen te kiezen — waaronder een grote aardewerken pot met braadvet en stukjes spek — net genoeg om alles met gemak te kunnen dragen. Andere gezinnen gaven er de voorkeur aan hun kostbaarheden mee te nemen.
Op 22 oktober 1944 trokken Russische troepen Oostpruisen binnen. Een schrijver verklaarde: „Het was niet verwonderlijk dat Russische soldaten die hun eigen gezin hadden zien afslachten en hun eigen huis en gewassen hadden zien afbranden, iets te vereffenen hadden.” Bij de verwoestingen ging er een schokgolf door Oostpruisen en de bevolking vluchtte in paniek.
Wij waren toen al gevlucht en woonden verder naar het westen in Oostpruisen. De enige ontsnappingsmogelijkheid scheen nu de Oostzee te zijn, dus vluchtte men naar de havenstad Danzig (nu Gdańsk in Polen). Daar werden schepen gevorderd voor urgente reddingsoperaties. Ons gezin miste de trein waardoor wij aan boord hadden kunnen gaan van het Duitse passagiersschip Wilhelm Gustloff, dat op 30 januari 1945 uit Gdynia bij Danzig vertrok. Later hoorden wij dat Russische torpedo’s het schip tot zinken hadden gebracht en dat ongeveer 8000 passagiers waren omgekomen in het ijskoude water.
Nu de ontsnappingsroute over zee afgesloten was, trokken wij verder westwaarts. Toen Vader tijdelijk verlof uit het leger had, voegde hij zich bij ons voor een deel van de reis per trein, beschreven in de inleiding. Hij moest al gauw in dienst terug en wij vervolgden de lange, gevaarlijke tocht zonder hem. Moeder bewaakte de pot met vet en deelde kleine beetjes tegelijk uit. Het vulde het karige voedsel aan dat wij onderweg wisten te bemachtigen en hield ons die lange, koude winter in leven. Die pot met vet bleek waardevoller dan alle goud of zilver!
Ten slotte arriveerden wij in de stad Stargard, waar Duitse soldaten en het Rode Kruis bij het station een gaarkeuken hadden opgezet. Voor een erg hongerig kind was de soep die daar uitgedeeld werd iets verrukkelijks. Mettertijd bereikten wij Hamburg, hongerig en uitgeput, maar dankbaar dat wij nog leefden. Wij werden op een boerderij aan de rivier de Elbe ondergebracht, samen met Russische en Poolse krijgsgevangenen. Toen op 8 mei 1945 de oorlog in Europa eindigde, was onze situatie zeer onzeker.
Ons leven als vluchtelingen
Vader was door de Amerikanen krijgsgevangen gemaakt en hij werd goed door hen behandeld, vooral toen zij hoorden dat hij musicus was. Zij maakten van zijn muzikale talenten gebruik voor de viering van hun Onafhankelijkheidsdag. Kort daarna slaagde hij erin te ontsnappen en naar Hamburg te reizen, waar wij gelukkig herenigd werden. Wij betrokken een klein huisje en weldra arriveerden onze beide grootmoeders veilig en wel en konden zij bij ons intrekken.
Mettertijd echter begonnen plaatselijke bewoners, waaronder leden van onze eigen Lutherse Kerk, zich te storen aan de vele vluchtelingen. Op een avond bezocht de predikant ons gezin. Het scheen dat hij opzettelijk ergernis wekte door een beledigende opmerking te maken over onze status als vluchteling. Vader, een krachtig gebouwde man, werd woedend en ging de predikant te lijf. Moeder en de grootmoeders hielden Vader in bedwang. Maar toen tilde hij de predikant op, droeg hem naar de deur en duwde hem naar buiten. Van toen af aan verbood hij elk gesprek over godsdienst onder zijn dak.
Kort na deze episode kreeg Vader werk bij de Duitse spoorwegen en verhuisden wij naar de rand van Hamburg, waar wij in een ongebruikte wagon gingen wonen. Later bouwde Vader een bescheiden huis voor ons. Maar de haat tegenover vluchtelingen bleef en als jong kind werd ik het mikpunt van heel wat fysieke en emotionele mishandeling door de plaatselijke kinderen.
De godsdienstige keuze van ons gezin
Als kind sliep ik in dezelfde kamer als mijn twee grootmoeders. Ondanks Vaders orders praatten zij allebei, wanneer Vader niet in de buurt was, vaak met me over God, zongen gezangen en lazen in hun bijbel. Mijn geestelijke belangstelling werd gewekt. Toen ik tien jaar was, begon ik dan ook ’s zondags zo’n elf kilometer heen en terug te lopen om de kerkdienst bij te wonen. Ik moet echter zeggen dat ik teleurgesteld was toen veel van de vragen die ik stelde niet naar tevredenheid beantwoord werden.
In de zomer van 1951 klopte er een keurig geklede man bij ons aan, die Moeder een exemplaar van het tijdschrift De Wachttoren aanbood. „De Wachttoren geeft inzicht in Gods koninkrijk”, zei hij. Mijn hart sprong op, want dat wilde ik. Moeder weigerde beleefd, ongetwijfeld wegens Vaders afkeer van religie. Maar ik pleitte zo sterk bij haar dat zij toegaf en een exemplaar voor me kocht. Enige tijd later kwam Ernest Hibbing terug en liet het boek „God zij waarachtig” achter.
Omstreeks die tijd kreeg Vader een ongeluk op zijn werk waarbij hij zijn been brak. Dat betekende dat hij tot zijn grote ergernis aan huis gebonden was. Hoewel zijn been in het gips zat, kon hij wel wat rondstrompelen. Het verbaasde ons dat hij overdag steeds verdween en pas weer boven water kwam als het etenstijd was. Dit ging een hele week zo door. Het viel mij op dat iedere keer dat Vader verdween, mijn boek ook verdween. Toen zei Vader op een keer tijdens het eten tegen me: „Als die man weer komt, wil ik hem spreken!”
Toen broeder Hibbing terugkwam, smakte Vader tot onze verbazing het boek op tafel en zei: „Dit boek is de waarheid!” Er werd onmiddellijk een bijbelstudie begonnen en mettertijd gingen andere gezinsleden aan de studie meedoen. Broeder Hibbing werd een vertrouwde leermeester en een echte vriend voor me. Het duurde niet lang of ik werd van zondagsschool gestuurd omdat ik probeerde mijn pasgevonden geloof uit te dragen. Daarop trok ik me terug uit de Lutherse Kerk.
In juli 1952 ging ik voor het eerst met mijn goede vriend mee om het goede nieuws van Gods koninkrijk van huis tot huis te prediken. Elke zondag raadde broeder Hibbing me aan goed te luisteren hoe hij de boodschap aan de huisbewoners bracht. Na een paar weken wees hij naar een groot huizenblok en zei: „Die ga je allemaal alleen bewerken.” Mettertijd overwon ik mijn nervositeit en had ik veel succes bij het praten met mensen en het verspreiden van bijbelse lectuur.
Weldra kwam ik in aanmerking voor de doop als symbool van mijn opdracht aan Jehovah. Vader en ik werden allebei op 29 maart 1953 gedoopt en later dat jaar werd ook Moeder gedoopt. Uiteindelijk lieten al onze gezinsleden zich dopen, mijn zus Erika, mijn broers Heinz, Herbert en Werner en onze lieve grootmoeders, die toen beiden een flink eind in de tachtig waren. In januari 1959 werd ik pionier, zoals volle-tijdpredikers worden genoemd.
Bediening in een nieuw land
Vader had er altijd bij me op aangedrongen Duitsland te verlaten, en als ik er nu over nadenk, geloof ik dat dit kwam door zijn voortdurende angst voor het antisemitisme. Ik diende een verzoek in tot emigratie naar Australië, in de hoop dat het een springplank zou zijn om als zendeling in Papoea Nieuw-Guinea of op een ander eiland in de Grote Oceaan te dienen. Op 21 juli 1959 kwamen mijn broer Werner en ik samen in het Australische Melbourne aan.
Binnen enkele weken ontmoette ik Melva Peters, die als volle-tijdpredikster in Gemeente Footscray diende, en wij trouwden in 1960. Wij werden gezegend met twee dochters, die Jehovah God ook gingen liefhebben en hun leven aan hem opdroegen. Wij hebben ons uiterste best gedaan om ons leven eenvoudig en overzichtelijk te houden en daardoor als gezin meer tijd te hebben voor geestelijke doeleinden. Jarenlang heeft Melva als pionierster gediend, totdat gezondheidsproblemen haar beletten daarmee door te gaan. Momenteel ben ik ouderling en pionier in Gemeente Belconnen in de stad Canberra.
Van de ervaringen in mijn prille jeugd heb ik geleerd blij en tevreden te zijn met Jehovah’s voorzieningen. Ik ben gaan beseffen dat, zoals geïllustreerd wordt door Moeders pot met vet, overleving niet afhangt van goud of zilver maar van fundamentele materiële benodigdheden en, belangrijker nog, van het bestuderen van Gods Woord, de bijbel, en het toepassen van wat erin staat. — Mattheüs 4:4.
De wijze woorden van Jezus’ moeder, Maria, zijn beslist waar: „[Jehovah] heeft hongerigen volkomen verzadigd met goede dingen en hen die rijkdom hadden, met lege handen weggezonden” (Lukas 1:53). Het stemt mij gelukkig 47 familieleden te kunnen opnoemen die de weg der bijbelse waarheid bewandelen, onder wie zeven kleinkinderen (3 Johannes 4). Met hen allen, en met onze vele geestelijke kinderen en kleinkinderen, zien Melva en ik uit naar een schitterende toekomst in de beschutting van Jehovah’s tedere zorg en naar een grootse hereniging met onze andere lieve beminden wanneer zij een opstanding krijgen. — Verteld door Kurt Hahn.
[Illustratie op blz. 21]
Russische troepen rukken in 1944 op in Oostpruisen
[Verantwoording]
Sovfoto
[Illustratie op blz. 23]
Moeder met links Heinz en Erika, rechts Herbert en Werner, en mij voor zich
[Illustratie op blz. 24]
Met Melva, mijn vrouw
[Illustratie op blz. 24]
Een pot zoals deze, gevuld met vet, hield ons in leven