Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 22/5 blz. 11-13
  • Te veel goden, totdat ik de ware vond

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Te veel goden, totdat ik de ware vond
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn geweten begint te spreken
  • Getuigen aan de deur
  • Dienen waar de behoefte groter is
  • Een gelukkig gezinsleven — Hoe wij dit bereiken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Waarom worden alle soorten van mensen Jehovah’s getuigen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Mijn lange, zware strijd voor het ware geloof
    Ontwaakt! 1995
  • Van straatvechter tot christelijke bedienaar
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 22/5 blz. 11-13

Te veel goden, totdat ik de ware vond

IK BEN in 1921 geboren in het Engelse Croydon als het oudste meisje in een gezin met drie meisjes en twee jongens. Toen ik drie jaar was, kregen enkelen van ons, kinderen, difterie. Ik werd in het ziekenhuis opgenomen. Mijn broertje Johnnie stierf, en omdat hij niet gedoopt was, gaf de Anglicaanse Kerk geen toestemming voor een dienst. Mijn vader was geschokt en vroeg een van de geestelijken of hij onder het laten zakken van Johnnies doodkist een gebed wilde uitspreken. Hij weigerde.

Mijn moeder zei dat dit voor mijn vader aanleiding was geweest om de godsdienst voor altijd de rug toe te keren. Zij was zo bang dat mijn zusjes of mij iets zou overkomen, dat zij ons buiten medeweten van mijn vader meenam naar de kerk en ons liet dopen. Mijn vader werd een actief lid van de communistische partij en moedigde ons aan materiaal te lezen over het dialectisch materialisme, waaronder boeken van Huxley, Lenin en Marx. God werd bij ons thuis nooit genoemd, behalve wanneer vader zei dat er geen God bestond.

In 1931 — ik was toen een jaar of tien — liep ik soms naar de ouders van mijn vader die verderop in de straat woonden. Grootvader werd vaak door anderen bekritiseerd, maar hij had een twinkeling in zijn mooie blauwe ogen en was altijd opgewekt. Meestal gaf hij me als ik weer naar huis ging wat snoepgoed en iets te lezen mee. Ik at het snoepgoed op en gooide het leesmateriaal weg. Ik begreep destijds niet waarom anderen denigrerend over hem praatten.

In mijn tienerjaren sloot ik me aan bij de Communistische Jeugdbond en na verloop van tijd werd ik de secretaresse. Ik hield toespraken in het gemeentehuis en deed straatwerk met de krant Challenge, die ik aan iedereen die maar wilde luisteren aanbood. In die tijd was er een fascistische groep actief die de Zwarthemden heette en fel gekant was tegen het communisme. Ik herinner me dat als ik op het trottoir stond met de Challenge, leden van de Zwarthemden op me afstapten om met me te praten en me dan Sunshine noemden, een bijnaam die zij me gegeven hadden. De oudere leden van de communistische partij waarbij ik aangesloten was, kwamen erachter dat de fascisten van plan waren me in elkaar te slaan met boksbeugels en zorgden er daarom voor dat ik voortaan een begeleider had.

Op een keer hoorden wij dat de fascisten een mars zouden houden door het Londense East End (waar destijds overwegend joden woonden). Ons werd gezegd hun dat te belemmeren en zakjes knikkers mee te nemen, die wij onder de hoeven van de politiepaarden moesten gooien als zij charges uitvoerden om de vijandige partijen uiteen te jagen. Er werden die dag heel wat mensen gearresteerd, maar gelukkig behoorde ik daar niet toe, daar ik besloten had niet te gaan.

Mijn geweten begint te spreken

Bij een andere gelegenheid kreeg ik opdracht iets op een openbare bijeenkomst te zeggen waarvan ik wist dat het niet waar was. Ik weigerde, waarop mij de vraag werd gesteld: „Wat maakt het uit zolang we onze bedoeling maar duidelijk maken?” Het was op dat punt in mijn leven dat mijn geweten me parten ging spelen, en ik begon me een aantal dingen af te vragen.

In het begin van mijn tienerjaren had mijn moeder me op een keer aangemoedigd een kerkdienst bij te wonen, gewoon om eens te zien hoe het er toeging. Ik herinner me dat mij gezegd werd naar het altaar te gaan om mijn zonden te belijden. Daar viel het mij op dat het borduurwerk op het altaarkleed drie ineengrijpende ringen vertoonde. Ik vroeg wat ze voorstelden en kreeg te horen dat ze de „Heilige Drieëenheid — God de Vader, God de Zoon, en God de Heilige Geest” voorstelden. Ik dacht: ’Dat is vreemd. Ze geloven in drie goden, maar mijn vader zegt dat er niet eens één is!’ Toen ik verder vroeg, werd mij uitgelegd dat een ei uit drie delen bestaat maar dat het in feite toch maar één ei is. Dat bevredigde me ook niet. Daarop werd me gezegd dat ik te veel vragen stelde. Ik ging naar huis en vertelde mijn moeder dat ik nooit meer naar de kerk wilde, en daar heb ik me aan gehouden!

Tegen de tijd dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was ik niet langer actief in de Communistische Jeugdbond. Ik trouwde met een Canadees die in het leger diende en wij kregen een zoon. Onze eerste woning in Londen werd gebombardeerd. Er kwam een V-1-raket voor ons huis neer terwijl mijn zoontje en ik thuis waren. Wij verloren al onze materiële bezittingen. Wij raakten bedolven onder het puin maar brachten het er gelukkig levend af. Mijn man was toen in het Franse Normandië.

Ik herinner me nog dat ik rond die tijd met twee jonge vrouwen praatte en hun vroeg: „Als er een God bestaat, waarom laat hij al dit lijden dan toe?” Wat zij zeiden, kwam erop neer dat Satan de god van deze wereld is. „O,” dacht ik, „weer een god waar ik niets van af weet!” Toen kwam er een jonge man. Ik bestookte hem met vragen en hij zei dat hij op zoek was naar schapen, niet naar bokken. Omdat ik niet bekend was met Jezus’ illustratie, vroeg ik hem of hij een bedienaar van het evangelie was of boer. Er verstreken nog enkele jaren en de Tweede Wereldoorlog eindigde. Mijn man kwam thuis na 95 procent van de Saskatoon Light Infantry waarbij hij diende, te hebben zien omkomen in de oorlog. Wij betrokken een andere woning in Croydon.

Getuigen aan de deur

Op een zondag belden er twee getuigen van Jehovah bij ons aan. Mijn man deed open en had een heel lang gesprek met hen. Hij was een verbitterd tegenstander geworden van alle religie wegens de huichelarij die hij tijdens de oorlog had gezien. Het feit dat de Getuigen een neutraal standpunt hadden ingenomen, maakte indruk op hem. Hij vertelde me dat hij hun had gevraagd terug te komen voor een bespreking van de bijbel. Ik werd erg ongerust en vroeg mijn vader wat ik moest doen. Hij zei dat ik me er niet mee moest inlaten en dat als mijn man doorging met die krankzinnige religie, ik maar beter een verzoek tot echtscheiding kon indienen.

Ik besloot een van de besprekingen bij te wonen om te zien waar het over ging. Wij zaten met z’n allen rond de tafel en de Getuige zei: „Op een dag zult u uw armen om een leeuw kunnen slaan zoals u dat nu bij een hond kunt doen.” ’Ach, ze zijn gek’, dacht ik. Al het andere dat er die avond werd gezegd, ging aan mij voorbij. Later zei ik tegen mijn man dat ik niet wilde dat zij nog terugkwamen. Er vloeide menige traan en wij begonnen over echtscheiding te praten.

Kort daarna kwam er weer een Getuige. Later hoorden wij dat hij een kringopziener was die de plaatselijke gemeente bezocht en over ons gehoord had. Ik herinner me hem nog heel goed. Hij had blauwe ogen en was heel vriendelijk en geduldig. Hij deed me denken aan mijn grootvader. Ik haalde een lijst met 32 vragen te voorschijn die ik had opgeschreven. „Die gaan we een voor een bespreken”, zei hij. Zo gezegd, zo gedaan. Hij hielp me in te zien dat ik de bijbel moest lezen en bestuderen om hem goed te kunnen begrijpen en stelde voor dat er iemand op geregelde basis langs zou komen om de bijbel met ons te bestuderen. Daar stemde ik mee in.

Toen ik onze Schepper, Jehovah God, geleidelijk begon te kennen, was ik tot tranen toe bewogen. Ik herinner me dat ik naar de slaapkamer ging en Jehovah bad me toch alstublieft te vergeven en me te helpen de bijbel en zijn voornemens te begrijpen. Mijn man, mijn zoon en ik werden in 1951 gedoopt. Mijn vader was erg boos toen hij het hoorde en zei dat hij liever had gehad dat ik was gestorven dan dat ik een van Jehovah’s Getuigen was geworden.

Dienen waar de behoefte groter is

Mijn man besloot naar Canada terug te keren en in 1952 verhuisden wij naar Vancouver in British Columbia. Mijn vader weigerde ons gedag te zeggen en ik heb nooit meer iets van hem gezien of gehoord. Nadat wij enkele jaren in Vancouver hadden gewoond, werd er een oproep gedaan om te verhuizen naar gebied waar de behoefte groter was, vooral naar streken als Quebec, waar premier Duplessis zich Hitlerachtig tegen Jehovah’s Getuigen opstelde.

In 1958 laadden wij al onze bezittingen in onze auto en reden naar het internationale congres in New York. Vandaar reden wij naar Montreal in Quebec, waar wij werden toegewezen aan een Franse gemeente in Ville de Jacques-Cartier. In de tijd dat wij Jehovah in Quebec dienden, maakten wij veel interessante dingen mee. Op een keer werd onze auto omgeduwd, werden wij met stenen bekogeld en zette een vrouw de tuinslang met volle kracht op ons. Dat was in een plaats die Magog heette.

Op een andere keer liepen mijn partner en ik net voorbij een kerk toen de mensen eruit kwamen. Iemand herkende ons en riep: „Témoins de Jéhovah!” („Jehovah’s Getuigen!”) De achtervolging werd ingezet, onder aanvoering van de priester, maar wij lieten de menigte achter ons. Wij werden menigmaal gearresteerd. Maar ik heb het genoegen mogen smaken flink wat mensen te helpen Jehovah te leren kennen, en veel van hen dienen hem nog steeds actief.

In het begin van de jaren ’60 plaatste de werkgever van mijn man hem over naar Los Angeles en daar hebben wij ruim dertig jaar in een gemeente gediend. Wat een verrukking was het voor ons over de waarheid te praten met mensen uit alle delen van de wereld die naar Los Angeles waren verhuisd! Ik had het voorrecht met mensen te studeren uit Libanon, Egypte, China, Japan, Frankrijk en Italië, om slechts enkele landen te noemen. Ik herinner me dat ik een jonge vrouw ontmoette die helemaal geen Engels sprak — haar man gelukkig wel. Dus studeerden mijn man en ik met hen samen. Ten slotte studeerde ik apart met haar. Ik gebruikte het boek „God zij waarachtig” in het Engels en zij zocht de schriftplaatsen op in haar Chinese bijbel en beantwoordde de vragen in het Chinees. Dan zei ik het antwoord in het Engels en herhaalde zij het in het Engels. Zij heeft uiteindelijk vloeiend Engels leren spreken, zij het met een Brits accent. Ik ben blij te kunnen zeggen dat zowel zij als haar man nu opgedragen dienstknechten van Jehovah zijn.

Onlangs zijn wij naar Tucson in Arizona verhuisd en genieten wij het extra voorrecht alle leden van onze familie trouw Jehovah te zien dienen, met inbegrip van onze achterkleinkinderen, die over onze Grootse Schepper, Jehovah, worden onderwezen.

Tussen twee haakjes, ik was ontroerd toen ik van de broeders in Croydon hoorde dat mijn grootvader met de twinkelende blauwe ogen een getuige van Jehovah was. — Verteld door Cassie Bright.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen