Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 8/5 blz. 18-21
  • De berechting en terechtstelling van een „ketter”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De berechting en terechtstelling van een „ketter”
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De berechting en het auto-da-fe
  • De berechting van een prelaat
  • De terechtstelling van een jonge student
  • Nog een reden tot zware schuld
  • De verschrikkelijke inquisitie
    Ontwaakt! 1986
  • De Spaanse inquisitie — Hoe kon het gebeuren?
    Ontwaakt! 1987
  • De inquisitie in Mexico — Wat heeft er plaatsgevonden?
    Ontwaakt! 1994
  • Hoe was het mogelijk?
    Ontwaakt! 1986
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 8/5 blz. 18-21

De berechting en terechtstelling van een „ketter”

DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN ITALIË

AAN de ene kant van de sombere rechtszaal staat het verhoogde, imponerende rechterlijk gestoelte. De zetel van de voorzitter in het midden is overdekt met een baldakijn van donkere stof met daarop een groot houten kruis dat de hele zaal domineert. Voor zijn zetel bevindt zich de beklaagdenbank.

Zo werden rechtszalen van de meedogenloze katholieke inquisitie vaak beschreven. De angstaanjagende aanklacht die tegen de ongelukkige verdachten werd ingebracht, was „ketterij”, een woord dat beelden oproept van foltering en brandstapels. De inquisitie (van het Latijnse werkwoord inquiro, „onderzoeken”) was een speciale kerkelijke rechtbank die werd ingesteld om een eind te maken aan ketterij ofte wel meningen of leerstellingen die afweken van de orthodoxe rooms-katholieke leer.

Katholieke bronnen vermelden dat de inquisitie in fasen werd ingevoerd. Paus Lucius III stelde de inquisitie in 1184 in op het concilie van Verona en de organisatie en de te volgen procedures werden door andere pausen geperfectioneerd — als dat woord ten minste gebruikt mag worden voor die gruwelijke instelling. In de dertiende eeuw stelde paus Gregorius IX inquisitietribunalen in verscheidene delen van Europa in.

De beruchte Spaanse inquisitie werd in 1478 ingesteld bij een pauselijke bul die op verzoek van de heersende vorsten Ferdinand en Isabella werd uitgevaardigd door paus Sixtus IV. Ze werd ingevoerd ter bestrijding van de maranen, joden die bekering tot het katholicisme voorgaven om aan vervolging te ontkomen; de morisken, aanhangers van de islam die om dezelfde reden tot het katholicisme waren overgegaan; en Spaanse ketters. Wegens zijn fanatieke ijver werd de eerste grootinquisiteur in Spanje, Tomás de Torquemada, een dominicaner monnik, het symbool van de ergste aspecten van de inquisitie.

In 1542 voerde paus Paulus III de Romeinse inquisitie in, die rechtsbevoegdheid had over de hele katholieke wereld. Hij benoemde een centraal tribunaal van zes kardinalen dat de Heilige Congregatie van de Romeinse en Algemene Inquisitie werd genoemd, een kerkelijke instelling die „een schrikbewind [voerde] dat heel Rome met vrees vervulde” (Dizionario Enciclopedico Italiano). Met de terechtstelling van ketters werd de bevolking in landen waar de katholieke hiërarchie het voor het zeggen had, schrik aangejaagd.

De berechting en het auto-da-fe

Het staat historisch vast dat de inquisiteurs de van ketterij beschuldigden folterden om hun een bekentenis af te dwingen. In een poging de schuld van de inquisitie te bagatelliseren, hebben katholieke commentators geschreven dat foltering destijds ook bij wereldlijke rechtbanken gebruikelijk was. Maar rechtvaardigt dat dergelijke activiteiten door geestelijken die beweerden vertegenwoordigers van Christus te zijn? Hadden zij niet het mededogen moeten tonen dat Christus met zijn vijanden toonde? Om dit objectief te bezien, zouden wij bij één simpele vraag kunnen stilstaan: Zou Christus Jezus degenen die het niet met zijn leer eens waren, gemarteld hebben? Jezus zei: „Blijft uw vijanden liefhebben, goeddoen aan hen die u haten.” — Lukas 6:27.

De inquisitie garandeerde de beklaagden zeker geen rechtvaardige behandeling. In de praktijk had de inquisiteur onbeperkte volmachten. „Vermoedens, beschuldigingen, geruchten zelfs, waren voor de inquisiteur voldoende om iemand te ontbieden” (Enciclopedia Cattolica). De rechtshistoricus Italo Mereu bevestigt dat het de katholieke hiërarchie zelf was die het inquisitoriale strafproces heeft bedacht en ingevoerd en daarmee het door de Romeinen gegrondveste, oude accusatoire strafproces terzijde schoof. Het Romeinse recht bepaalde dat een aanklager zijn beschuldiging moest bewijzen. Was er enige twijfel, dan was het beter iemand vrij te spreken dan het risico te lopen iemand te veroordelen die onschuldig was. De katholieke hiërarchie verving dit fundamentele principe door de gedachte dat een vermoeden schuld impliceerde, en het was de beklaagde die zijn onschuld moest bewijzen. De namen van getuigen à charge (aanbrengers) werden geheimgehouden en de verdediger, als er al een was, liep kans op eerloosverklaring en het verlies van zijn post indien hij de veronderstelde ketter met succes verdedigde. Het gevolg was, zo geeft de Enciclopedia Cattolica toe, dat „de beklaagden in feite weerloos waren. Het enige wat de advocaat kon doen, was de schuldige adviseren een bekentenis af te leggen!”

De berechting bereikte haar hoogtepunt in het auto-da-fe, een Portugese term die „geloofsdaad” betekent. Wat was dat? Schetsen uit die periode laten zien dat onfortuinlijke beklaagden die beschuldigd waren van ketterij, het slachtoffer werden van een afgrijselijk schouwspel. De Dizionario Ecclesiastico definieert het auto-da-fe als een „openbare daad van verzoening verricht door schuldig bevonden en berouwvolle ketters” nadat hun veroordeling was voorgelezen.

De veroordeling en de terechtstelling van ketters werden uitgesteld opdat er tweemaal per jaar of vaker verscheidene konden worden gecombineerd in één afschuwelijk schouwspel. Een lange stoet ketters werd langs de toeschouwers gevoerd, die toekeken met een mengeling van afschuw en sadistische geboeidheid. De veroordeelden moesten midden op een groot plein op een schavot klimmen, waarna hun vonnis luid werd voorgelezen. Degenen die hun ketterse opvattingen herriepen, bleef excommunicatie bespaard maar zij werden veroordeeld tot allerlei straffen, waaronder levenslange gevangenisstraf. Degenen die zich op het laatste moment de biecht lieten afnemen door een priester — zonder hun opvattingen te herroepen — werden aan de burgerlijke autoriteiten overgedragen om gewurgd, opgehangen of onthoofd te worden, gevolgd door verbranding. De onboetvaardigen werden levend verbrand. De terechtstelling zelf vond enige tijd later plaats, na een ander openbaar schouwspel.

De activiteiten van de Romeinse inquisitie waren met de uiterste geheimhouding omgeven. Nu nog krijgen geleerden geen inzage in de archieven. Maar geduldig speurwerk heeft een aantal documenten over berechtingen door een Romeins tribunaal aan het licht gebracht. Wat onthullen die?

De berechting van een prelaat

Pietro Carnesecchi, een geestelijke die in het begin van de zestiende eeuw geboren was in Florence, maakte snel carrière aan het hof van paus Clemens VII, die hem tot zijn persoonlijke secretaris benoemde. Aan Carnesecchi’s carrière kwam echter abrupt een einde toen de paus stierf. Later leerde hij edelen en geestelijken kennen die, net als hij, een aantal leerstellingen aanvaardden die door de protestantse Reformatie werden geleerd. Het gevolg was dat hij driemaal voor het gerecht werd gedaagd. Hij werd ter dood veroordeeld en onthoofd, waarna zijn lichaam werd verbrand.

Carnesecchi’s opsluiting in de gevangenis werd door commentators beschreven als een levende dood. Om zijn verzet te breken, werd hij gefolterd en uitgehongerd. Op 21 september 1567 werd zijn plechtige auto-da-fe gehouden in aanwezigheid van bijna alle kardinalen in Rome. Carnesecchi’s vonnis werd hem ten overstaan van de menigte op het schavot voorgelezen. Het eindigde met een vaste formule en een verzoek aan de leden van de burgerlijke rechtbank, waaraan de ketter weldra overgedragen zou worden, om ’zijn vonnis te matigen en niet de dood noch overmaat van bloed teweeg te brengen’. Was dit niet het toppunt van huichelarij? De inquisiteurs wilden ketters uit de weg ruimen maar deden het tegelijkertijd voorkomen alsof zij de wereldlijke autoriteiten vroegen barmhartigheid te betrachten, om zo hun gezicht te redden en de last van de bloedschuld af te schuiven. Nadat Carnesecchi’s vonnis was voorgelezen, moest hij een sanbenito aantrekken — een geel hemd van zakkengoed dat met rode kruisen beschilderd was voor de boetvaardige, of een zwart hemd met vlammen en duivels voor de onboetvaardige. Het vonnis werd tien dagen later voltrokken.

Waarom werd deze voormalige pauselijk secretaris beschuldigd van ketterij? De stukken van zijn berechting, die eind vorige eeuw ontdekt werden, onthullen dat hij schuldig werd bevonden aan 34 tenlasteleggingen overeenkomend met de leerstellingen die hij aanvocht. Daartoe behoorden de leerstellingen over het vagevuur, het celibaat van priesters en nonnen, de transsubstantiatie, het vormsel, de biecht, het verbieden van voedsel, aflaten en gebeden tot de „heiligen”. De achtste tenlastelegging is bijzonder interessant. (Zie het kader op blz. 21.) Door degenen ter dood te veroordelen die als basis voor het geloof slechts „het woord van God, opgetekend in de Heilige Schrift” aanvaardden, maakte de inquisitie duidelijk dat de Katholieke Kerk de bijbel niet als de enige geïnspireerde bron beschouwt. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen dat veel van de leerstellingen van de kerk niet op de Schrift maar op kerkelijke overlevering gebaseerd zijn.

De terechtstelling van een jonge student

Het korte en aangrijpende levensverhaal van Pomponio Algieri, in 1531 bij Napels geboren, is niet zo bekend, maar het is uit de nevelen der tijd opgedoken, dank zij het ijverige geschiedkundig speurwerk van een aantal geleerden. Door contacten met docenten en studenten uit verschillende delen van Europa tijdens zijn studie aan de Universiteit van Padua, maakte Algieri kennis met zogenoemde ketters en met de leerstellingen van de protestantse Reformatie. Zijn belangstelling voor de Schrift groeide.

Hij begon te geloven dat alleen de bijbel geïnspireerd is en verwierp als gevolg daarvan een aantal katholieke leerstellingen, zoals de biecht, het vormsel, het vagevuur, de transsubstantiatie en de voorspraak van de „heiligen”, evenals de leer dat de paus de plaatsbekleder van Christus is.

Algieri werd gearresteerd en berecht door de inquisitie in Padua. Hij vertelde zijn inquisiteurs: „Ik ga gewillig naar de gevangenis terug, misschien zelfs mijn dood tegemoet als dat Gods wil is. Door middel van zijn grootsheid zal God iedereen des te meer verlichten. Ik zal elke foltering blijmoedig dragen omdat Christus, de volmaakte Vertrooster der gekwelde zielen, die mijn verlichting en ware licht is, alle duisternis kan uitbannen.” Daarop liet de Romeinse inquisitie hem uitleveren en veroordeelde hem ter dood.

Algieri was 25 jaar toen hij stierf. Op de dag dat hij in Rome ter dood werd gebracht, weigerde hij te biechten of de communie te ontvangen. De doodstraf werd nog wreder voltrokken dan gewoonlijk. Hij werd niet verbrand op een houtstapel. In plaats daarvan werd er een grote ketel vol brandbare materialen — olie, pek en hars — voor het oog van de menigte op het schavot gezet. De jonge man werd er gebonden in neergelaten, waarna de inhoud werd aangestoken. Hij werd langzaam levend verbrand.

Nog een reden tot zware schuld

Carnesecchi, Algieri en anderen die door de inquisitie ter dood werden gebracht, bezaten een onvolledig begrip van de Schrift. Pas in „de tijd van het einde” van dit samenstel van dingen zou de kennis „overvloedig” worden. Niettemin waren zij bereid te sterven voor de mate van „ware kennis” die zij uit Gods Woord hadden weten te verwerven. — Daniël 12:4.

Zelfs protestanten, onder wie enkele van hun hervormers, ruimden andersdenkenden uit de weg door hen op de brandstapel te zetten of wendden zich tot de wereldlijke macht om katholieken te laten doden. Calvijn bijvoorbeeld liet, hoewel hij de voorkeur gaf aan onthoofding, Michael Servet levend verbranden als antitrinitarische ketter.

Het feit dat zowel katholieken als protestanten ketters vervolgden en terechtstelden, is zeker geen verontschuldiging voor die daden. Maar op godsdienstige hiërarchieën rust nog een zware verantwoordelijkheid — zij beweerden namelijk dat de Schrift de terechtstellingen rechtvaardigde en lieten het vervolgens voorkomen of God zelf opdracht tot hun optreden had gegeven. Werpt dat geen smaad op Gods naam? Een aantal geleerden bevestigen dat Augustinus, de beroemde katholieke „kerkvader”, de eerste was die het principe van „religieuze” dwang ofte wel het gebruik van geweld om ketterij te bestrijden, steunde. In een poging die praktijken met de bijbel te rechtvaardigen, citeerde hij de woorden uit Jezus’ gelijkenis in Lukas 14:16-24: „Dwing hen binnen te komen.” Het is duidelijk dat deze door Augustinus verdraaide woorden duidden op edelmoedige gastvrijheid, niet op wrede dwang.

Het is opmerkelijk dat zelfs toen de inquisitie actief was, voorstanders van religieuze verdraagzaamheid protesteerden tegen de vervolging van ketters en daarbij de gelijkenis van de tarwe en het onkruid aanhaalden (Mattheüs 13:24-30, 36-43). Een van hen was Desiderius Erasmus uit Rotterdam, die zei dat God, de Eigenaar van het veld, wilde dat ketters, het onkruid, werden getolereerd. Maarten Luther daarentegen zette aan tot geweld tegen andersdenkende boeren, zodat er bijna 100.000 het leven verloren.

Waartoe dient het besef van de zware verantwoordelijkheid van de godsdiensten van de christenheid, die de vervolging van zogenoemde ketters bevorderden, ons te bewegen? Wij moeten beslist de ware kennis van Gods Woord zoeken. Jezus zei dat het kenmerk van een ware christen zijn liefde voor God en de medemens zou zijn — een liefde die uiteraard geen ruimte zou laten voor geweld. — Mattheüs 22:37-40; Johannes 13:34, 35; 17:3.

[Kader op blz. 21]

Enkele aanklachten waarop Carnesecchi schuldig werd bevonden

8. „[U hebt beweerd] dat niets anders dan het woord van God, opgetekend in de Heilige Schrift, geloofd mag worden.”

12. „[U hebt geloofd] dat de sacramentele biecht niet de jure Divino [volgens de goddelijke wet] is, dat ze niet door Christus is ingesteld noch door de Schrift wordt gestaafd, en dat er geen enkele vorm van biecht nodig is buiten die aan God zelf.”

15. „U hebt het vagevuur in twijfel getrokken.”

16. „U hebt het boek Makkabeeën, dat over gebeden voor de doden handelt, als apocrief beschouwd.”

[Illustratieverantwoording op blz. 18]

The Complete Encyclopedia of Illustration/J. G. Heck

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen