Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 22/4 blz. 20-23
  • Nu ben ik blij dat ik leef!

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Nu ben ik blij dat ik leef!
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het verlangen naar iets beters
  • Weer wil ik sterven
  • In kritieke toestand
  • Onder druk gezet
  • De operatie — Een succes
  • Hulp van onze broederschap
  • Geschraagd door een vaste hoop
  • Tovenaars noch goden
    Ontwaakt! 1994
  • Voor een medische noodsituatie gesteld
    Ontwaakt! 1996
  • Wanneer het leven niet makkelijk is
    Ontwaakt! 1994
  • Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 22/4 blz. 20-23

Nu ben ik blij dat ik leef!

„Je beseft toch wel dat je doodgaat?”, vroeg de dokter. Ironisch genoeg zou de dood tweemaal voordien een welkome uitweg zijn geweest. Maar deze keer niet. Ik ga het u uitleggen.

IK BEN opgegroeid in een voorstad op Long Island (New York), waar mijn vader een populaire autocoureur was. Hij was een perfectionist die gedijde op wedijver. Hij was ook temperamentvol en heel moeilijk te behagen. Ma daarentegen was meer vredelievend en rustig van aard, en zij was zo bang voor het racen van Pa dat zij het niet kon opbrengen naar de races te gaan kijken.

Mijn broer en ik leerden al vroeg ons thuis koest te houden, iets wat Ma zich al tot een gewoonte had gemaakt. Maar het viel niet mee. Wij waren allemaal bang voor Pa. Voor mij had dat tot gevolg dat ik het gevoel had nooit iets goed te doen. Mijn zelfrespect daalde nog meer toen ik in mijn vroege tienerjaren door een „huisvriend” seksueel werd lastig gevallen. Ik kon mijn gevoelens niet aan en deed een zelfmoordpoging. Dat was de eerste keer dat ik dacht dat de dood een welkome uitweg zou zijn.

Ik voelde me nietswaardig en onbemind en kreeg een eetstoornis die veel voorkomt bij jonge vrouwen met weinig zelfrespect. Mijn leven werd een aaneenschakeling van sensatie zoeken, drugs- en alcoholgebruik, hoererij en abortus — „op zoek naar liefde op alle verkeerde plaatsen”, zoals een regel van een song het zegt. Ik ging motorrijden en sportduiken, deed mee aan autoraces en maakte regelmatig goktripjes naar Las Vegas. Ook raadpleegde ik een waarzegster en gebruikte ik het Ouijabord voor de grap, me niet bewust van de gevaren van spiritisme. — Deuteronomium 18:10-12.

Daarnaast leidde mijn zucht naar sensatie tot betrokkenheid bij illegale activiteiten als drugshandel en winkeldiefstal. Mijn zoeken naar liefde en erkenning leidde ook tot een lange reeks vriendjes en verloofdes. Al die factoren bij elkaar zorgden voor een levensstijl die veel gevaarlijker was dan ik besefte.

Op een avond was ik na in de pits op de racebaan een combinatie van alcohol en drugs gebruikt te hebben, zo onverstandig mij door mijn vriend naar huis te laten rijden. Nadat ik op de voorbank het bewustzijn had verloren, overkwam hem kennelijk hetzelfde. Ik werd met een schok wakker door de klap van een botsing en werd met veel verwondingen in het ziekenhuis opgenomen, maar uiteindelijk kwam ik er met slechts een beschadigde rechterknie van af.

Het verlangen naar iets beters

Hoewel ik weinig waarde hechtte aan mijn eigen leven, zette ik me serieus in voor de veiligheid en rechten van kinderen en dieren en voor de bescherming van het milieu. Ik hunkerde naar een betere wereld en was, in een poging daartoe een steentje bij te dragen, actief in veel organisaties. Het kwam in eerste instantie door dit verlangen naar een betere wereld dat ik ging luisteren naar de dingen die een collega zei die een van Jehovah’s Getuigen was. Iedere keer dat er iets misging op het werk, had zij het gefrustreerd over „dit samenstel”. Toen ik haar vroeg wat zij daarmee bedoelde, legde zij uit dat binnen niet al te lange tijd het leven vrij zou zijn van alle zorgen. Omdat ik heel veel respect voor haar had, luisterde ik met belangstelling.

Helaas scheidden onze wegen zich, maar de dingen die zij had gezegd, bleven me bij. Ik besefte dat ik op een dag grote veranderingen in mijn manier van leven zou moeten aanbrengen wilde ik God behagen. Maar daar was ik nog niet aan toe. Toch vertelde ik potentiële huwelijkspartners altijd dat ik eens een Getuige zou worden en dat als het hun niet aanstond, het nu de tijd was om de relatie te verbreken.

Het gevolg was dat mijn laatste vriend meer wilde weten; hij zei dat als ik erin geïnteresseerd was, hij dat misschien ook zou zijn. Dus probeerden wij de Getuigen te vinden. In plaats daarvan vonden zij ons toen zij bij mij aanbelden. Er werd een bijbelstudie begonnen, maar uiteindelijk wilde mijn vriend de studie liever beëindigen en naar zijn vrouw teruggaan.

Mijn bijbelstudie was vaak onregelmatig. Het duurde een poosje voor ik besefte wat Jehovah’s kijk op de heiligheid van het leven is. Maar toen ik mijn denken eenmaal had aangepast, zag ik er de noodzaak van in het vrije-val-parachutespringen op te geven en met roken te stoppen. Nu ik meer waarde aan het leven ging hechten, was ik bereid een rustiger bestaan te gaan leiden en geen risico’s meer te nemen. Op 18 oktober 1985 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop. Ik besefte toen niet hoe snel mijn leven aan een zijden draadje zou hangen.

Weer wil ik sterven

Enkele maanden later — op de avond van 22 maart 1986 — stond ik voor mijn huis het wasgoed uit mijn auto te halen toen een te hard rijdende auto me aanreed en me ruim dertig meter meesleurde! De automobilist reed door. Hoewel ik hoofdletsel opliep, was ik voortdurend bij bewustzijn.

Met mijn gezicht omlaag midden op een donkere weg kon ik slechts denken aan de verschrikking nog een keer aangereden te worden. De pijn was verscheurend en meer dan ik kon verdragen. Dus bleef ik tot Jehovah bidden mij te laten sterven (Job 14:13). Er verscheen een vrouw die toevallig verpleegkundige was. Ik vroeg haar mijn benen te verleggen, omdat die zwaargehavend waren. Dat deed zij en zij maakte ook een tourniquet van een stuk van haar jurk om het bloeden uit de meervoudige fracturen in mijn ene been te stoppen. Mijn laarzen werden een blok verder gevonden, vol bloed!

Voorbijgangers die niet beseften dat ik te voet was geweest, vroegen steeds weer waar mijn auto was. Niet wetend hoe ver ik meegesleurd was, dacht ik dat ik er nog naast lag! Toen de ambulance arriveerde, dachten de paramedics dat ik zou sterven. Dus lieten zij rechercheurs komen, omdat een dodelijk auto-ongeluk een misdrijf kan zijn. De automobilist werd ten slotte gearresteerd. Het stuk straat werd afgezet als betrof het de plaats van een misdrijf en mijn auto werd als bewijsmateriaal in beslag genomen. Aan één kant waren beide deuren er afgerukt.

In kritieke toestand

Ondertussen was ik bij het plaatselijke traumacentrum gearriveerd en zei ik alsmaar, zelfs door het zuurstofmasker: „Geen bloed, geen bloed. Ik ben een van Jehovah’s Getuigen!” Het laatste wat ik me ervan herinner, is dat ik de grote kledingschaar langs mijn rug omhoog voelde gaan en dat het traumateam koortsachtig aanwijzingen riep.

Toen ik wakker werd, verbaasde het me dat ik nog leefde. Steeds zakte ik weer weg. Iedere keer dat ik bij kennis kwam, vroeg ik mijn familie contact te zoeken met het echtpaar dat de bijbel met mij bestudeerd had. Mijn familie vond het erg dat ik een Getuige was geworden en „vergat” dus gemakshalve hen op de hoogte te brengen. Maar ik hield vol — het was het eerste wat ik zo ongeveer iedere keer dat ik mijn ogen opendeed vroeg. Uiteindelijk werd mijn volharding beloond, en toen ik op een dag wakker werd, waren zij er. Wat een opluchting! Jehovah’s volk wist waar ik was.

Mijn vreugde was echter van korte duur omdat mijn bloedwaarden begonnen te dalen en ik hoge koorts had. Stukjes bot die ervan verdacht werden infectie te veroorzaken, werden verwijderd en er werden vier pennen in mijn been gezet. Maar al gauw kwam de hoge koorts terug en mijn been werd zwart. Er was gangreen ontstaan en of ik het zou overleven, hing af van de amputatie van het been.

Onder druk gezet

Omdat mijn bloedwaarden schrikbarend waren gedaald, werd operatief ingrijpen zonder bloedtransfusie onmogelijk geacht. Artsen, verpleegkundigen, familieleden en oude vrienden werden erbij gehaald om me onder druk te zetten. Toen werd er aan mijn deur gefluisterd. Ik hoorde dat de artsen iets van plan waren, maar ik kon niet verstaan wat. Gelukkig hoorde een Getuige die op dat moment op bezoek was, dat geprobeerd zou worden mij onder dwang een transfusie toe te dienen. Zij nam onmiddellijk contact op met de plaatselijke christelijke ouderlingen, die mij te hulp kwamen.

Er werd een psychiater ingeschakeld om mijn geestestoestand te beoordelen. Het was duidelijk de bedoeling mij handelingsonbekwaam te laten verklaren zodat mijn wensen terzijde geschoven konden worden. Dat plan mislukte. Vervolgens werd er een geestelijke, die zelf een bloedtransfusie had geaccepteerd, bij gehaald om mij ervan te overtuigen dat het nemen van bloed oké was. Ten slotte diende mijn familie een verzoek in om een gerechtelijk bevel tot toediening van een bloedtransfusie.

Omstreeks twee uur in de ochtend kwamen een team van artsen, een gerechtsstenografe, een gerechtsbode, juristen die het ziekenhuis vertegenwoordigden en een rechter mijn kamer in het ziekenhuis ingemarcheerd. De rechtbank hield zitting. Ik was er niet van in kennis gesteld, had geen bijbel en geen advocaat, en zat wegens de pijn zwaar onder de medicijnen. De uitslag van de zitting? De rechter wees het verzoek om een gerechtelijk bevel af met de woorden dat hij meer dan ooit onder de indruk was van de integriteit van Jehovah’s Getuigen.

Een ziekenhuis in Camden (New Jersey) stemde erin toe mij te behandelen. Omdat de directie van het ziekenhuis in New York woedend was, onthielden zij me elke behandeling, ook pijnstillers. Zij weigerden ook de helikopter te laten landen die mij naar het ziekenhuis in New Jersey zou overbrengen. Gelukkig overleefde ik de rit per ambulance daarheen. Bij mijn aankomst hoorde ik de woorden die aan het begin van dit verhaal staan: „Je beseft toch wel dat je doodgaat?”

De operatie — Een succes

Ik was zo zwak dat een verpleegkundige mij moest helpen een kruisje te zetten op het formulier waarop ik toestemming voor de operatie gaf. Mijn rechterbeen moest boven de knie geamputeerd worden. Daarna daalde mijn hemoglobinegehalte tot onder de 2 en de artsen waren bang voor ernstig hersenletsel. Dat kwam doordat ik niet had gereageerd toen zij in mijn oor „Virginia, Virginia” hadden geroepen — de naam die op mijn opnamepapieren stond. Maar toen ik een poosje later zachtjes „Ginger, Ginger” hoorde fluisteren, opende ik mijn ogen en zag een heer die ik nooit eerder had gezien.

Bill Turpin kwam uit een van de plaatselijke gemeenten van Jehovah’s Getuigen in New Jersey. Hij had van Getuigen in New York mijn roepnaam Ginger gehoord — waaronder ik mijn hele leven bekend had gestaan. Hij formuleerde vragen die ik kon beantwoorden door met mijn ogen te knipperen, daar ik aan een beademingsapparaat lag en helemaal niet kon praten. „Wil je dat ik blijf proberen je te bezoeken”, vroeg hij, „en dat ik de Getuigen in New York vertel hoe het met je gaat?” Ik kon niet genoeg met mijn ogen knipperen! Broeder Turpin had een risico genomen door mijn kamer binnen te glippen, daar mijn familie orders had gegeven dat ik geen bezoek van Getuigen mocht hebben.

Na zes maanden ziekenhuis kon ik nog steeds alleen de fundamentele dagelijkse bezigheden verrichten, zoals eten en tanden poetsen. Ten slotte kreeg ik een kunstbeen en kon ik wat rondlopen met een looprek. Toen ik in september 1986 uit het ziekenhuis kwam en in mijn flat terug was, bleef er nog een maand of zes een verpleeghulp bij me thuis om me te helpen.

Hulp van onze broederschap

Nog voordat ik naar huis terugging, was ik echt gaan beseffen wat het wil zeggen deel uit te maken van de christelijke broederschap (Markus 10:29, 30). De broeders en zusters voorzagen niet alleen liefdevol in mijn fysieke maar ook in mijn geestelijke behoeften. Met hun liefdevolle hulp kon ik weer naar de christelijke vergaderingen en mettertijd zelfs in de zogenoemde hulppioniersdienst staan.

De civiele rechtszaak tegen de automobilist — gewoonlijk duurt het minimaal vijf jaar voordat zo’n zaak ook maar op de rol komt te staan — werd binnen enkele maanden afgerond, tot grote verbazing van mijn advocaat. Met de opbrengst van de schikking kon ik naar een beter toegankelijke woning verhuizen. Verder kocht ik een bestelwagen die voorzien is van een rolstoellift en handbediening. Zo heb ik me in 1988 in de rijen van de gewone pioniers geschaard en besteed ik jaarlijks minstens 1000 uur aan het predikingswerk. In de loop van de jaren heb ik met plezier gebieden in de staten North Dakota, Alabama en Kentucky bewerkt. Ruim 150.000 kilometer heb ik met mijn bestelwagen afgelegd, waarvan de meeste in de christelijke bediening.

Ik heb heel wat amusante dingen beleefd met mijn elektrische driewielige scooter. Tweemaal ben ik omgeslagen terwijl ik werkte met de vrouw van een reizende opziener. Op een keer, in Alabama, dacht ik ten onrechte dat ik ermee over een smalle beek kon springen en belandde ik op de bodem, overdekt met modder. Door echter mijn gevoel voor humor te bewaren en mezelf niet te serieus te nemen, heb ik een positieve instelling kunnen houden.

Geschraagd door een vaste hoop

Soms zijn mijn gezondheidsproblemen bijna verpletterend geweest. Enkele jaren geleden heb ik mijn pioniersdienst tweemaal moeten onderbreken omdat het erop leek dat mijn andere been geamputeerd zou moeten worden. De dreiging mijn been te verliezen is nu constant aanwezig, en de afgelopen vijf jaar ben ik volkomen op een rolstoel aangewezen geweest. Ik 1994 brak ik mijn arm. Ik had hulp nodig bij het baden, aankleden, koken en schoonmaken en moest overal heen vervoerd worden. Dank zij de hulp van de broeders en zusters ben ik ondanks die tegenslag in staat geweest te blijven pionieren.

Mijn hele leven was ik uit geweest op wat opwindende dingen leken, maar nu besef ik dat de opwindendste tijden nog voor ons liggen. Mijn overtuiging dat God alle huidige kwalen in zijn snel naderbij komende nieuwe wereld zal genezen, maakt mij nu blij dat ik leef (Jesaja 35:4-6). In die nieuwe wereld hoop ik te zwemmen met de walvissen en dolfijnen, de bergen te verkennen met een leeuwin en haar welpen en zoiets simpels te doen als een strandwandeling maken. Ik vind het heerlijk me voor te stellen hoe het zal zijn als ik in dat paradijs op aarde alle dingen kan doen waarvan God ons wilde laten genieten toen hij ons schiep. — Verteld door Ginger Klauss.

[Illustratie op blz. 21]

Toen ik nog gokte

[Illustratie op blz. 23]

Gods beloften schragen mij

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen