Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g97 8/1 blz. 11-15
  • Mijn leven draaide om muziek, drugs en drank

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn leven draaide om muziek, drugs en drank
  • Ontwaakt! 1997
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De uitdagingen van het opgroeien
  • Militaire dienst in Vietnam
  • Moeizame aanpassing aan het burgerleven
  • Gevaarlijke levenswijze
  • Veel vragen, weinig antwoorden
  • Terug bij mijn eigen volk
  • Hoe ziet hun toekomst er uit?
    Ontwaakt! 1996
  • Ik leefde voor muziek
    Ontwaakt! 1985
  • Muziek was mijn leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • Gods naam heeft mijn leven veranderd!
    Ontwaakt! 2001
Meer weergeven
Ontwaakt! 1997
g97 8/1 blz. 11-15

Mijn leven draaide om muziek, drugs en drank

IK BEN een inheemse Amerikaan. Vader, die vier jaar geleden gestorven is, was een Chippewa van Sugar Island (Michigan, VS). Moeder, die uit Ontario (Canada) komt, stamt van de Indiaanse naties Ottawa en Ojibwa. Via mijn vader behoor ik tot de Sault Sainte Marie-stam van de Chippewa-Indianen. Wegens de invloed van de katholieke missie en kostscholen werden wij katholiek opgevoed, hetgeen betekende dat wij iedere zondag naar de mis gingen.

Mijn kindertijd in het Indianenreservaat was eenvoudig en gelukkig. Van een kind uit bezien waren de zomers lang, lui en vredig. Wij woonden in een afgelegen gebied — wij hadden geen stromend water en geen toiletten binnenshuis, en wij baadden in het meer of in een wastobbe. Ons speelterrein was de wereld buiten. Paarden, koeien en andere boerderijdieren waren ons speelgoed. Toentertijd wenste ik dat de hele wereld voor eeuwig zo kon zijn.

De uitdagingen van het opgroeien

Toen ik ouder werd en naar school ging, kwam ik zo nu en dan nog in het reservaat. School, sport en muziek begonnen het grootste deel van mijn tijd in beslag te nemen. Als tiener in de jaren ’60 werd ik gevormd door de geest van die tijd. Toen ik dertien werd, hadden drugs en alcohol al een vaste plaats in mijn dagelijks bestaan. Opstand tegen de maatschappij was in de mode, en ik haatte alles waarvoor de gevestigde orde zich sterk maakte. Ik kon niet begrijpen waarom mensen elkaar onmenselijke dingen aandeden.

Rond die tijd kreeg ik mijn eerste gitaar. Wij waren een muzikale familie. Mijn vader was pianist en tapdanser en ook zijn broers hadden een muzikale aanleg. Dus als Pa en mijn ooms bij elkaar kwamen, werd de horlepijp gespeeld en waren wij tot in de vroege morgen aan het squaredancen. Ik vond het heerlijk. Al snel leerde ik gitaar spelen en ging bij een rock en rollband. Wij traden op bij schoolfeesten en andere evenementen. Vervolgens werden het kroegen en nachtclubs, wat natuurlijk nog meer alcohol en drugs betekende. Marihuana en methylamfetamine (speed) hoorden gewoon bij mijn manier van leven.

Militaire dienst in Vietnam

Op mijn negentiende jaar was ik getrouwd en verwachtten wij een baby. Op diezelfde leeftijd ging ik als dienstplichtige bij de Amerikaanse marine. Die druk was mij allemaal te veel. Om het aan te kunnen, bleef ik 24 uur per dag stoned van de drugs en de alcohol.

Ik werd toegewezen aan het opleidingskamp van het Marine Corps Recruit Depot in San Diego (Californië) en vervolgens aan de gevorderde infanterieopleiding in Camp Pendleton (Californië). Ik werd getraind in veldtelegrafie en radioverbindingen. Dat was eind 1969. Nu kwam de echte toets — dienst in Vietnam. En daar stond ik dan, op negentienjarige leeftijd, pas een paar maanden van de middelbare school, in de rode aarde van Vietnam. Zoals voor zoveel inheemse Amerikanen gold, was ik uit vaderlandsliefde in dienst gegaan, ondanks het onrecht dat de samenleving ons als leden van een minderheid had aangedaan.

Het eerste werd ik ingedeeld bij de 1st Marine Air Wing, pal buiten Da Nang. Ongeveer vijftig man — jongens eigenlijk — droegen de verantwoordelijkheid voor het onderhouden van de communicatiesystemen voor het garnizoen. Wij bestreken het gebied van de gedemilitariseerde zone tussen Noord-Vietnam en Zuid-Vietnam tot ongeveer tachtig kilometer ten zuiden van Da Nang.

De vluchtelingen stroomden naar Da Nang toe en overal schoten de krottenwijken als paddestoelen uit de grond. Er waren ook veel weeshuizen. Het zien van de jonge kinderen, van wie er velen verminkt waren, maakte diepe indruk op mij. Ik vond het eigenaardig dat het bijna allemaal meisjes of kleine jongetjes waren. Ik ontdekte al snel waarom. De jongens van elf jaar en ouder vochten in de oorlog. Later ontmoette ik een jonge Vietnamese soldaat, en ik vroeg hem hoe oud hij was. „Veertien”, was het antwoord. Hij vocht al drie jaar mee! Dat verbijsterde mij. Hij deed mij denken aan mijn veertienjarige broertje, behalve dan dat de aandacht van mijn broertje niet voornamelijk gericht was op doden maar op honkballen bij de junioren.

Tijdens mijn dienst bij de marine begonnen er vragen bij mij op te komen die een antwoord verlangden. Op een avond ging ik naar de kerk op ons kazerneterrein. De katholieke aalmoezenier hield een preek over Jezus, vrede en liefde! Ik kon het wel uitschreeuwen. Zijn preek was lijnrecht in strijd met alles wat daar gebeurde. Na de plechtigheid vroeg ik hem hoe hij het kon goedpraten dat iemand een christen was en terzelfder tijd in deze oorlog vocht. Zijn antwoord? „Ja zie je, soldaat, dat is onze manier om voor de Heer te strijden.” Ik liep naar buiten en zei bij mijzelf dat ik nooit meer iets met de kerk te maken wilde hebben.

Toen mijn diensttijd erop zat, wist ik dat ik geboft had dat ik nog leefde; maar geestelijk en moreel had ik zwaar geleden. Het horen, zien en ruiken van oorlog en dood op dagelijkse basis liet diepe sporen na in mijn jonge geest en hart. En ook al is het allemaal meer dan 25 jaar geleden gebeurd, ik herinner het mij nog als de dag van gisteren.

Moeizame aanpassing aan het burgerleven

Toen ik weer thuis was, stortte ik mij met hart en ziel op mijn muzikale loopbaan. Mijn persoonlijke leven was een puinhoop — ik was getrouwd en had een kind, en ik gebruikte nog steeds grote hoeveelheden drugs en alcohol. De verhouding met mijn vrouw werd gespannen, en het draaide uit op een echtscheiding. Dat is waarschijnlijk het dieptepunt in mijn leven geweest. Ik begon mij te isoleren en vond troost in de buitenlucht met het vissen op forel in afgelegen gebieden van Minnesota en Upper Michigan.

In 1974 verhuisde ik naar Nashville (Tennessee) met het doel mijn muzikale loopbaan als gitarist en zanger verder uit te bouwen. Ik speelde in allerlei nachtclubs, altijd in de hoop naar het grote werk in de muziek door te breken. Maar het was een zware opgaaf — er waren zoveel begaafde gitaristen, die er allemaal op uit waren de top te bereiken.

Maar net toen het zover was dat ik eindelijk de wind in de zeilen begon te krijgen en ik de mogelijkheid van succes in mijn beroep begon te ruiken, gebeurde er iets dat mij behoorlijk door elkaar schudde.

Gevaarlijke levenswijze

Ik ging een oude kennis opzoeken van wie ik wel drugs had betrokken. Hij begroette mij aan de deur met een kaliber twaalf jachtgeweer. Hij zat met zijn lichaam gedeeltelijk in het gips en zijn mond was dichtgekramd omdat hij een gebroken kaak had. Tussen zijn opeengeklemde tanden door vertelde hij mij wat er was gebeurd. Zonder dat ik het wist, had hij connecties met een drugskartel in Nashville, en er was een grote hoeveelheid cocaïne verdwenen. De drugsbaronnen wezen hem als de schuldige aan. Zij stuurden een knokploeg om hem in elkaar te slaan. Zij zeiden dat hij òf de cocaïne moest teruggeven òf de straatwaarde van $20.000 moest betalen. Niet alleen hij werd bedreigd, maar ook zijn vrouw en kind liepen gevaar. Hij zei tegen mij dat het voor mij niet veilig was bij hem gezien te worden, en dat ik misschien maar beter kon weggaan. Ik begreep de wenk en vertrok.

Dit voorval deed mij een beetje voor mijn eigen leven vrezen. Zonder het te beseffen was ik deel gaan uitmaken van een gewelddadige wereld. De meeste mensen die ik in mijn muziek- en drugskringen kende, hadden altijd een pistool op zak. Bijna had ik voor mijn eigen bescherming een .38-revolver gekocht. Ik besefte dat hoe dichter ik bij de grote jongens in de muziekindustrie kwam, des te hoger de prijs zou zijn die betaald moest worden. Ik besloot dan ook uit Nashville te vertrekken en maakte plannen om in Brazilië Latijnsamerikaanse muziek te gaan studeren.

Veel vragen, weinig antwoorden

Ondanks mijn negatieve ervaringen met religie had ik sterk het verlangen om God te aanbidden. En ik zat nog steeds met onbeantwoorde vragen. Daarom ging ik op zoek naar de waarheid. Ik bezocht verscheidene onafhankelijke kerkgroepjes, maar bleef onbevredigd. Ik herinner mij één kerk in Minnesota die ik bezocht. De predikant bekortte de preek omdat de Minnesota Vikings die dag zouden spelen. Hij moedigde ons allen aan om naar huis te gaan en te bidden voor de overwinning voor de Vikings! Ik stond op en liep naar buiten. Ik erger mij nog steeds aan dat lichtzinnige denken dat God in verband brengt met zoiets onbeduidends als een voetbalwedstrijd.

Terwijl ik in Duluth (Minnesota) werkte, liet een vriend een exemplaar van het tijdschrift De Wachttoren in mijn appartement achter. Ik las de bespreking van Mattheüs hoofdstuk 24 en het klonk allemaal waar. Het zette mij aan het denken: ’Wie zijn die Jehovah’s Getuigen? Wie is Jehovah?’ De antwoorden kreeg ik pas in 1975. Diezelfde vriend liet het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidta en een bijbel bij mij achter.

Die nacht las ik het boek. Toen ik het eerste hoofdstuk uit had, wist ik dat ik de waarheid had gevonden. Het was alsof er een sluier van mijn geest was weggenomen. Ik las het boek uit, en de volgende dag ging ik naar mijn overburen die Getuigen waren en vroeg hun de bijbel met mij te bestuderen.

Ik gaf mijn plannen om naar Brazilië te gaan op en begon de vergaderingen in de Koninkrijkszaal te bezoeken. Met Jehovah’s hulp stopte ik volgens de radicale methode met drugs en alcohol, en brak aldus met twaalf jaar verslaving. Binnen enkele maanden ging ik mee in de van-huis-tot-huisbediening.

Ik had echter een probleem dat ik onder de ogen moest zien. Ik had nooit een vaste baan gehad, en alleen het idee al dat ik gebonden zou zijn aan vaste tijden vervulde mij met weerzin. Nu moest ik iemand met verantwoordelijkheidsgevoel worden, want Debi was weer terug in mijn leven. Ik had al eerder verkering met haar gehad; maar zij was een lerarenopleiding aan de universiteit gaan volgen en ik zou musicus worden. Nu nam ook zij de bijbelse waarheid aan en wij voelden ons weer tot elkaar aangetrokken. Wij trouwden in 1976 en werden vervolgens in Sault Sainte Marie in Ontario (Canada) gedoopt. In de loop der tijd hebben wij vier kinderen gekregen — drie jongens en een meisje.

Om in het onderhoud van mijn gezin te voorzien, begon ik een muziekwinkel en gaf les in jazz-improvisatie en gitaar. Ook exploiteerde ik een kleine opnamestudio en speelde ik af en toe in nachtclubs. En of het zo moest zijn, dienden zich toen ineens gelegenheden aan om naar de top in de professionele muziekwereld door te stoten. Driemaal werd ik benaderd om beroemde artiesten die opnamen maakten te begeleiden. Dit was mijn grote kans — in feite mijn derde in twee jaar. Ik kreeg de gelegenheid aangeboden om naar Los Angeles (Californië) te gaan en daar met een bekende jazzgroep te spelen. Maar ik wist dat het zou betekenen dat ik weer veelvuldig zou moeten reizen, concerten geven en opnamen maken. Ik dacht ongeveer vijf seconden over het aanbod na en zei beleefd: „Nee, dank u.” Ik hoefde alleen maar terug te denken aan mijn leven van drugs, alcohol en het gevaar van criminelen om te beseffen dat het gewoon niet de moeite waard was. Mijn nieuwe christelijke leven met mijn vrouw en kinderen betekende veel meer voor mij.

Ik heb verscheidene jaren gewerkt als omroeptechnicus voor opvoedkundige programma’s en documentaires die door de televisiemaatschappij PBS (Public Broadcasting Service) werden uitgezonden. In mijn huidige baan coördineer ik voor een universiteit in het noorden van Arizona de videocommunicatie naar het Hopi-reservaat.

Terug bij mijn eigen volk

Twintig jaar zijn er nu voorbij sinds ik mij aan Jehovah God heb opgedragen. Ik heb ook al twintig jaar een gelukkig huwelijk. Debi, onze zoon Dylan, negentien jaar, en onze dochter Leslie, zestien jaar, zijn allemaal in de volle-tijddienst. Dylan dient op het ogenblik zelfs op het drukkerij- en boerderijcomplex van het Wachttorengenootschap in Wallkill (New York). Onze twee jongste zoons, Casey van twaalf jaar, en Marshall van veertien, hebben zich onlangs aan Jehovah opgedragen en zijn gedoopt.

Drie jaar geleden aanvaardden wij de uitnodiging om te verhuizen naar een gebied waar de behoefte aan christelijke prediking groter was en zijn wij naar Keams Canyon (Arizona) gegaan om onder de Navajo- en Hopi-Indianen te dienen. Ik ben een ouderling in de gemeente. Het is fijn weer onder inheemse Amerikanen te leven. Vanwege het contrast tussen de cultuur en de levensomstandigheden hier en die in de typisch Amerikaanse voorsteden krijgen wij het gevoel dat wij in het zendingswerk zijn. Wij hebben een groot, gerieflijk huis achtergelaten om — met ons zessen — in een veel kleinere stacaravan te gaan wonen. Het leven hier is moeilijker. Veel woningen hebben geen sanitair binnenshuis, alleen maar een buitentoilet. Sommige gezinnen moeten ’s winters kilometers rijden alleen maar om aan hout en kolen te komen. Het water wordt uit gemeenschappelijke putten opgehaald. Veel wegen zijn ongeplaveid en staan op geen enkele kaart. Als kind in het reservaat vond ik dat allemaal heel gewoon. Nu beseffen mijn gezin en ik hoeveel hard werk en energie er nodig zijn om alleen al de karweitjes die voor het dagelijks leven noodzakelijk zijn, gedaan te krijgen.

Ook al hebben Indianen in de reservaten hun eigen rechtspraak, zij hebben toch te kampen met dezelfde problemen die alle regeringen belagen — interne conflicten, begunstiging, gebrek aan geldmiddelen, verduistering en zelfs misdaad onder hun ambtenaren en leiders. Indianen worden geconfronteerd met de gesels van alcohol, drugsgebruik, werkloosheid, mishandeling en huwelijks- en gezinsproblemen. Sommigen geven nog altijd de blanken de schuld van hun huidige situatie, maar de blanken worden door dezelfde plagen gekweld. Ondanks druk van familie, vrienden, en stamgenoten reageren veel inheemse Amerikanen echter gunstig op het bijbelse onderwijzingswerk van Jehovah’s Getuigen. Zij zien dat vriendschap met God elke prijs waard is. Velen reizen zowel heen als terug meer dan 120 kilometer om christelijke vergaderingen bij te wonen. Wij vinden het fijn het goede nieuws van Gods koninkrijk met de Navajo en de Hopi te delen.

Ik verheug mij op de dag dat Jehovah’s heerschappij degenen zal „verderven die de aarde verderven” en dat de gehele gehoorzame mensheid in vrede en harmonie als één verenigde familie zal samenleven. Dan zal het leven zijn zoals ik het mij als Chippewa-jongen in Canada wenste (Openbaring 11:18; 21:1-4). — Verteld door Burton McKerchie.

[Voetnoten]

a Uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.; wordt niet meer gedrukt.

[Illustratie op blz. 13]

Ik was op zoek naar de antwoorden op mijn vragen over God

[Illustraties op blz. 15]

Boven: Mijn gezin, met links een Navajo-vriend

Onder: Onze stacaravan bij de Koninkrijkszaal

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen