Wordt de vrijheid van meningsuiting misbruikt?
WELDRA zal de deur naar de 21ste eeuw openzwaaien. De nieuwe eeuw zal ongetwijfeld nieuwe verwachtingen, idealen, morele opvattingen, visioenen van verbazingwekkende technologieën en aanspraken op grotere vrijheden brengen. Reeds wijken traditionele zienswijzen van regeringen, godsdiensten en burgers voor nieuwe stemmen en eisen. In veel landen wordt erop aangedrongen bestaande beperkingen op de vrijheid van spreken en meningsuiting weg te nemen, ongeacht de consequenties!
Wat eens werd afgekeurd en verboden door radio- en televisiepresentators en -censors — obscene taal en pornografische taferelen en gebaren — is nu in veel landen heel gewoon, ’verpakt in’ het recht op vrijheid van meningsuiting!
Wie bedreven is in het gebruik van computers, zowel volwassene als kind, kan nu binnen enkele seconden onverbloemde beelden van schunnige seksuele handelingen naar andere werelddelen verzenden en converseren met als zodanig bekende sekscriminelen en kinderverkrachters die om namen en adressen vragen voor clandestiene contacten. Muziek met teksten die het idee van zelfdoding en het doden van ouders, politieagenten en regeringsfunctionarissen opperen en propageren, wordt nu dagelijks op radio en televisie gehoord of staat op opnamen die kinderen afspelen.
Van degenen die onbeperkte vrijheid van meningsuiting eisen, zouden maar weinigen het oneens zijn met rechter Oliver Wendell Holmes jr. van het Amerikaanse Hooggerechtshof, die ruim een halve eeuw geleden een beroemde uitspraak over de vrijheid van meningsuiting die een precedent schiep, als volgt toelichtte: „De meest strikte bescherming van de vrijheid van meningsuiting zou niet een man beschermen die ten onrechte brand riep in een theater en paniek veroorzaakte.” De gevolgen van zo’n daad liggen voor de hand. Wat onlogisch dan dat deze zelfde mensen weinig of geen waarde hechten aan een volgende zin uit diezelfde uitspraak en er dwars tegenin gaan. „Waar het in elke zaak om gaat,” zei Holmes, „is of de gebruikte woorden in dusdanige omstandigheden worden gebruikt en dusdanig van aard zijn dat er een duidelijk en reëel gevaar ontstaat dat ze het wezenlijke kwaad zullen aanrichten dat het Congres rechtens wil voorkomen.”
Computerpornografie
„Seks vind je dezer dagen overal,” berichtte het blad Time, „in boeken, bladen en films, op televisie, videoclips en parfumreclame bij de bushalte. Het staat op reclame voor telefoonseks die onder de ruitewissers wordt geschoven. . . . De meeste Amerikanen zijn zo gewend geraakt aan het openlijk vertoon van erotiek — en de argumenten waarom het een speciale status geniet krachtens het Eerste Amendement — dat zij het nauwelijks opmerken.” De combinatie van onverbloemde seks en computers heeft echter iets wat het woord „pornografie” een nieuwe dimensie en betekenis heeft gegeven. Het is populair, opdringerig en wereldomvattend van opzet geworden.
Volgens een bepaald onderzoek werden abonnees op pornografische computer-prikbordsystemen, die bereid waren maandelijkse tarieven te betalen variërend van $10 tot $30, aangetroffen in „meer dan 2000 steden in alle 50 staten [van de Verenigde Staten] en 40 landen, gebiedsdelen en provincies overal ter wereld — met inbegrip van landen als China, waar op het bezitten van pornografie de doodstraf kan staan”.
Het blad Time beschreef één soort computerpornografie als „een grabbelton met ’normoverschrijdend’ materiaal, waaronder beelden van bondage, sadomasochisme, urineren, defecatie en seksuele handelingen met een schuur vol dieren”. Het verschijnen van dergelijk materiaal op een openbaar computernetwerk dat toegankelijk is voor mannen, vrouwen en kinderen overal ter wereld, roept ernstige vragen op over het misbruiken van de vrijheid van meningsuiting.
„Wanneer kinderen eenmaal on line zijn,” werd in een Britse krant opgemerkt, „is harde pornografie niet beperkt tot de bovenste planken van de krantenkiosken, maar is ze potentieel toegankelijk voor elk kind, in de privacy van de slaapkamer dus.” Voorspeld wordt dat 47 procent van alle Britse gezinnen met computers tegen eind 1996 aangesloten zal zijn op computernetwerken. „Veel Britse ouders zijn buitengesloten van de high tech-wereld waarin hun kinderen leven. De afgelopen achttien maanden is ’surfen op Internet’ een van de populairste tienerhobby’s geworden”, schreef de krant.
Kathleen Mahoney, hoogleraar in de rechtsgeleerdheid aan de University of Calgary in Canada en deskundige op het gebied van juridische kwesties rond pornografie, zei: „Het publiek moet zich ervan bewust zijn dat er een volkomen ongecontroleerd medium bestaat met behulp waarvan kinderen misbruikt en uitgebuit kunnen worden.” Een Canadese politiefunctionaris zei: „De tekenen zijn onmiskenbaar dat er een snelle toename van computergerelateerde gevallen van kinderpornografie in het verschiet ligt.” Veel counselinggroepen voor gezinnen wijzen erop dat de computerpornografie die kinderen zien en de invloed die ervan uitgaat, „een duidelijk en reëel gevaar” vormen.
Afwijkende meningen
Strijders voor de burgerrechten zijn verontwaardigd over alle krachtsinspanningen die het Congres in het werk gaat stellen om, in overeenstemming met de uitspraak van rechter Holmes en het Amerikaanse Hooggerechtshof, zaken als computerpornografie te beperken. „Het is een frontale aanval op het Eerste Amendement”, verklaarde een aan Harvard verbonden hoogleraar in de rechtsgeleerdheid. Zelfs doorgewinterde officieren van justitie drijven er de spot mee, werd in Time opgemerkt. Een dergelijke wet „zou zelfs de toetsing van de politierechter niet doorstaan”, zei een van hen. „Het is je reinste overheidscensuur”, zei een functionaris van het Informatiecentrum voor Elektronische Privacy. „Het Eerste Amendement mag niet eindigen waar Internet begint”, luidden zijn door Time geciteerde woorden. „Het is duidelijk een inbreuk op de vrije meningsuiting”, verkondigde een lid van het Amerikaanse Congres, „en het is een inbreuk op het recht van volwassenen om met elkaar te communiceren.”
Een vrouwelijke hoogleraar aan de juridische faculteit van de University of New York voert aan dat, behalve dat het een kwestie is van burgerrechten en vrije meningsuiting, er iets goeds schuilt in uiteenlopende uitlatingen over seks. „Seks op Internet zou in werkelijkheid goed kunnen zijn voor jonge mensen”, berichtte Time over haar standpunt. „[Cyberspace] biedt een veilige plaats om dat wat verboden en taboe is te verkennen . . . Het biedt de mogelijkheid tot eerlijke, ongedwongen gesprekken over zowel echte als fantasievoorstellingen van seks”, zei ze.
Ook veel jongeren, vooral studenten, zijn in alle staten wegens de eventuele besnoeiing van pornografie op computernetwerken. Sommigen hebben een protestmars gehouden wegens wat zij zien als een beknotting van hun rechten op vrijheid van meningsuiting. Eén stem, niet van een student evenwel, die in The New York Times werd geciteerd, geeft ongetwijfeld de gevoelens weer van velen die bezwaar maken tegen elk voorstel tot het verbieden van pornografie op computers: „Ik heb het bange vermoeden dat de Internetgebruikers van dit land er collectief om zullen lachen en het zullen negeren, en wat de rest van de internationale Internetgemeenschap betreft, die zullen de spot drijven met de Verenigde Staten.”
In verband met een verklaring van een vertegenwoordiger van een groep die zich inzet voor burgerrechten werd in U.S.News & World Report opgemerkt: „Cyberspace zou wel eens meer kracht kunnen verlenen aan de vrijheid van meningsuiting dan het Eerste Amendement. Ja, misschien is het al ’letterlijk onmogelijk geworden voor een regering om mensen de mond te snoeren’.”
In Canada woeden gevechten om wat een inbreuk zou kunnen zijn op de bepalingen over de vrijheid van meningsuiting in het Handvest van Rechten en Vrijheden. Er zijn kunstenaars gearresteerd die zich met hun schilderijen de woede op de hals hebben gehaald van critici en politie, die ze als „obsceen” classificeren. Kunstenaars en voorstanders van de vrije meningsuiting hebben zich verenigd om tegen de arrestaties te protesteren en ze te hekelen als een inbreuk op hun vrijheid van meningsuiting. Tot zo’n vier jaar geleden was het gebruikelijk dat pornografische videobanden door de politie in beslag werden genomen op grond van de Canadese wet op de obsceniteit, en de verkopers ervan werden gedagvaard en veroordeeld.
Dat alles veranderde echter in 1992, toen het Opperste Gerechtshof van Canada in een zaak die een keerpunt betekende, bepaalde dat zulke produkten tegen gerechtelijke vervolging beschermd waren uit hoofde van de in het Handvest van Rechten en Vrijheden gewaarborgde vrijheid van meningsuiting. De uitspraak van het hof „heeft opvallende veranderingen in de Canadese samenleving teweeggebracht”, schreef het blad Maclean’s. „In veel steden is het nu heel gewoon om harde-pornobladen en -video’s in kiosken aan te treffen”, merkte het blad op. Zelfs de banden waarover het hof verordende dat ze verboden mogen worden, zijn nog beschikbaar voor de consument.
„Ik weet dat als u daar binnenstapt, u er dingen zult vinden die misschien over de schreef gaan”, zei een politiefunctionaris. „Dat is waarschijnlijk spul op basis waarvan we een aanklacht kunnen indienen. Maar . . . wij hebben er de tijd niet voor.” Niemand garandeert hun ook dat de tenlasteleggingen gehonoreerd zouden worden. In deze tolerante tijd ligt het accent op onbeperkte persoonlijke vrijheid, en rechtbanken laten zich vaak beïnvloeden door de publieke opinie. Maar wat ook de redenering mag zijn, het debat zal felle en tweedracht zaaiende hartstochten aan beide kanten blijven oproepen — voor en tegen.
Er was een tijd dat in Japan de vrijheid van meningsuiting en van drukpers aan zware beperkingen onderhevig was. Over een aardbeving bijvoorbeeld met een sterkte van 7,9 op de schaal van Richter waarbij ruim duizend mensen omkwamen, mocht niet openlijk geschreven worden. Over gevallen van corruptie en van minnaars die elkaar doodden in het kader van zelfmoordverbonden mocht geen verslag worden uitgebracht. Redacteuren van kranten bezweken voor dreigementen van de overheid toen zelfs de controle op wat men als onbeduidende zaken beschouwde steeds strenger werd. Na de Tweede Wereldoorlog werden de beperkingen echter opgeheven en genoot Japan meer vrijheid van meningsuiting en van drukpers.
De slinger zwaaide zelfs uit naar het andere uiterste toen tijdschriften en sommige stripboeken voor kinderen vol kwamen te staan met erotische en obscene tekeningen. In The Daily Yomiuri, een toonaangevende Tokiose krant, werd eens opgemerkt: „Misschien wordt een van de meest schokkende aanblikken voor een buitenlander die pas in Japan is aangekomen wel gevormd door de zakenmensen die seksueel expliciete stripverhalen lezen in de ondergrondse van Tokio. Nu schijnt de tendens over te slaan op de andere helft van de bevolking, want er verschijnen stripverhalen met harde porno voor vrouwen op de planken van boekhandels en supermarkten.”
In 1995 noemde de gerenommeerde krant Asahi Shimbun Japan een „pornoparadijs”. Terwijl de redacteuren en uitgevers aan een vrijwillige oplossing voor de bezwaren van ouders de voorkeur geven boven verordeningen van hogerhand, protesteerden jonge lezers. De vraag is: ’Wiens stem zal uiteindelijk zegevieren?’
Vrijheid van meningsuiting is thans in Frankrijk een zeer controversieel onderwerp. „Het lijdt geen twijfel”, schreef de Franse auteur Jean Morange in zijn boek over vrijheid van meningsuiting, „dat de geschiedenis van de vrijheid van meningsuiting nog niet ten einde is en ze zal verdeeldheid blijven zaaien. . . . Er gaat bijna geen jaar voorbij zonder dat er een film of een televisieserie of een reclamecampagne gelanceerd wordt die een felle reactie oproept en het oude en eindeloze debat over de censuur nieuw leven inblaast.”
In een artikel in de Parijse krant Le Figaro stond dat een rap-groep genaamd Ministère amer (Bittere bediening) haar fans oproept politieagenten te doden. Een van hun teksten luidt: „Er zal pas vrede zijn wanneer de [politie] in vrede rust.” „Op onze cd”, zo verklaarde de woordvoerder van de groep, „vertellen wij hun het politiebureau plat te branden en de [politie] te offeren. Wat zou normaler kunnen zijn?” Er zijn geen stappen tegen de rap-groep ondernomen.
Rap-groepen in Amerika roepen ook op tot het doden van de politie en rangschikken het recht om zulke uitlatingen te doen onder het recht op vrijheid van meningsuiting. In Frankrijk, Italië, Engeland en andere landen in Europa en elders ter wereld is uit alle geledingen van de samenleving de roep te horen dat de vrijheid om in het openbaar te spreken niet aan banden gelegd mag worden, zelfs niet als het gesprokene „dusdanig van aard [is] dat er een duidelijk en reëel gevaar ontstaat”. Wanneer zal er een eind komen aan deze controverse, en welke kant zal als overwinnaar uit de bus komen?
[Illustratie op blz. 7]
Computerpornografie, „een grabbelton met ’normoverschrijdend’ materiaal”