Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g96 8/5 blz. 20-22
  • Hebt u zich dit ooit afgevraagd?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hebt u zich dit ooit afgevraagd?
  • Ontwaakt! 1996
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De bijbelse antwoorden
  • Maria
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Wat Maria’s voorbeeld ons kan leren
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • Zij werd door Jehovah hooglijk begunstigd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • „Zie! Jehovah’s slavin!”
    Volg hun geloof na
Meer weergeven
Ontwaakt! 1996
g96 8/5 blz. 20-22

Hebt u zich dit ooit afgevraagd?

WAT zegt de bijbel nu werkelijk over Maria, de moeder van Jezus? De meeste gelovigen in de christenheid houden vast aan de leer dat de Vader God is, de Zoon God is en de Heilige Geest God is, en dat zij toch geen drie goden zijn, maar drie in één. Met andere woorden: de Drieëenheid. Voor grote delen van de christenheid (katholiek, anglicaans en orthodox), mondde deze leer logischerwijs uit in het geloof dat Maria, de moeder van Jezus, dus de „Moeder Gods” is. Is dat werkelijk zo? Hoe bezag Jezus zijn moeder? Hoe bezagen de discipelen haar? Laten wij eens zien hoe de bijbel deze vragen beantwoordt:

1. Wanneer wordt Maria in de bijbel voor het eerst genoemd? — Mattheüs 1:16.

2. Welke religie beoefende Maria ten tijde van Jezus’ geboorte? — Lukas 2:39, 41.

3. Bracht Maria een offer voor haar zonden? — Lukas 2:21-24; vergelijk Leviticus 12:6, 8.

4. Was Maria maagd toen zij zwanger werd van Jezus? Waarom was dat belangrijk? — Mattheüs 1:22, 23, 25; Lukas 1:34; Jesaja 7:14; Hebreeën 4:15.

5. Hoe werd Maria zwanger? — Lukas 1:26-38.

6. Hoe reageerde Maria op haar unieke omstandigheden? — Lukas 1:46-55.

7. Hoe toonde Maria dat zij een zorgzame moeder was? — Lukas 2:41-51.

8. Kreeg Maria later nog andere kinderen? — Mattheüs 13:55, 56; Markus 6:3; Lukas 8:19-21; Johannes 2:12; 7:5; Handelingen 1:14; 1 Korinthiërs 9:5.

9. Hoe weten wij dat Jezus’ broers en zusters niet in werkelijkheid zijn neven en nichten waren? — Vergelijk Markus 6:3; Lukas 14:12; en Kolossenzen 4:10.

10. Beschouwde Jezus Maria als de „Moeder Gods”? — Johannes 2:3, 4; 19:26.

11. Beschouwde Maria zichzelf als de „Moeder Gods”? — Lukas 1:35; Johannes 2:4, 5.

12. Schonk Jezus zijn moeder buitengewone verering of heerlijkheid? — Markus 3:31-35; Lukas 11:27, 28; Johannes 19:26.

13. Hoe bezag Maria haar rol in Jehovah’s voornemens? — Lukas 1:46-49.

14. Is Maria een middelares tussen God en mensen? — 1 Timotheüs 2:5.

15. In hoeveel van de 66 bijbelboeken wordt Maria genoemd?

16. Verhoogden de christelijke schrijvers Maria in hun boeken en brieven? — Johannes 2:4; 2 Korinthiërs 1:1, 2; 2 Petrus 1:1.

17. Hoe vaak wordt Maria genoemd in de 21 door Paulus, Petrus, Jakobus, Johannes en Judas geschreven brieven?

18. Welke hoop had Maria als volgelinge van Jezus? — 1 Petrus 2:5; Openbaring 14:1, 3.

19. Is Maria de vrouw op wie in Genesis 3:15 en Openbaring 12:3-6 wordt gedoeld? — Jesaja 54:1, 5, 6; Galaten 4:26.

20. Welke status heeft Maria nu? — 2 Timotheüs 2:11, 12.

De bijbelse antwoorden

1. „Jakob werd de vader van Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus werd geboren, die Christus wordt genoemd.” — Mattheüs 1:16.

2. „Toen zij . . . alle dingen volgens de wet van Jehovah hadden volbracht, keerden zij naar Galilea, naar hun eigen stad Nazareth, terug. Nu waren zijn ouders gewoon om van jaar tot jaar voor het paschafeest naar Jeruzalem te gaan” (Lukas 2:39, 41). Als joden hielden zij zich aan de wet van Mozes.

3. „Toen . . . de dagen van hun reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij hem naar Jeruzalem om hem aan Jehovah aan te bieden, zoals er in Jehovah’s wet geschreven staat: ’Al wat mannelijk is dat een moederschoot opent, moet heilig worden genoemd voor Jehovah’” (Lukas 2:22, 23). „Als . . . de dagen van haar reiniging voor een zoon of voor een dochter hun volle duur bereiken, zal zij een jonge ram van nog geen jaar als brandoffer en een jonge duif of een tortelduif als zondeoffer naar de ingang van de tent der samenkomst tot de priester brengen. Kan zij echter niet genoeg opbrengen voor een schaap, dan moet zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, één voor een brandoffer en één voor een zondeoffer, en de priester moet verzoening voor haar doen, en zij moet rein zijn.” — Leviticus 12:6, 8.

4. „Hij [Jozef] had . . . geen gemeenschap met haar totdat zij een zoon had gebaard; en hij gaf hem de naam Jezus” (Mattheüs 1:25). „Maria zei . . . tot de engel: ’Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?’” (Lukas 1:34) „Jehovah zelf [zal] u een teken geven: Ziet! Het meisje zelf zal werkelijk zwanger worden, en zij baart een zoon, en zij zal hem stellig de naam Immanuël geven” (Jesaja 7:14). „Wij hebben als hogepriester niet iemand die geen medegevoel kan hebben met onze zwakheden, maar iemand die evenals wij in alle opzichten op de proef is gesteld, maar zonder zonde.” — Hebreeën 4:15.

5. „De engel gaf haar ten antwoord: ’Heilige geest zal over u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom ook zal hetgeen wordt geboren, heilig, Gods Zoon, worden genoemd. . . . Bij God zal geen verklaring een onmogelijkheid zijn.’” — Lukas 1:35, 37.

6. „Maria zei: ’Mijn ziel maakt Jehovah groot, en mijn geest kan slechts overlopen van vreugde jegens God, mijn Redder . . . De Machtige [heeft] grote daden voor mij . . . gedaan, en heilig is zijn naam.’” — Lukas 1:46, 47, 49.

7. „Toen zij hem dan zagen, stonden zij versteld, en zijn moeder zei tot hem: ’Kind, waarom hebt gij ons dit aangedaan? Denk eens aan, uw vader en ik hebben in doodsangst naar u gezocht.’ Maar hij zei tot hen: ’Waarom moest gij naar mij gaan zoeken? Wist gij niet dat ik in het huis van mijn Vader moet zijn?’” — Lukas 2:48, 49.

8. „Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En zijn zijn zusters niet allen bij ons?” (Mattheüs 13:55, 56) „Hij [daalde] met zijn moeder en broers [Grieks: a·delʹfoi] en zijn discipelen [Grieks: ma·theʹtai] af naar Kapernaüm, maar zij bleven daar niet vele dagen.” — Johannes 2:12.

9. Er zijn afzonderlijke Griekse woorden voor broer en neef. „’Is dit niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer [Grieks: a·delʹfos] van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En zijn zijn zusters [Grieks: a·delʹfai] niet hier bij ons?’ Zij dan namen aanstoot aan hem” (Markus 6:3). „Roep . . . niet . . . uw bloedverwanten [Grieks: sugʹge·neis]” (Lukas 14:12). „Markus, de neef [Grieks: a·neʹpsi·os] van Barnabas . . .” (Kolossenzen 4:10). — Zie The Kingdom Interlinear Translation of the Greek Scriptures.

10. „Jezus zei tot haar: ’Vrouw, wat heb ik met u te maken? Mijn uur is nog niet gekomen.’” „Toen . . . Jezus zijn moeder zag staan en bij haar de discipel die hij liefhad, zei hij tot zijn moeder: ’Vrouw, zie, uw zoon!’” (Johannes 2:4; 19:26) Dat Jezus het woord „vrouw” gebruikte, was volgens het taalgebruik van die tijd niet oneerbiedig.

11. In geen enkel vers van de bijbel wordt de uitdrukking „Moeder Gods” of „Moeder van God” gebruikt.

12. „Een zekere vrouw uit de schare [verhief] haar stem en zei tot hem: ’Gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borsten die u hebben gezoogd!’ Maar hij zei: ’Neen, gelukkig zijn veeleer zij die het woord van God horen en het onderhouden!’” — Lukas 11:27, 28.

13. „Maria zei: ’Mijn ziel maakt Jehovah groot . . . omdat hij acht heeft geslagen op de geringe positie van zijn slavin. Want zie! van nu af aan zullen alle geslachten mij gelukkig prijzen.’” — Lukas 1:46, 48.

14. „Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, een mens, Christus Jezus.” — 1 Timotheüs 2:5.

15. Vijf — Mattheüs, Markus, Lukas, Johannes en Handelingen. Zij wordt 19 maal genoemd als „Maria”, 24 maal als de „moeder” van Jezus en 2 maal als „vrouw”.

16. Behalve door de vier evangelieschrijvers wordt Maria nooit genoemd — niet eens in de inleidingen van apostolische brieven. „Paulus, door Gods wil een apostel van Christus Jezus . . . Mogen onverdiende goedheid en vrede u ten deel vallen van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus” (2 Korinthiërs 1:1, 2). „Simon Petrus, een slaaf en apostel van Jezus Christus, . . . door de rechtvaardigheid van onze God en de Redder Jezus Christus.” — 2 Petrus 1:1.

17. Niet éénmaal.

18. „Ook gijzelf [wordt] als levende stenen opgebouwd tot een geestelijk huis om een heilige priesterschap te vormen, ten einde geestelijke slachtoffers te brengen, aanvaardbaar voor God door bemiddeling van Jezus Christus” (1 Petrus 2:5). „Ik zag, en zie! het Lam stond op de berg Sion, en met hem honderd vierenveertig duizend, die zijn naam en de naam van zijn Vader op hun voorhoofd geschreven droegen. En zij zingen als het ware een nieuw lied vóór de troon . . . en niemand kon zich dat lied eigen maken dan de honderd vierenveertig duizend, die van de aarde zijn gekocht.” — Openbaring 14:1, 3.

19. „’Hef een vreugdegeroep aan, gij onvruchtbare vrouw die niet gebaard hebt! Word vrolijk met vreugdegeroep en jubel, gij die geen barensweeën hebt gehad, want de zonen van de eenzame zijn talrijker dan de zonen van de vrouw met een echtgenoot-eigenaar’, heeft Jehovah gezegd. ’Want uw Grote Maker is uw echtgenoot-eigenaar, Jehovah der legerscharen is zijn naam; en de Heilige Israëls is uw Terugkoper. De God van de gehele aarde zal hij worden genoemd’” (Jesaja 54:1, 5). „Het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder” (Galaten 4:26). Gods symbolische vrouw, het hemelse Sion, Jehovah’s hemelse organisatie, wordt vergeleken met een echtgenote en moeder, en zij is de „vrouw” in deze schriftplaatsen.

20. „Betrouwbaar is het woord: Stellig, indien wij te zamen zijn gestorven, zullen wij ook te zamen leven; indien wij blijven verduren, zullen wij ook te zamen als koningen regeren; indien wij verloochenen, zal ook hij ons verloochenen” (2 Timotheüs 2:11, 12). Als Maria tot haar dood getrouw is gebleven, regeert zij nu in de hemel samen met de anderen van de 144.000 die met Christus regeren. — Openbaring 14:1, 3.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen