Waarom verliest de kerk aan invloed?
„Elke stoïcijn was een stoïcijn; maar waar is in de christenheid de christen?”
RALPH WALDO EMERSON, 19DE-EEUWS AMERIKAANS ESSAYIST EN DICHTER.
„IK BEN katholiek — maar niet praktizerend”, verklaart een jonge moeder. „Godsdienst interesseert me totaal niet”, voegt een tiener eraan toe. Hun opmerkingen zijn typerend voor de jongere generatie Europeanen. Hoewel hun ouders — of waarschijnlijker hun grootouders — nog steeds naar de kerk gaan, heeft het godsdienstig geloof de generatiekloof niet kunnen overbruggen.
Waarom zijn de godsdienstige gebruiken die generaties Europeanen dierbaar waren, vaarwelgezegd?
Angst geen factor meer
Eeuwenlang heeft de angst voor hellevuur of vagevuur een krachtige invloed op Europeanen uitgeoefend. Vlammende preken en levendige kerkschilderingen van een niet te blussen brandende hel overtuigden de leken ervan dat slechts vroom kerkbezoek hen voor verdoemenis kon behoeden. Verder verklaart de Katechismus van de katholieke kerk: „De kerk verplicht de gelovigen ertoe ’op zon- en feestdagen de goddelijke liturgie mee te vieren’.”a Op het platteland was ook de sociale druk aanzienlijk — iedereen werd geacht op zondag naar de kerk te gaan.
De tijden zijn echter veranderd. Mensen voelen zich nu vrij om te doen wat zij willen. Angst is geen factor meer. De hel is kalmpjes onder het karpet geveegd, daar de meeste Europese katholieken er toch niet in geloven.
In de praktijk wordt het overslaan van de zondagsmis niet als een ernstige zonde beschouwd. Tirso Vaquero, katholiek priester in het Spaanse Madrid, geeft toe: „Als een christen [katholiek] op zondag niet naar de mis gaat, spijt ons dat oprecht omdat dit moment van communicatie met God en zijn broeders voor hem verloren is gegaan, niet omdat hij een zonde heeft begaan. Dat is van secundair belang.”
Angst roept dus niet langer vroomheid op. Hoe staat het met het morele gezag van de kerk en haar leiders — dwingen zij hun kudden loyaliteit af?
Een gezagscrisis
Het ter ziele gaan van de religieuze angst is samengevallen met een uitgesproken achteruitgang in de morele reputatie van de kerk. „Eeuwenlang hebben wij . . . heel veel moraalleraren en heel weinig morele leraren gehad”, verzucht de Italiaanse historicus Giordano Bruno Guerri. Dit gebrek aan moreel leiderschap kwam in het bijzonder aan het licht door de twee wereldoorlogen die de christenheid hebben geteisterd. De Europese kerken waren niet bij machte te voorkomen dat gelovigen deelnamen aan het bloedbad. Erger nog, de kerken raakten actief betrokken bij de oorlogvoering — aan beide zijden.
„De Eerste Wereldoorlog, een burgeroorlog onder de christelijke sekten, luidde een periode van tragedie en schande voor het christendom in”, merkt de historicus Paul Johnson op. „De Tweede Wereldoorlog bracht de morele reputatie van het christelijke geloof nog zwaardere klappen toe dan de Eerste. Hij bracht de leegheid van de kerken in Duitsland, de bakermat van de Reformatie, aan het licht, en de lafheid en zelfzucht van de Heilige Stoel.”
De concordaten die het Vaticaan sloot met het nazi-regime van Hitler en de fascistische regeringen van Mussolini in Italië en Franco in Spanje hebben het morele gezag van de kerk eveneens geschaad. Uiteindelijk was de godsdienstige prijs voor dat politiek opportunisme een verlies aan geloofwaardigheid.
Kerk en Staat — De band wordt losgeknoopt
In de loop van de twintigste eeuw hebben de meeste Europese landen ten slotte de band die Kerk en Staat bond losgeknoopt. In feite erkent geen enkel groot Europees land het rooms-katholicisme nog als zijn officiële godsdienst.
Hoewel de voornaamste kerken misschien nog wel overheidssubsidie ontvangen, hebben ze de politieke invloed die ze eens bezaten, verloren. Niet alle geestelijken hebben zich bij deze nieuwe werkelijkheid neergelegd. De vooraanstaande Spaanse jezuïet José María Díez-Alegría gelooft dat „de leiders van de [Katholieke] Kerk denken — velen van hen in alle oprechtheid — dat zij zich niet van hun herderlijke plicht kunnen kwijten zonder een menselijk platform van ’macht’”.
Maar dit „menselijk platform van ’macht’” is bezweken. Spanje, dat tot 1975 een „nationaal-katholieke” regering had, is illustratief voor deze situatie. De afgelopen jaren heeft de Spaanse hiërarchie een aanhoudende strijd met de socialistische regering gevoerd over het financieren van de kerk. De bisschop van het Spaanse Teruel klaagde onlangs tegen zijn parochianen dat hij zich „als katholiek vervolgd” voelt omdat de Spaanse regering de kerk niet voldoende financiële steun verleent.
In 1990 maakten de Spaanse bisschoppen bekend dat de Spaanse samenleving werd geplaagd door een „ernstige morele en gewetenscrisis”. Wie stelden zij verantwoordelijk voor deze ’morele crisis’? De bisschoppen beweerden dat een van de voornaamste oorzaken de „dubbelzinnige mentaliteit [was] die veelvuldig door overheidsinstanties in de hand werd gewerkt”. Blijkbaar verwachten de bisschoppen van de regering dat ze niet alleen subsidies verstrekt maar ook de katholieke ideologie bevordert.
Brengen geestelijken in praktijk wat zij prediken?
De enorme rijkdom van de Katholieke Kerk is altijd beschamend geweest voor pastoors die in verarmde parochies werken. Het was nog beschamender toen de Vaticaanse Bank betrokken bleek bij wat het blad Time „het grootste financiële schandaal in het naoorlogse Italië” noemde. In 1987 werden door Italiaanse magistraten arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen een aartsbisschop en twee andere bankfunctionarissen van het Vaticaan. Door de speciale soevereine status van het Vaticaan ontsnapten de verdachte geestelijken echter aan arrestatie. De Vaticaanse Bank hield vol dat er niets onrechtmatigs was gebeurd maar wist niet de indruk weg te nemen dat de kerk niet in praktijk bracht wat ze predikt. — Vergelijk Mattheüs 23:3.
Door seksuele misstappen die veel publiciteit hebben gekregen, is nog meer schade aangericht. In mei 1992 vroeg een Ierse bisschop, bekend als voorstander van het celibaat, zijn diocees „hem te vergeven” en „voor hem te bidden”. Hij werd gedwongen af te treden nadat aan het licht was gekomen dat hij de vader was van een zeventienjarige jongen en kerkgeld had gebruikt om diens opleiding te betalen. Een maand daarvoor was op de Duitse televisie een katholieke priester verschenen met zijn „partner” en hun twee kinderen. Hij zei dat hij ’een dialoog op gang wilde brengen’ over de kwestie van de onwettige verhoudingen die zo veel priesters hebben.
De schandalen laten onvermijdelijk hun stempel achter. De historicus Guerri voert in zijn boek Gli italiani sotto la Chiesa (De Italianen onder de Kerk) aan dat „de Kerk de Italianen eeuwenlang gechoqueerd heeft”. Eén gevolg daarvan, zegt hij, is de „ontwikkeling van wijdverbreid antiklerikalisme, zelfs onder de gelovigen”. Verontwaardigde katholieken zouden zich wel eens geneigd kunnen voelen hun geestelijken dezelfde vragen te stellen die de apostel Paulus aan de Romeinen stelde: „Je predikt bijvoorbeeld dat er niet gestolen mag worden, maar ben je zeker van je eigen eerlijkheid? Je veroordeelt het beoefenen van overspel, maar ben je zeker van je eigen zuiverheid?” — Romeinen 2:21, 22, Phillips.
De kloof tussen geestelijken en leken
Een minder in het oog vallend maar mogelijk nog slopender probleem is de kloof tussen geestelijken en leken. Pastorale brieven van de bisschoppen schijnen parochianen eerder te irriteren dan te onderrichten. Bij een Spaanse enquête zei slechts 28 procent van de geïnterviewden ’het eens te zijn met de uitspraken van de bisschoppen’. Een zelfde aantal „liet het volkomen koud” en 18 procent zei „niet te begrijpen waarover zij [de bisschoppen] het hebben”. Aartsbisschop Ubeda van Mallorca gaf toe: „Wij, bisschoppen, moeten ook onze portie verantwoordelijkheid aanvaarden voor het proces der ontkerstening — dat een feit is.”
Het ontbreken van een duidelijke schriftuurlijke boodschap vervreemdt de leken verder. Volgens de Catholic Herald hebben „veel priesters [in Frankrijk] geopteerd voor politieke actie om ’relevant bezig’ te zijn”, ook al zouden de meeste van hun parochianen liever zien dat zij zich op geestelijke zaken concentreerden. De Italiaanse priester en socioloog Silvano Burgalassi geeft toe: „Misschien hebben zij [jonge mensen] zich van God afgekeerd door ons slechte voorbeeld. Wij hebben hun een ’potpourri’ van compromissen, godsdienst en business, zelfzucht en geknoei gegeven.” Het is niet verwonderlijk dat priesters hun maatschappelijk aanzien verliezen. „Ik ben katholiek, maar ik geloof niet in de pastoor”, is een uitspraak die men vaak hoort van Spaanse katholieken.
Sommige katholieken vinden het moeilijk vertrouwen te hebben in de geestelijkheid en anderen hebben ernstige twijfels over de kerkelijke leer — vooral de leerstellingen die zij onredelijk of onpraktisch vinden.
Niet te begrijpen leerstellingen
Een schreeuwend voorbeeld is de officiële katholieke leer over het onderwerp hel. In de Katechismus van de katholieke kerk wordt verklaard: „De leer van de kerk bevestigt het bestaan van de hel en haar eeuwige duur.” Niettemin blijkt uit recente enquêtes dat slechts een kwart van de Franse katholieken en een derde van hun Spaanse tegenhangers gelooft dat de hel bestaat.
Wanneer het om morele kwesties gaat, neigen Europeanen er eveneens toe „doe-het-zelfchristenen” te zijn. Mimmi, een lutherse tiener uit Zweden, beziet morele vraagstukken, zoals het krijgen van kinderen zonder gehuwd te zijn, als „iets wat je zelf moet weten”. De meeste Franse katholieken zouden het met haar eens zijn. Tachtig procent zei dat wanneer zij in hun leven voor belangrijke beslissingen zouden staan, zij zich niet door de kerk maar door hun geweten zouden laten leiden.
In het verleden was het gezag van de kerk voldoende om elke dissidente stem het zwijgen op te leggen. Volgens het Vaticaan is er op dat punt weinig veranderd. De Katechismus verklaart onvermurwbaar: „Alles wat betrekking heeft op de methode van de schriftverklaring, is uiteindelijk onderworpen aan het oordeel van de kerk.” De autoritaire benadering krijgt echter weinig steun. „Men laat zonder enig voorbehoud het argument van het gezag gelden”, klaagt Antonio Elorza, een Spaans hoogleraar politieke studies. „De kerk geeft er de voorkeur aan een bastion op te trekken, in het licht van de geschiedenis de geldigheid van haar overlevering onaantastbaar te maken.” Buiten het „bastion” blijven de invloed en het gezag van de kerk tanen.
Naast het geestelijke verval dragen ook maatschappelijke oorzaken in belangrijke mate tot de religieuze onverschilligheid bij. De consumptiemaatschappij heeft heel veel amusement en recreatiemogelijkheden te bieden — en de meeste Europeanen willen en kunnen daarvan genieten. Vergeleken daarmee lijkt naar de kerk gaan een saaie manier om de zondagochtend door te brengen. Bovendien schijnen kerkdiensten zelden in de geestelijke behoeften van mensen te voorzien.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat de traditionele godsdienst haar greep op de Europese kudde terug zal krijgen. Is godsdienst een kracht die tot het verleden behoort — bestemd om de weg van de dinosaurus te gaan?
[Voetnoten]
a De Katechismus van de katholieke kerk is verschenen in 1992 en is bedoeld als een officiële uiteenzetting van de leer voor katholieken overal ter wereld. In de inleiding wordt hij door paus Johannes Paulus II aangeduid als een „zekere en authentieke referentietekst . . . ten behoeve van het onderricht van de katholieke leer”. De laatste keer dat er een dergelijke universele katholieke catechismus werd gepubliceerd, was in 1566.
[Inzet op blz. 6]
De vrijetijdscultus heeft zich meester gemaakt van de christenheid
[Illustratie op blz. 7]
Als het om de keuze tussen een preek en een zonnebad gaat, kiezen de meeste Europeanen zonder te aarzelen voor het strand