Waar zijn de gelovigen?
DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN SPANJE
„Niets is zo fataal voor godsdienst als onverschilligheid.”
EDMUND BURKE, 18DE-EEUWS BRITS STAATSMAN.
OP EEN winderige vlakte in het noorden van Spanje ligt het plaatsje Caleruega. Het middeleeuwse stadje wordt gedomineerd door een indrukwekkend Romaans klooster. Het werd 700 jaar geleden gebouwd ter ere van Domingo de Guzmán, de stichter van de orde der dominicanen, die hier geboren is. Al zeven eeuwen huisvest het klooster nonnen die verkiezen in stilte en afzondering te leven.
Het dak van het klooster lekt en de oude muren beginnen bouwvallig te worden. Maar de moeder-overste maakt zich zorgen over een ingrijpender verval — het afbrokkelen van de godsdienst zelf. „Toen ik bijna dertig jaar geleden in het klooster ging, waren hier veertig nonnen”, vertelt zij. „Nu zijn wij nog maar met zijn zestienen. Er zijn geen jongeren. De religieuze roeping schijnt tot het verleden te behoren.”
Wat in Caleruega gebeurt, doet zich in een groot deel van Europa voor. Er is geen golf van antigodsdienstige gezindheid geweest, slechts een rustig, onverbiddelijk uittreden. De grote Europese kathedralen zijn er meer voor de toeristen dan dat ze de plaatselijke „gelovigen” trekken. Over de eens onoverwinnelijke kerk — zij het protestants of katholiek — zegeviert nu de apathie. Wereldlijke in plaats van godsdienstige zaken beheersen het leven van de mensen — een tendens die kerkelijke woordvoerders secularisatie noemen. Godsdienst schijnt er gewoon niet meer toe te doen. Zou het godsdienstige klimaat in Europa een voorproefje kunnen zijn van een voor de deur staand soortgelijk verval in andere delen van de wereld?
Hoe staat het met het kerkbezoek?
In Noord-Europa is het verschijnsel niet nieuw. Slechts vijf procent van de Scandinavische lutheranen gaat geregeld naar de kerk. In Groot-Brittannië woont slechts drie procent van de belijdende anglicanen de zondagsdienst bij. Maar nu schijnen Europese katholieken in het zuiden het voorbeeld van hun noordelijke buren te volgen.
In Frankrijk, een overwegend katholiek land, gaat slechts een op de tien burgers eenmaal per week naar de kerk. De afgelopen 25 jaar is het percentage Spanjaarden die zich als „praktizerend katholiek” beschouwen, snel gedaald van 83 procent tot 31 procent. In 1992 zei de Spaanse aartsbisschop Ramón Torrella op een persconferentie: „Het katholieke Spanje bestaat niet; de mensen gaan naar Goede-Weekprocessies en met Kerstmis naar de mis, maar niet elke zondag [naar de mis].” Tijdens een pauselijk bezoek aan Madrid in 1993 waarschuwde Johannes Paulus II dat „Spanje terug moet keren tot zijn christelijke wortels”.
Die ongodsdienstige gezindheid heeft niet alleen de leken maar ook de geestelijkheid aangestoken. Het aantal priesterwijdingen in Frankrijk daalde tot 140 in 1988 (minder dan de helft van het aantal voor 1970), terwijl in Spanje ongeveer 8000 geestelijken het priesterschap vaarwel hebben gezegd om te trouwen. Bovendien twijfelen sommigen die wel hun kudde blijven bedienen aan hun boodschap. Slechts 24 procent van Zwedens lutherse predikanten vindt dat zij „met een zuiver geweten” over hemel en hel kunnen preken, terwijl een kwart van de Franse priesters niet eens zeker is van de opstanding van Jezus.
Genoegens en voorkeur boven vroomheid
Wat komt er op de plaats van de godsdienst? In veel gezinnen heeft de aanbidding plaats gemaakt voor ontspanning. Op zondag gaan gezinnen in plaats van naar de kerk naar het strand of de bergen in. „Naar de mis gaan is een saaie bedoening”, zei Juan, een typische Spaanse tiener, met een schouderophalen. Religieuze diensten kunnen niet wedijveren met voetbalwedstrijden of popconcerten, evenementen die grote menigten trekken en stadions vullen.
De achteruitgang van het kerkbezoek is niet het enige teken van godsdienstig verval. Veel Europeanen verkiezen zelf te bepalen wat zij geloven en wat niet. Tegenwoordig komt het voor dat de officiële kerkleer nauwelijks nog overeenkomst vertoont met de persoonlijke opvattingen van degenen die het geloof in kwestie belijden. De meeste Europeanen — of zij nu katholiek of protestant zijn — geloven niet meer in leven na de dood, terwijl ruim vijftig procent van de Franse, Italiaanse en Spaanse katholieken evenmin gelooft in wonderen.
De hiërarchie schijnt machteloos om deze vloedgolf van non-conformisme te keren. Nergens is dit opvallender geweest dan bij de pauselijke campagne tegen geboortenbeperking. In 1990 drong paus Johannes Paulus II er bij katholieke apothekers op aan geen voorbehoedmiddelen te verkopen. Hij voerde aan dat deze produkten „strijdig zijn met de natuurwetten, een aantasting van iemands waardigheid”. Bovendien zegt de Katechismus van de katholieke kerk uitdrukkelijk: „De huwelijksliefde van man en vrouw staat derhalve onder de dubbele eis van trouw en vruchtbaarheid.”
Ondanks deze strenge vermaningen doet het gemiddelde katholieke echtpaar monter wat het zelf wil. Gezinnen met meer dan twee kinderen zijn nu uitzondering in de katholieke landen van Zuid-Europa. In Spanje wordt op de televisie geregeld reclame gemaakt voor condooms — twintig jaar geleden nog bijna alleen op de zwarte markt te koop — en slechts drie procent van de Franse katholieke vrouwen zegt zich aan de officiële katholieke regels voor geboortenbeperking te houden.
Het is duidelijk dat Europeanen de kerken en hun leer de rug toekeren. De anglicaanse aartsbisschop van Canterbury, George Carey, tekende de situatie in zijn kerk treffend als volgt: „Wij bloeden dood, en dat is een zeer urgente kwestie die wij onder de ogen moeten zien.”
Sedert de beroeringen van de Reformatie heeft het Europese gebouw van de godsdienst er niet meer zo wankel uitgezien. Hoe komt het dat veel Europeanen onverschillig zijn geworden voor godsdienst? Welke toekomst wacht de godsdienst?