Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g96 22/2 blz. 19-24
  • Het kind van een kikker

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het kind van een kikker
  • Ontwaakt! 1996
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn werk als geisha
  • Wie is mijn moeder?
  • Een zoon midden in de oorlog
  • Familieverplichtingen
  • De zorg voor mijn dochtertje
  • Verschil van mening over godsdienst
  • Veranderingen in mijn leven
  • Naar mijn opdracht leven
  • Van onze lezers
    Ontwaakt! 1996
  • Een zendelinge vertroost een Japanse moeder
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
  • Mensen vinden die hongeren en dorsten naar waarheid
    Ontwaakt! 1970
  • De Japanse vrouw in deze tijd
    Ontwaakt! 1979
Meer weergeven
Ontwaakt! 1996
g96 22/2 blz. 19-24

Het kind van een kikker

„Het kind van een kikker is een kikker.”

Dat Japanse spreekwoord betekent dat als een kind opgroeit het net als zijn vader of moeder wordt. Mijn moeder was een geisha.

IK BEN opgegroeid in een geishahuis waar mijn moeder de scepter zwaaide. Dus was ik van kindsbeen af omringd door knappe dames die de duurste kimono’s droegen. Ik wist dat wanneer ik groter werd, ik mijn intrede in hun wereld zou doen. Mijn opleiding begon in 1928 op de zesde dag van de zesde maand, toen ik zes jaar was. Het cijfer 666 zou volgens zeggen succes garanderen.

Ik studeerde de traditionele Japanse kunsten — dans, zang, muziekinstrumenten bespelen, de theeceremonie uitvoeren, enzovoort. Elke dag na schooltijd holde ik naar huis, verkleedde me en ging naar mijn lessen. Daar zat ik weer bij mijn schoolvriendinnetjes omdat wij allemaal kinderen van geisha’s waren. Het was een drukke tijd en ik genoot ervan.

In die dagen voor de Tweede Wereldoorlog eindigde de leerplicht als een kind twaalf jaar was, dus toen begon ik met werken. Als beginnend geisha ging ik gekleed in schitterende kimono’s met mouwen die bijna op mijn voeten hingen. Ik was verrukt toen ik mijn eerste opdracht kreeg.

Mijn werk als geisha

Mijn werk bestond voornamelijk uit entertainen en als gastvrouw optreden. Als rijke mannen een etentje planden in exclusieve eetgelegenheden, belden zij een geishahuis en vroegen om de diensten van enkele geisha’s. Van de geisha’s werd verwacht dat zij de avond opfleurden en ervoor zorgden dat elke gast tevreden naar huis ging, met het gevoel dat hij een prettige avond had gehad.

Om dat te bereiken, moesten wij de behoefte van elke gast voor zijn en erin voorzien — nog voordat de gast besefte dat hij aan iets behoefte had. Het moeilijkste was nog, denk ik, dat je je ogenblikkelijk moest kunnen omschakelen. Als gasten plotseling naar dansen wilden kijken, dan dansten wij. Werd er muziek gewenst, dan pakten wij onze instrumenten en speelden de muziek waarom gevraagd werd of zongen wat voor lied er maar verlangd werd.

Een veel voorkomend misverstand is dat alle geisha’s chique, dure call-girls zijn. Dat is niet het geval. Hoewel er geisha’s zijn die in hun levensonderhoud voorzien door zichzelf te verkopen, is het niet nodig dat een geisha zich daartoe verlaagt. Dat weet ik omdat ik het nooit gedaan heb. Een geisha is een artieste, en als zij goed is, bezorgen haar talenten haar werk, dure geschenken en royale fooien van klanten.

Toegegeven, er zijn er maar weinig goed genoeg om de top te bereiken. De meeste geisha’s beheersen slechts een van de traditionele Japanse kunsten. Maar ik had diploma’s voor zeven van die kunsten, waaronder de Japanse dans, bloemschikken, de theeceremonie, de Japanse trommel bekend als de taiko en drie muziekstijlen die op de driesnarige samisen worden gespeeld. Zonder die kwalificaties zou ik het, om de kost te verdienen, misschien nodig gevonden hebben alles te doen wat klanten maar vroegen.

Toen Japan economisch onstabiel was, kozen meisjes er soms voor geisha te worden om hun familie te onderhouden. Zij leenden geld om hun opleiding en kimono’s te betalen. Anderen werden door hun familie aan geishahuizen verkocht. De eigenaars daarvan, die grote bedragen hadden betaald, eisten terugbetaling door de meisjes. Geisha’s in die omstandigheden waren ernstig in het nadeel, want hun opleiding begon laat en zij startten met zware schulden. Veel van deze geisha’s namen hun toevlucht tot immoraliteit of werden ertoe gedwongen, omdat zij aan hun financiële verantwoordelijkheden moesten voldoen.

Naar mijn diensten kwam veel vraag van de zijde van bekende mensen uit de sport-, amusements- en zakenwereld en uit politieke kringen. Leden van het kabinet en premiers behoorden tot mijn cliënten. Deze mannen behandelden mij met respect en bedankten me voor mijn werk. Hoewel ik niet aan de algemene gesprekken deelnam tenzij het mij werd gevraagd, werd er soms naar mijn mening geïnformeerd. Dus las ik de kranten en luisterde dagelijks naar de radio om het nieuws bij te houden. Feestjes waar ik werkte, werden vaak gehouden om te onderhandelen, dus moest ik discreet zijn en dingen die ik had gehoord niet verder vertellen.

Wie is mijn moeder?

Op een dag in 1941, toen ik negentien jaar was, werd ik in een eethuis ontboden, waar twee vrouwen op mij wachtten. Een van hen vertelde dat zij mijn echte moeder was en dat zij gekomen was om mij mee naar huis te nemen. De andere vrouw had geisha’s in dienst en bood mij werk aan. Zij vond dat ik moest werken om mijn echte moeder in plaats van mijn adoptiemoeder te onderhouden. Het was nooit bij me opgekomen dat de vrouw die mij had grootgebracht niet mijn echte moeder was.

In de war holde ik naar huis en vertelde mijn adoptiemoeder wat er was gebeurd. Zij was haar emoties altijd de baas geweest, maar nu vulden haar ogen zich met tranen. Ze zei dat zij me graag zelf had willen vertellen dat ik, toen ik één jaar was, aan een geishahuis was overgedragen. Toen ik de waarheid hoorde, verloor ik al mijn vertrouwen in mensen en werd in mezelf gekeerd en stil.

Ik weigerde mijn echte moeder te accepteren. Tijdens onze korte ontmoeting was mij duidelijk geworden dat zij op de hoogte was van mijn succes en wilde dat ik haar met mijn werk onderhield. Uit de locatie van de zaak van haar vriendin leidde ik af dat er bij het werken daar immoraliteit betrokken was. Ik wilde mijn artistieke talenten verkopen, niet mijn lichaam. Dus dacht ik toen, en nu nog steeds, dat ik de juiste beslissing had genomen.

Hoewel ik boos was op mijn adoptiemoeder, moest ik toegeven dat zij me zo had opgeleid dat ik altijd in mijn onderhoud zou kunnen voorzien. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik me bij haar in de schuld voelde staan. Zij had zorgvuldig en consequent mijn werk uitgekozen en me beschermd tegen mannen die slechts met immorele beweegredenen om de diensten van geisha’s vroegen. Tot op deze dag ben ik haar daar dankbaar voor.

Zij bracht me principes bij. Eén principe dat zij beklemtoonde, was dat mijn ja ja moest betekenen en mijn nee nee. Zij leerde me ook verantwoordelijkheid te aanvaarden en streng voor mezelf te zijn. Door me aan de principes die zij me leerde te houden, had ik succes in mijn werk. Ik betwijfel of ik die hulp van mijn echte moeder gekregen zou hebben. Door mijn adoptie was mij waarschijnlijk een zeer zwaar en onaangenaam leven bespaard gebleven en ik kwam tot de conclusie dat ik erg blij was dat ik geadopteerd was.

Een zoon midden in de oorlog

In 1943 schonk ik het leven aan een zoon. Volgens de traditionele Japanse cultuur, die geen „zonde” kent, vond ik niet dat ik iets verkeerds of schandelijks gedaan had. Ik was dolgelukkig met mijn zoontje. Hij was het kostbaarste wat ik bezat — iemand om voor te leven en te werken.

In 1945 werd Tokio zwaar gebombardeerd en moest ik met mijn zoontje de stad ontvluchten. Er was weinig voedsel en hij was erg ziek. Ondanks alle drukte en verwarring die er op het spoorwegstation heersten, slaagden wij er op de een of andere manier in een trein in noordelijke richting te nemen, naar Fukushima. Wij verbleven daar die nacht in een herberg, maar voordat ik mijn kleine jongen naar een ziekenhuis kon brengen, stierf hij aan ondervoeding en uitdroging. Hij was nog maar twee jaar. Ik was volkomen verslagen. De man die in de herberg voor het warme badwater zorgde, cremeerde het lichaam van mijn zoontje in het vuur dat hij stookte.

Kort daarna eindigde de oorlog en ik ging terug naar Tokio. De stad was platgebombardeerd. Mijn huis en alles wat ik bezat, was weg. Ik ging naar het huis van een vriendin. Zij leende me haar kimono’s en ik begon weer te werken. Mijn adoptiemoeder, die naar een plaats buiten Tokio was uitgeweken, eiste dat ik geld stuurde en een huis voor haar bouwde in Tokio. Die eisen maakten dat ik me eenzamer voelde dan ooit. Ik treurde nog steeds om mijn zoontje en verlangde naar troost, maar er werd door haar nooit met een woord over mijn kind gerept. Zij bekommerde zich uitsluitend om zichzelf.

Familieverplichtingen

De traditie leerde dat wij alles wat wij bezitten aan onze ouders en voorouders te danken hebben en dat het de plicht van kinderen is het hun ouders te vergelden door hen onvoorwaardelijk te gehoorzamen en tot hun dood voor hen te zorgen. Dus deed ik mijn plicht, maar de eisen van mijn adoptiemoeder waren buitensporig. Zij verwachtte ook van me dat ik voor de twee kinderen van haar broer zorgde die zij geadopteerd had. Tot mijn negentiende had ik gedacht dat zij mijn broer en zus waren.

Veel geisha’s trouwden nooit en zij vermeden het zelf kinderen te krijgen. Vaak adopteerden zij pasgeboren meisjes uit arme gezinnen en leidden hen op tot geisha, met als enige doel financiële steun te ontvangen om op hun oude dag een comfortabel leven te hebben. Ongelukkigerwijs begon ik te begrijpen waarom ik al die verzorging en opleiding had genoten. Het was gewoon een kwestie van toekomstige financiële zekerheid geweest.

Ik aanvaardde dit alles, ofschoon ik me wel afvroeg waarom ik naast mijn adoptiemoeder ook mijn „broer” en „zus” moest onderhouden, die beiden gezond waren en konden werken. Niettemin onderhield ik hen drieën en deed ik alles wat zij vroegen. Uiteindelijk, de dag voordat zij in 1954 stierf, knielde mijn moeder neer op haar bed, boog en bedankte mij formeel. Ze zei dat ik genoeg had gedaan. Die ene erkenning en uiting van dank maakte mijn jarenlange werk goed. De voldoening te weten dat ik aan al mijn verantwoordelijkheden had voldaan, beweegt mij nog steeds tot tranen.

De zorg voor mijn dochtertje

In 1947 werd ik moeder van een meisje en ik besloot hard te werken om rijkdom voor haar te vergaren. Elke avond ging ik de deur uit om te werken. Ik begon ook op te treden in de grote theaters van Japan, bijvoorbeeld het Kabukiza in Ginza. Ook dat betaalde goed.

Of ik nu danste of op de samisen speelde, ik kreeg altijd de hoofdrollen. Maar hoewel ik het succes had waarvan andere geisha’s alleen maar konden dromen, was ik niet gelukkig. Misschien zou ik niet zo eenzaam zijn geweest als ik getrouwd was, maar het leven van een geisha en het huwelijk laten zich niet goed combineren. Mijn enige troost was Aiko, mijn meisje, en ik bouwde mijn leven rond haar op.

Normaal leiden geisha’s hun dochters, of het nu echte of geadopteerde dochters zijn, op om hetzelfde werk te doen. Ik volgde dat gebruik, maar later begon ik te denken aan het soort leven waarop ik haar voorbereidde. Als ik ermee doorging, zou dat betekenen dat de ene generatie na de andere nooit zou weten wat het was een echt gezin te hebben. Ik wilde die keten verbreken. Ik wilde dat Aiko, en haar kinderen na haar, zouden trouwen en een normaal gezinsleven zouden hebben. Ik wilde niet dat het kind van deze kikker een kikker werd!

Toen Aiko de tienerleeftijd bereikte, werd zij onhandelbaar. Sinds de dood van mijn adoptiemoeder een paar jaar daarvoor, had Aiko’s enige gezelschap thuis bestaan uit de meisjes die ik in dienst had. Zij had mijn tijd en aandacht hard nodig. Dus besloot ik de geishawereld vaarwel te zeggen, ook al was ik midden dertig en op het hoogtepunt van mijn carrière, en alleen nog werk te accepteren als danseres en samisen-speelster. Ik hield op ter wille van Aiko. Wij begonnen nu ’s avonds samen te eten en bijna onmiddellijk werd zij liever. Dat ik mijn tijd aan haar besteedde, bewerkte wonderen.

Na verloop van tijd verhuisden wij naar een rustige keurige woonwijk, waar ik een klein restaurant opende. Aiko werd volwassen en het was een hele geruststelling toen zij met Kimihiro trouwde, een aardige man die begrip toonde voor het leven dat ik had geleid.

Verschil van mening over godsdienst

In 1968 schonk Aiko het leven aan mijn eerste kleinkind. Niet lang daarna begon zij de bijbel te bestuderen met Jehovah’s Getuigen. Dat verbaasde mij omdat wij reeds een godsdienst hadden. Na de dood van Moeder — mijn adoptiemoeder — had ik een groot boeddhistisch altaar in ons huis neergezet en daar knielde ik regelmatig voor neer om haar te vereren. Ook ging ik elke maand naar het familiegraf om haar verslag uit te brengen van alles wat er gebeurd was.

De voorouderverering schonk mij voldoening. Ik had het gevoel dat ik om voor mijn voorouders te zorgen en hun mijn dankbaarheid te tonen, deed wat ik moest doen, en ik had Aiko bijgebracht hetzelfde te doen. Dus was ik ontzet toen zij me vertelde dat zij niet meer zou meedoen aan voorouderverering en ook mij niet zou vereren wanneer ik gestorven was. ’Hoe’, vroeg ik me af, ’had ik zo’n kind ter wereld kunnen brengen en hoe kon zij zich aansluiten bij een godsdienst die mensen leerde zo ondankbaar te zijn tegenover hun voorouders?’ De daaropvolgende drie jaar was het alsof er een donkere wolk over mijn leven hing.

Daar kwam verandering in toen Aiko als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt werd. Een vriendin van Aiko, ook een Getuige, was verbaasd dat ik niet aanwezig was bij de doop van mijn dochter en vertelde Aiko dat ze mij een bezoekje zou brengen. Ik was woedend, maar gewoon omdat goede manieren een deel van mijzelf waren geworden, heette ik haar welkom toen zij kwam. Om dezelfde reden kon ik geen nee zeggen toen zij vertelde dat zij de week erop terug zou komen. Die bezoeken gingen wekenlang door en maakten me zo kwaad dat ik in het begin niets opstak van wat ze zei. Geleidelijk zetten de gesprekken me echter aan het denken.

Ik begon me dingen te herinneren die Moeder altijd zei. Hoewel zij vereerd wilde worden na haar dood, was zij niet overtuigd van een hiernamaals. Wat ouders het liefst willen, zei ze altijd, is dat kinderen goed voor hen zijn en hartelijk met hen praten terwijl zij nog leven. Toen ik schriftplaatsen als Prediker 9:5, 10 en Efeziërs 6:1, 2 las, en zag dat de bijbel tot hetzelfde aanmoedigt, had ik het gevoel of de schellen mij van de ogen vielen. Andere dingen die Moeder mij geleerd had, stonden ook in de bijbel, bijvoorbeeld dat mijn ja ja moest betekenen en mijn nee nee (Mattheüs 5:37). Mij afvragend wat de bijbel nog meer leerde, stemde ik toe in een geregelde bijbelstudie.

De droefheid en frustratie die ik het grootste deel van mijn leven had meegedragen, smolten weg naarmate ik in bijbelkennis toenam. Toen ik vergaderingen van Jehovah’s Getuigen begon bij te wonen, was ik diep onder de indruk. Dit was een heel andere wereld. De mensen waren oprecht, goed en vriendelijk en mijn hart ging open. Ik was vooral ontroerd toen ik leerde over Jehovah’s barmhartigheid. Hij schenkt alle berouwvolle zondaars liefdevol vergeving. Ja, hij zou al mijn vroegere tekortkomingen vergeven, en hij zou mij helpen me in een nieuw leven te verheugen!

Veranderingen in mijn leven

Hoewel ik Jehovah wilde dienen, had ik sterke banden met de amusementswereld. Ik was toen in de vijftig maar ik trad nog steeds op. Ook was ik leidster en een van de twee organisatoren van samisen-musici wanneer Danjuro Ichikawa Sukeroku opvoerde in het Kabukiza. Daar heel weinig samisen-spelers de begeleiding in katoubushi-stijl meester zijn die nodig is voor Sukeroku, zou er niemand zijn om mijn plaats in te nemen als ik ermee ophield. Dus had ik het gevoel in een val te zitten.

Een bejaarde Getuige, die ook bij een traditionele vorm van Japans amusement betrokken was, vroeg mij echter waarom ik dacht dat ik ermee op moest houden. „Mensen moeten nu eenmaal werken om in hun levensonderhoud te voorzien”, legde hij uit. Hij hielp mij in te zien dat ik niets onschriftuurlijks deed en dat ik Jehovah kon dienen en kon blijven optreden.

Ik ben nog enige tijd bij het Kabukiza, Japans voornaamste theater, gebleven. Toen begonnen de voorstellingen op vergaderavonden te vallen en vroeg ik dus of ik op die avonden vervangen kon worden. Kort daarna veranderden onze vergadertijden echter en kon ik werk en vergaderingen combineren. Toch moest ik, om op tijd op vergaderingen te zijn, na de voorstelling vaak in een wachtende taxi springen in plaats van me samen met de andere artiesten te verpozen, zoals de gewoonte was. Ten slotte besloot ik ermee op te houden.

Wij waren toen al een heel eind gevorderd met de repetities voor een reeks voorstellingen in de grote Japanse steden die zes maanden zou duren. Zou ik het onderwerp vertrekken ter sprake hebben gebracht, dan zou dat heel wat problemen veroorzaakt hebben. Dus begon ik, zonder te vertellen wat mijn bedoeling was, iemand op te leiden om mij op te volgen. Toen de tournee voorbij was, legde ik alle betrokkenen uit dat ik mij van mijn verantwoordelijkheden had gekweten en dat ik stopte. Sommigen werden boos. Anderen beschuldigden mij ervan verwaand te zijn en hun met opzet moeilijkheden te bezorgen. Het was geen gemakkelijke tijd voor me, maar ik bleef bij mijn besluit en stopte na veertig jaar optreden. Sindsdien heb ik samisen-les gegeven en dat levert mij een klein inkomen op.

Naar mijn opdracht leven

Enkele jaren voordien had ik mijn leven aan Jehovah God opgedragen. Ik werd op 16 augustus 1980 gedoopt. Het gevoel dat mij nu overweldigt, is dat van diepe dankbaarheid tegenover Jehovah. Ik vind zelf dat ik zo ongeveer als de Samaritaanse vrouw ben geweest die in de bijbel in Johannes 4:7-42 wordt genoemd. Jezus sprak haar vriendelijk toe en zij had berouw. Evenzo heeft Jehovah, die „ziet hoe het hart is”, mij goedgunstig de weg gewezen, en dank zij zijn barmhartigheid heb ik een nieuw leven kunnen beginnen. — 1 Samuël 16:7.

In maart 1990, toen ik bijna 68 jaar was, ben ik pionier geworden, zoals volle-tijdpredikers bij Jehovah’s Getuigen worden genoemd. Aiko pioniert ook, evenals haar drie kinderen. Toen zij opgroeiden, werden zij als hun moeder, zoals het Japanse spreekwoord zegt: „Het kind van een kikker is een kikker.” Aiko’s man is ouderling in de christelijke gemeente. Wat gezegend ben ik dat ik omringd ben door mijn familie, die allemaal in de waarheid wandelen, en dat ik liefdevolle geestelijke broeders en zusters in de gemeente heb!

Hoewel ik mijn voorouders dankbaar ben, gaat mijn grootste dank naar Jehovah, die meer voor mij heeft gedaan dan enig mens zou kunnen. In het bijzonder is het dankbaarheid voor zijn overvloedige barmhartigheid en troost die mij ertoe beweegt hem tot in alle eeuwigheid te willen loven. — Verteld door Sawako Takahashi.

[Illustratie op blz. 19]

Aan het oefenen toen ik acht was

[Illustratie op blz. 20]

Met mijn adoptiemoeder

[Illustratie op blz. 21]

Mijn dochter was de trots van mijn leven

[Illustratie op blz. 23]

Voor dit familiealtaar vereerde ik Moeder

[Illustratie op blz. 24]

Met mijn dochter, haar man en mijn kleinkinderen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen