De zienswijze van de bijbel
Wat te doen wanneer u anderen krenkt
ER IS iets mis. U weet het gewoon. Uw christelijke broeder ontloopt u. Hij heeft niet gezegd wat hem dwarszit, maar hij zegt amper hallo — en dan alleen nog als u hem eerst groet! Moet u naar hem toe gaan om te vragen wat er aan de hand is?
’Dat is zijn probleem’, denkt u misschien. ’Als hij iets tegen me heeft, moet hij er met me over komen praten.’ Inderdaad, de bijbel moedigt iemand die zich gekrenkt voelt aan, het initiatief te nemen om vrede met zijn broeder te sluiten. (Vergelijk Mattheüs 18:15-17.) Maar wat moet degene doen die hem gekrenkt heeft? Welke verantwoordelijkheid rust er eventueel op zijn schouders?
In zijn Bergrede zei Jezus: „Wanneer gij daarom uw gave naar het altaar brengt en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave dan daar vóór het altaar en ga heen; sluit eerst vrede met uw broeder en offer daarna, wanneer gij zijt teruggekomen, uw gave” (Mattheüs 5:23, 24). Merk op dat Jezus’ woorden hier gericht zijn tot degene die iemand gekrenkt heeft. Welke verantwoordelijkheid heeft hij om de zaak bij te leggen? Laten wij om die vraag te beantwoorden eens beschouwen wat Jezus’ woorden voor zijn joodse toehoorders uit de eerste eeuw betekenden.
’Wanneer gij uw gave naar het altaar brengt’
Jezus schildert hier een levendig beeld: Een joodse gelovige is naar Jeruzalem gekomen voor een van de jaarlijkse feesten. Hij gaat een gave — waarschijnlijk een dier — aan Jehovah offeren.a Het brengen van een offer was zeker geen nietszeggend ritueel. Het boek Judaism — Practice and Belief legt uit: „Het uitkiezen van vette, gave slachtoffers, zien hoe ze door deskundigen geïnspecteerd werden, ermee tot op enkele meters van het brandende altaar lopen, ze overdragen, de handen op de kop leggen, onreinheid of schuld belijden, of het dier anderszins opdragen, het de keel doorsnijden of het zelfs alleen maar vasthouden — dat alles stond borg voor de gewichtigheid en het ontzagwekkende van het moment. . . . Niemand die geloofde dat God het hele ritueel had geboden . . . kon dat meemaken zonder erdoor geraakt te worden.”
Jezus’ woorden in Mattheüs 5:23, 24 verplaatsen zijn toehoorders dus naar een moment dat voor de joodse gelovige rijk aan betekenis en eerbied was. Een bijbelgeleerde geeft het tafereel als volgt weer: „De gelovige is de Tempel binnengegaan; hij is de reeks voorhoven overgestoken, het Voorhof der heidenen, het Voorhof der vrouwen en het Voorhof der mannen. Daarna kwam het Voorhof der priesters, dat niet door de leek betreden mocht worden. De gelovige staat bij de afscheiding, klaar om zijn slachtoffer aan de priester over te dragen; zijn handen rusten op [de kop van het dier] om zijn schuld te belijden.”
Op dat gewichtige moment herinnert de gelovige zich dat zijn broeder iets tegen hem heeft. Het kan zijn dat zijn eigen geweten hem dat vertelt, of het kan zijn dat hij uit de houding van zijn broeder tegenover hem heeft geproefd dat deze zich gekrenkt voelt. Wat moet hij doen?
’Laat uw gave daar en ga heen’
„Laat uw gave dan daar vóór het altaar”, zegt Jezus, „en ga heen.” Waarom? Wat zou op dat moment belangrijker kunnen zijn dan een offer aan Jehovah brengen? „Sluit eerst vrede met uw broeder”, verklaart Jezus verder, „en offer daarna, wanneer gij zijt teruggekomen, uw gave.” De gelovige laat zijn offer dus levend achter bij het brandofferaltaar en gaat op weg om zijn beledigde broeder te zoeken.
Daar dit zich tijdens een feest afspeelt, bevindt de beledigde broeder zich ongetwijfeld onder de pelgrims die naar Jeruzalem zijn gestroomd. Met zijn nauwe straten en dicht opeenstaande huizen heeft Jeruzalem een flink aantal inwoners. Maar het is nu feest en de stad wemelt van de bezoekers.b
Ook als mensen uit dezelfde stad samen reisden en gezamenlijk hun tent opzetten, zou het nog flink wat moeite kosten zich een weg door de overvolle stad te banen om iemand te vinden. Tijdens het Loofhuttenfeest bijvoorbeeld zetten bezoekers overal in de stad en op de wegen en in de tuinen rondom Jeruzalem loofhutten op (Leviticus 23:34, 42, 43). Niettemin moet de joodse gelovige naar zijn beledigde broeder zoeken tot hij hem gevonden heeft. En dan?
„Sluit eerst vrede met uw broeder”, zegt Jezus. De Griekse uitdrukking die met ’sluit vrede’ vertaald is, komt van een werkwoord (di·al·lasʹso) dat „’een verandering bewerken, uitwisselen’ en derhalve ’verzoenen’” betekent. Na heel wat moeite gedaan te hebben om zijn beledigde broeder te vinden, probeert de joodse gelovige vrede met hem te sluiten. Daarna, zegt Jezus, kan hij naar de tempel terugkeren en zijn gave offeren, want nu zal God die aanvaarden.
Jezus’ woorden in Mattheüs 5:23, 24 leren ons dus een zeer belangrijke les: Verzoening of vrede gaat voor een offer. De manier waarop wij medegelovigen behandelen, is rechtstreeks van invloed op onze band met God. — 1 Johannes 4:20.
Wat te doen wanneer u anderen krenkt
Stel nu dat u in de situatie verkeert die aan het begin van dit artikel werd geschetst — u voelt aan dat u een medegelovige hebt gekrenkt. Wat moet u doen?
Pas Jezus’ raad toe door het initiatief te nemen en naar uw broeder toe te gaan. Met welk doel? Om hem ervan te overtuigen dat hij geen reden heeft om zich gekrenkt te voelen? Absoluut niet! Het probleem zou ernstiger kunnen zijn dan een simpel misverstand. ’Sluit vrede’, zei Jezus. Neem zo mogelijk de bitterheid uit zijn hart weg (Romeinen 14:19). Om dat te bereiken zult u misschien zijn gekwetste gevoelens moeten erkennen en niet ontkennen. Misschien moet u ook vragen: ’Wat kan ik doen om het goed te maken?’ Vaak is het aanbieden van oprechte verontschuldigingen het enige wat nodig is. In sommige gevallen kan de beledigde evenwel wat tijd nodig hebben om zijn gevoelens van zich af te zetten.
Wat echter als u er ondanks herhaalde pogingen niet in slaagt een verzoening tot stand te brengen? Romeinen 12:18 zegt: „Zijt indien mogelijk, voor zover het van u afhangt, vredelievend jegens alle mensen.” U kunt er dan ook op vertrouwen dat wanneer u eenmaal uw uiterste best hebt gedaan om vrede te sluiten, Jehovah uw aanbidding graag zal aanvaarden.
[Voetnoten]
a De slachtoffers werden meestal gebracht tijdens de drie periodieke feesten — Pascha, Pinksteren en het Loofhuttenfeest. — Deuteronomium 16:16, 17.
b De ramingen van de aantallen pelgrims die voor de feesten naar het oude Jeruzalem stroomden, lopen uiteen. De eerste-eeuwse joodse historicus Josephus schatte dat er voor het Pascha bijna drie miljoen joden aanwezig waren. — De joodse oorlog, II, xiv, 3; VI, ix, 3.