Een primeur voor Mali
MIJN man dient als reizende opziener van Jehovah’s Getuigen in Mali, een dunbevolkt land in West-Afrika. Het noordelijke deel ligt binnen de Sahara en de rest van het land bestaat overwegend uit golvend grasland. Mali is groter dan Engeland, Frankrijk en Spanje bij elkaar. Hoewel deze landen ruim 140 miljoen inwoners tellen, heeft Mali een bevolking van slechts zo’n 10 miljoen — van wie er ongeveer 150 Jehovah’s Getuigen zijn.
Onze thuisbasis is Ziguinchor, een kleine stad in het aangrenzende Senegal. In november 1994 zijn wij vandaar naar Dakar gevlogen en vervolgens naar de hoofdstad van Mali, Bamako, een grote stad met ruim een half miljoen inwoners. Van Bamako reisden wij per rimboetaxi, bus of trein naar kleinere steden, zoals Ségou, San en de oude stad Mopti. In elk van deze plaatsen bleven wij ongeveer een week om met de enkele Getuigen daar samen te werken in de christelijke bediening.
In december keerden wij naar Bamako terug om het districtscongres bij te wonen, waar het hoogste aantal aanwezigen 273 bedroeg. Wat waren wij verrukt veertien nieuwelingen gedoopt te zien worden! De dag na het congres vertrokken wij per bus naar het stadje Sikasso, waar de eerste door Jehovah’s Getuigen gebouwde Koninkrijkszaal van Mali het weekend daarop ingewijd zou worden.
Een ware uitdaging
De gemeente in Sikasso bestaat uit slechts dertien Getuigen, van wie er vijf pionier of volle-tijdprediker zijn. Bij onze aankomst op maandag zijn wij benieuwd naar hun plannen voor de inwijding. Zij vertellen ons dat zij erop rekenen dat mijn man, Mike, daar regelingen voor treft! Dus gaan wij na het uitpakken van onze bagage naar de Koninkrijkszaal kijken. Bij het zien ervan zijn wij diep onder de indruk dat dit handjevol Getuigen zo’n zaal heeft kunnen bouwen. Er moet echter nog heel wat gebeuren. Er zijn geen gordijnen, de buitenkant is niet geschilderd en er is geen bord met „Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen”.
Wij realiseren ons dat er over enkele dagen minstens vijftig bezoekers uit Bamako komen om de inwijding bij te wonen. Er zijn ook plaatselijke mensen uitgenodigd. De gemeente telt maar één ouderling, Pierre Sadio. Als wij hem vragen hoe hij de zaal vóór zaterdag, de dag van de inwijding, denkt klaar te krijgen, komen de Getuigen dichterbij om zijn antwoord te horen. „Ik denk dat Jehovah ons zal helpen op tijd klaar te komen”, antwoordt hij.
Wat moet er in zo’n korte tijd nog veel gebeuren! Ik vraag aarzelend of ik voor de gordijnen mag zorgen. Er verschijnt een brede glimlach van opluchting op de gezichten om me heen. Dan stelt Mike voor dat wij een bord laten maken dat op de gevel van de zaal moet komen. Al gauw praten wij allemaal door elkaar. Iedereen is heel opgewonden. Het zal echt een uitdaging zijn om de laatste klusjes nog op tijd gedaan te krijgen!
Grote bedrijvigheid
Wij christelijke zusters haasten ons naar de markt om de stof uit te kiezen. Vervolgens zoeken wij een kleermaker om de gordijnen te naaien. „U hebt vier dagen om ze klaar te krijgen”, vertellen wij hem. Mike biedt aan om bij wijze van decoratie een mooie macramé plantehanger te maken voor de voorkant van de zaal. Weg zijn wij weer, deze keer om het voor de plantehanger benodigde touw en een bloempot te kopen.
Er worden ook regelingen getroffen dat iemand het bord voor de Koninkrijkszaal maakt. In en om de zaal heerst grote bedrijvigheid. Een groepje buren komt kijken. Er is zo veel te doen! Hoe gaan wij de vijftig bezoekers te eten geven? Waar moeten zij slapen? De hele week hollen wij om alle voorbereidingen te treffen, maar niets schijnt soepel te verlopen.
Op vrijdag, de dag vóór de inwijding, zijn wij al vroeg op. Er heerst een opgewonden sfeer omdat de bezoekers uit Bamako vandaag zullen arriveren. Om een uur of twaalf wordt het bord voor de Koninkrijkszaal gebracht. Wanneer Mike het onthult, zuchten de broeders van bewondering. Zelfs de nieuwsgierige toeschouwers kijken waarderend. Wij wachten vol ongeduld tot het op de voormuur bevestigd is. Nu is duidelijk te zien dat dit niet zo maar een gebouw is. Het is de „Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen”.
Dichtbij, in het huis van een pionierster, zijn de zusters druk aan het koken. Een grote, zwarte kookketel is tot aan de rand toe gevuld. Wij hebben net de verfemmers en bezems naast de zaal weggehaald als er geroep klinkt: „Ze zijn er! Ze zijn er!” De Getuigen komen aanhollen uit de zaal, anderen uit het huis. De buren kijken vol verbazing toe. De broeders dansen van opwinding. Wat een ontvangst krijgen de Getuigen als zij uit de bus stappen! Ik voel me zo trots dat ik een van Jehovah’s Getuigen ben!
Ik kijk om me heen naar de bezoekers — Getuigen uit plaatselijke stammen maar eveneens uit Boerkina Faso en Togo. Ook zijn er Amerikanen, Canadezen, Fransen en Duitsers gekomen. Die avond hebben wij een groot feest. Wij leggen een reusachtig vuur aan om het erf te verlichten. Ik heb de neiging mezelf in de arm te knijpen om er zeker van te zijn dat ik werkelijk het voorrecht heb dit evenement mee te maken. Als de avond verstrijkt, beginnen wij met tegenzin naar onze respectieve slaapplaatsen te vertrekken.
In één woning zijn wel twintig personen ondergebracht. Ik merk dat het voor sommigen niet meevalt. Ik zie een plaatselijke zuster een Franse bezoekster naar het toilet buiten begeleiden. De bezoekster is familie van een van de zendelingen, maar is zelf geen Getuige. Als zij terugkomen, zegt zij: „Jullie zijn zo arm, maar jullie zijn echt zo liefdevol en vriendelijk.” Ik heb de neiging om te zeggen: „Nee, ze zijn niet arm. Heel Jehovah’s volk is rijk!” Zeg nu zelf, waar anders zie je zo’n gevarieerde groep mensen in vrede en harmonie leven?
Een ontroerende inwijding
De nacht is kort en al snel breekt de dag van de inwijding aan. Na een bijeenkomst voor de velddienst in de Koninkrijkszaal vertrekken de Getuigen om mensen in de stad voor de inwijding uit te nodigen. Ik blijf achter om bloemen en planten te schikken. De plaatselijke zusters zijn druk bezig met het eten voor ’s avonds.
Ten slotte, om vier uur, is de tijd voor de inwijding aangebroken. Er zijn in totaal 92 aanwezigen, maar de zaal is niet te vol. Ik ben zo opgewonden dat het me niet meevalt stil te zitten. Pierre Sadio verhaalt de geschiedenis van het werk in Sikasso. Toen hij deze toewijzing kreeg, waren alleen hij, zijn vrouw en hun twee kinderen er. Het leven was erg zwaar, maar na verloop van tijd zegende Jehovah hun dienst. De eerste die een Getuige werd in Sikasso is nu speciale pionier. Dan vertelt Pierre hoe het handjevol Getuigen heeft kunnen bouwen. Zij huurden een metselaar en elke zondag werkte de hele gemeente de hele dag aan het project.
Nu interviewt Mike Getuigen die aan de zaal hebben gewerkt. Hij vraagt hun een voor een of zij ooit gedacht hadden dit te zullen meemaken en hoe zij zich voelen nu zij naar de Koninkrijkszaal vol mensen kijken. De meesten schieten zo vol dat zij nauwelijks uit hun woorden kunnen komen. Bij de aanwezige Getuigen blijft geen oog droog.
Vervolgens houdt Ted Petras van het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Senegal de inwijdingstoespraak. Het inwijdingsgebed wordt uitgesproken en dan wordt er lang door de broeders geapplaudisseerd. Daarna nodigt Mike iedereen die bij de bouw van de zaal heeft geholpen uit, naar voren te komen. Daar staan zij, met stralende gezichten, terwijl de vreugdetranen hun over de wangen rollen. Onder het zingen van het slotlied voel ik me oneindig gelukkig. Doordat ik zendelinge ben, maak ik de schitterendste dingen mee. Wat zouden wij veel gemist hebben als wij thuis waren gebleven, in de Verenigde Staten.
Verdere hartelijke omgang
Na de inwijding wordt er voor verfrissingen gezorgd. De zusters komen een voor een binnen met grote bladen met watermeloen op hun hoofd. Zij worden gevolgd door twee broeders, die voor de gelegenheid een koksmuts op hebben en schotels met koeken dragen. De platte koeken zijn vrolijk versierd met schijven sinaasappel en citroen. Er heerst een feestelijke sfeer.
Na wat gebruikt te hebben, vertrekken de bezoekers. Dan gaan de Getuigen naar een huis in de buurt voor het avondeten. Wij zitten allemaal buiten onder de volle maan, bij een flink vuur dat het erf verlicht. Ik ben zo opgewonden en moe van de activiteiten van die dag dat ik mijn eten niet op kan. Een half verorberde kippepoot geef ik aan een klein meisje. De plaatselijke pioniers houden onze borden in de gaten en als er iets overblijft, maken zij het op. Kliekjes kent men hier niet. Wat zijn wij verwend in de Verenigde Staten.
Als onze avond ten einde loopt, herinnert een broeder degenen die uit Bamako gekomen zijn eraan dat de bus hen om 9.15 uur ’s ochtends zal ophalen. De volgende ochtend zitten de broeders overal op het erf, in afwachting van de komst van de bus. Dan zingen wij een laatste lied: „Heb dank, o Jehovah!” De tranen beginnen te vloeien en net tegen het eind van het lied komt de bus in zicht. Alle broeders en zusters omhelzen elkaar.
Wij staan daar te wuiven terwijl de bus langzaam wegrijdt. Iedereen in de bus zwaait totdat hij uit het gezicht verdwijnt. Daarna draaien degenen van ons die achterblijven zich om en kijken elkaar aan. Het was werkelijk een prachtige inwijding en een heerlijke week. — Ingezonden.
[Illustratie op blz. 15]
De eerste door Jehovah’s Getuigen gebouwde Koninkrijkszaal in Mali
[Illustratie op blz. 16]
Deze gelukkige groep reisde per bus