Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g95 22/4 blz. 18-24
  • Ruim 40 jaar onder communistisch verbod

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ruim 40 jaar onder communistisch verbod
  • Ontwaakt! 1995
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Hoe wij Getuigen werden
  • Het predikingswerk verboden
  • Herhaalde ondervragingen
  • Eenzame opsluiting
  • Vrijlating en voortzetten van de prediking
  • Een nieuwe toewijzing
  • Een lieve metgezel
  • Een tijd van beproeving en moed
  • Een ander leven
  • Geschraagd door Jehovah’s hulp
  • Geleid door geloof in God in een communistisch land
    Ontwaakt! 1996
  • Hoe mijn droom in vervulling ging
    Ontwaakt! 2002
  • Van politiek activist tot neutrale christen
    Ontwaakt! 2002
  • We kozen vastberaden voor Gods regering
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
Meer weergeven
Ontwaakt! 1995
g95 22/4 blz. 18-24

Ruim 40 jaar onder communistisch verbod

VERTELD DOOR JARMILA HÁLOVÁ

De tijd: na middernacht op 4 februari 1952. De plaats: onze woning in Praag (Tsjechoslowakije). Wij werden wakker van het aanhoudend bellen. Toen kwam de politie binnenstormen.

DE POLITIE zette Moeder, Vader, mijn broer Pavel en mij in aparte kamers, stationeerde een bewaker bij elk van ons en begon alles te doorzoeken. Zij waren daar bijna twaalf uur later nog mee bezig. Na een lijst te hebben gemaakt van alle lectuur die zij vonden, pakten zij die in dozen.

Later kreeg ik opdracht in een auto te stappen en kreeg ik een bril met zwarte glazen opgezet. Dat scheen vreemd, maar het lukte mij de bril iets te verschuiven om te zien waar zij mij heen brachten. De straten waren bekend. Onze bestemming was het beruchte hoofdkwartier van de Staatsveiligheidsdienst.

Zij duwden mij de auto uit. Toen later de bril werd afgenomen, bleek ik mij in een kleine smerige kamer te bevinden. Een vrouw in een uniform beval mij mijn kleren uit te trekken en een dikke werkbroek en een mannenoverhemd aan te trekken. Een lap werd om mijn hoofd gebonden om mijn ogen te bedekken, en ik werd geblinddoekt de kamer uitgeleid en door gangen gevoerd waar geen eind aan leek te komen.

Eindelijk stopte de bewaakster; zij deed een ijzeren deur van het slot en ik werd naar binnen geduwd. De lap werd van mijn hoofd gerukt en de deur werd achter mij gesloten. Ik stond in een gevangeniscel. Een vrouw van ergens in de veertig, in net zulke kledij als de mijne, staarde mij aan. Ik voelde een soort geamuseerdheid en — hoe vreemd het ook mag lijken — ik moest lachen. Jong als ik was, een meisje van negentien, zonder enige ervaring met zaken als gevangenzetting, bleef ik welgemoed. Al gauw besefte ik tot mijn vreugde dat niemand anders van ons gezin werd vastgehouden.

Het was in die jaren gevaarlijk om in wat toen Tsjechoslowakije was, een getuige van Jehovah te zijn. Het land stond onder communistisch bewind en de Getuigen waren verboden. Hoe was ons gezin zo nauw betrokken geraakt bij een verboden organisatie?

Hoe wij Getuigen werden

Vader, Prager van geboorte, had een protestantse achtergrond en was heel oprecht in zijn religieuze overtuiging. Hij ontmoette Moeder in de jaren ’20 toen zij in Praag medicijnen kwam studeren. Zij was afkomstig uit een gebied dat Bessarabië heet en dat in haar jeugd deel uitmaakte van Rusland. Na hun huwelijk ging zij, hoewel zij joods was, tot de kerk van haar man over. Toch was zij er niet content mee.

In de Tweede Wereldoorlog kwam Vader in een werkkamp terecht en Moeder ontkwam ternauwernood aan de Holocaust. Het waren moeilijke jaren voor ons, maar wij zijn er allemaal levend doorgekomen. Medio 1947, twee jaar nadat de oorlog geëindigd was, abonneerde een van Vaders zusters, die een getuige van Jehovah geworden was, ons gezin op De Wachttoren. Het was Moeder die de tijdschriften begon te lezen, en zij aanvaardde de boodschap onmiddellijk als de waarheid waarnaar zij had gezocht.

Aanvankelijk zei ze weinig tegen de rest van ons, maar zij kwam te weten waar er in Praag vergaderingen werden gehouden en begon die te bezoeken. Slechts enkele maanden later, in de lente van 1948, werd zij gedoopt op een kringvergadering van de Getuigen. Toen nodigde zij ons uit met haar de vergaderingen te bezoeken. Niet bepaald van harte stemde Vader ermee in.

De vergaderingen werden in een kleine zaal in het centrum van Praag gehouden en daar begonnen wij ze als gezin te bezoeken. Vader en ik hadden gemengde gevoelens; wij waren zowel nieuwsgierig als argwanend. Tot onze verbazing kon Moeder al nieuwe vrienden aan ons voorstellen. Ik was onder de indruk van hun enthousiasme en hun redelijkheid, van de waardering die zij voor hun broederschap bleken te hebben.

Toen Moeder onze positieve reactie zag, stelde zij voor dat de Getuigen bij ons thuis genodigd zouden worden om uitvoeriger op zaken te kunnen ingaan. Wat was het voor mijn vader en mij een schok toen zij ons in onze eigen bijbel lieten zien dat er geen onsterfelijke ziel bestaat en geen Drieëenheid! Ja, het was een openbaring te vernemen wat het werkelijk betekent om te bidden of Gods naam geheiligd mag worden en of zijn koninkrijk mag komen.

Een paar weken later inviteerde Vader verscheidene geestelijken van zijn kerk bij ons thuis. Hij zei: „Broeders, ik wil een paar bijbelse punten met jullie bespreken.” Toen presenteerde hij stap voor stap grondleerstellingen van de kerk en wees erop hoe ze met de bijbel in strijd waren. De geestelijken gaven toe dat hij gelijk had. Vaders slotwoorden waren: „Ik heb besloten, en ik spreek ook namens mijn gezin, om de kerk te verlaten.”

Het predikingswerk verboden

In februari 1948, kort voordat Vader en ik vergaderingen begonnen te bezoeken, nam de communistische partij de macht in het land over. Ik zag medeleerlingen hun leraren aanklagen en onderwijzers bang worden voor de ouders van hun leerlingen. Iedereen raakte van iedereen vervreemd. Aanvankelijk werd het werk van Jehovah’s Getuigen echter praktisch met rust gelaten.

Voor ons was een hoogtepunt in 1948 het congres van Jehovah’s Getuigen in Praag. Meer dan 2800 personen waren daar van 10 tot 12 september aanwezig. Een paar weken later, op 29 november 1948, deed de geheime politie een inval op het bijkantoor en werd het verzegeld. In april het jaar daarop werd een officieel verbod op ons werk uitgevaardigd.

Geen van deze acties intimideerde ons gezin, en in september 1949 woonden wij een speciale vergadering bij in de bossen buiten Praag. Een week later werden Vader en ik gedoopt. Ondanks pogingen om voorzichtig te zijn in het predikingswerk, werd ik in februari 1952 gearresteerd, zoals ik in de aanvang van mijn verhaal vermeldde.

Herhaalde ondervragingen

Na een paar maal te zijn ondervraagd, concludeerde ik dat mij een lang verblijf in de gevangenis wachtte. De ondervragers schenen te denken dat hoe langer iemand gevangenzat zonder iets te doen te hebben, hoe meer hij bereid zou zijn mee te werken. Maar steeds weer dacht ik aan het onderricht van mijn ouders en het was een van de dingen die mij staande hielden. Zij hadden vaak Psalm 90:12 aangehaald en mij aangemoedigd ’mijn dagen te tellen’, ofwel op hun waarde te beoordelen, zodat ik ’een hart van wijsheid zou bekomen’.

Daarom nam ik in gedachten hele psalmen en andere bijbelpassages door die ik voordien uit het hoofd had geleerd. Ik mediteerde ook over de Wachttoren-artikelen die ik had bestudeerd voordat ik gearresteerd werd en ik zong in mijzelf Koninkrijksliederen. Ook waren er de eerste maanden dat ik gevangenzat medegevangenen om mee te praten. Bovendien waren er dingen te overdenken die ik in lessen op school had geleerd, want ik had nog maar een paar maanden daarvoor eindexamen gedaan.

De ondervragingen maakten mij duidelijk dat een informant een van mijn bijbelstudies had bijgewoond en mijn predikingsactiviteiten had aangebracht. De autoriteiten concludeerden dat ik ook verantwoordelijk was voor de getypte kopieën van de bijbelse publikaties die bij ons thuis in beslag waren genomen. In werkelijkheid had mijn broer, die pas vijftien was, die overgetikt.

Na enige tijd begrepen de ondervragers dat ik niet van zins was anderen aan te geven en dus werd er geprobeerd mij te overreden mijn overtuiging los te laten. Zij confronteerden mij zelfs met iemand die ik als een reizende opziener van Jehovah’s Getuigen had gekend. Hoewel hij zelf ook gevangenzat, werkte hij nu met de communisten samen in een campagne om andere gevangengezette Getuigen ertoe te brengen hun geloof af te zweren. Wat een zielige figuur! Jaren later, na zijn vrijlating, heeft hij zich doodgedronken.

Eenzame opsluiting

Na zeven maanden werd ik naar een andere gevangenis overgebracht en in eenzame opsluiting geplaatst. Compleet alleen was het nu aan mij om te bepalen hoe ik mijn tijd zou gebruiken. Op verzoek kon ik over boeken beschikken, maar natuurlijk geen boeken van geestelijke aard. Daarom stelde ik een activiteitenschema op dat periodes van lezen en ook tijd voor meditatie over geestelijke zaken omvatte.

Ik moet zeggen dat ik mij nog nooit in mijn gebeden zo nauw met Jehovah verbonden had gevoeld als toen. De gedachte aan onze wereldwijde broederschap was nooit zo kostbaar geweest. Iedere dag probeerde ik mij voor te stellen hoe het goede nieuws zich op dat specifieke moment in verscheidene delen van de aarde verbreidde. In gedachten had ikzelf een aandeel aan dat werk en vertelde ik mensen dingen uit de bijbel.

Toch liep ik in die rustige sfeer uiteindelijk in een val. Ik had altijd al veel van lezen gehouden en ik hongerde naar indrukken van buiten, zodat ik soms dermate verdiept raakte in een bepaald boek dat ik mij niet aan mijn schema voor meditatie over geestelijke aangelegenheden hield. Daarna maakte ik mij dan altijd wel verwijten.

Zo werd ik op een morgen naar het kantoor van de aanklager gebracht. Er werd niets speciaals besproken — alleen de uitkomsten van vroegere ondervragingen. Ik voelde teleurstelling, omdat er geen datum voor mijn rechtszaak was bepaald. Met een half uur of zo was ik terug in mijn cel. Daar verloor ik mijn zelfbeheersing en begon te huilen. Waarom? Gingen de lange weken van eenzame opsluiting ten slotte hun tol eisen?

Ik begon mijn probleem te analyseren en kwam al gauw achter de oorzaak. De vorige dag had het lezen mij helemaal in beslag genomen en weer had ik mijn geestelijke activiteiten laten vervallen. Toen ik onverwacht werd gehaald voor een ondervraging, was ik dan ook niet in de juiste gebedsvolle geestestoestand. Onmiddellijk stortte ik mijn hart uit voor Jehovah en nam mij voor nooit meer geestelijke zaken te verwaarlozen.

Na die ervaring besloot ik helemaal met lezen op te houden. Toen kreeg ik een beter idee, namelijk mijzelf te dwingen Duits te lezen. Gedurende de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog hadden wij op school Duits moeten leren. Maar vanwege de gruwelijke dingen die de Duitsers tijdens hun bezetting van Praag hadden gedaan, wilde ik na de oorlog alles wat Duits was vergeten, met inbegrip van de taal. Nu nam ik dus het besluit hard te zijn voor mijzelf en mijn Duits weer op te halen. Wat bedoeld was als een straf bleek later echter een zegen te zijn. Ik zal het uitleggen.

Ik was in staat sommige boeken in zowel een Duitse als een Tsjechische editie te bemachtigen en ik begon mijzelf te oefenen in het vertalen van het Duits in het Tsjechisch en van het Tsjechisch in het Duits. Deze activiteit bewees niet alleen nog een middel tegen de potentieel schadelijke effecten van eenzame opsluiting te zijn, maar diende later ook een nuttig doel.

Vrijlating en voortzetten van de prediking

Eindelijk kwam na acht maanden eenzame opsluiting mijn zaak voor. Ik werd veroordeeld wegens subversieve activiteiten en kreeg twee jaar. Omdat ik al vijftien maanden had gezeten en er bij de verkiezing van de nieuwe president een amnestie was afgekondigd, werd ik vrijgelaten.

In de gevangenis had ik gebeden dat mijn familie zich geen zorgen om mij zou maken, en toen ik thuiskwam bleek dat gebed verhoord te zijn. Vader was arts en hij moedigde vele van zijn patiënten aan de bijbel te bestuderen. Als resultaat leidde Moeder zo’n vijftien wekelijkse studies! Bovendien leidde Vader een groepsstudie van De Wachttoren. Hij vertaalde ook een deel van de lectuur van het Wachttorengenootschap uit het Duits in het Tsjechisch, en mijn broer typte de manuscripten uit. Zo zat ik onmiddellijk weer midden in de geestelijke activiteiten en ik leidde al gauw bijbelstudies.

Een nieuwe toewijzing

Op een natte namiddag in november 1954 werd er gebeld. Daar stond, terwijl het water van zijn donkergrijze plastic regenjas droop, Konstantin Paukert, een van degenen die de leiding namen in het predikingswerk. Gewoonlijk wilde hij met Vader of met mijn broer Pavel spreken, maar nu vroeg hij mij: „Kun je even meekomen voor een kort wandelingetje?”

Wij wandelden zwijgend een tijdje voort, terwijl een paar voetgangers passeerden. Het gedempte licht van de straatlantaarns reflecteerde zwak in het natte zwarte wegdek. Konstantin keek om; de straat achter ons vertoonde geen leven. „Zou je kunnen helpen met wat werk?”, vroeg hij plotseling. Verbaasd knikte ik instemmend. „Er moet wat vertaalwerk gedaan worden”, vervolgde hij. „Je zult een plek moeten vinden waar je kunt werken, maar niet thuis en niet bij iemand die bij de politie bekend is.”

Een paar dagen later zat ik aan een bureau in een kleine flat van een bejaard echtpaar dat ik nauwelijks kende. Zij waren patiënten van Vader en niet lang daarvoor was er een bijbelstudie met hen begonnen. Zo bleek dus mijn studie van het Duits in de gevangenis waardevol, aangezien wij onze lectuur destijds uit het Duits in het Tsjechisch vertaalden.

Een paar weken later werden christelijke broeders die leiding gaven aan het werk gearresteerd, en onder hen ook broeder Paukert. Toch werd onze prediking geen halt toegeroepen. Vrouwen, onder wie Moeder en ik, hielpen zorg dragen voor bijbelstudiegroepen en onze christelijke bediening. Mijn broer Pavel diende, al was hij nog maar een tiener, als koerier om lectuur en organisatie-instructies rond te brengen in het hele Tsjechisch-sprekende deel van het land.

Een lieve metgezel

Eind 1957 werd Jaroslav Hála, een Getuige die in 1952 was gearresteerd en vijftien jaar had gekregen, tijdelijk vrijgelaten voor medische behandeling. Pavel legde onmiddellijk contact met hem en spoedig was Jaroslav weer volop betrokken bij het helpen van de broeders. Omdat hij de talen goed kende, begon hij het meeste vertaalwerk te doen.

Op een avond medio 1958 nodigde Jaroslav Pavel en mij uit voor een wandeling. Dat was de gebruikelijke gang van zaken als er organisatorische kwesties te bespreken waren, want onze woning was van afluisterapparatuur voorzien. Maar na onder vier ogen met Pavel gesproken te hebben, vroeg hij hem op een bank in het park te wachten terwijl wij tweeën doorliepen. Na een kort gesprek over mijn werk vroeg hij of ik ondanks zijn slechte gezondheid en onzekere toekomst met hem wilde trouwen.

Ik was verbluft door het oprechte en rechtstreekse aanzoek van iemand die ik zeer hoogachtte, en ik zei zonder aarzelen ja. Onze verkering bracht mij in nauw contact met Jaroslavs moeder, een gezalfde. Zij en haar man behoorden tot de eerste Getuigen in Praag tegen het eind van de jaren ’20. Beiden waren gedurende de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s gevangengezet, en haar man was in 1954 in een communistische gevangenis gestorven.

Voordat wij trouwden werd Jára, zoals wij hem noemden, door de autoriteiten opgeroepen. Zij vertelden hem dat hij óf een operatie moest ondergaan voor zijn chronische pleuritis — wat destijds had betekend een bloedtransfusie te aanvaarden — óf de rest van zijn straf moest uitzitten. Aangezien hij de operatie afwees, betekende het dat hij nog bijna tien jaar gevangenis voor de boeg had. Ik besloot op hem te wachten.

Een tijd van beproeving en moed

Begin 1959 ging Jára weer de gevangenis in en spoedig daarna ontvingen wij een brief waaruit bleek dat hij welgemoed was. Toen duurde het een hele tijd voordat er weer een brief kwam, die een hele slag voor ons was. Er klonken spijtgevoelens, bedroefdheid en angst uit, alsof Jára een zenuwinstorting had. „Dit moet door iemand anders geschreven zijn”, zei zijn moeder. Maar het was zijn handschrift!

Zowel zijn moeder als ik schreven om uiting te geven aan ons vertrouwen in God en hem aan te moedigen. Weken later kwam er weer een brief, nog onbegrijpelijker. „Hij kan dit niet geschreven hebben”, zei zijn moeder weer. Toch was het handschrift beslist zijn stijl en stonden er zijn karakteristieke uitdrukkingen in. Er werden geen brieven meer ontvangen, en bezoeken waren niet toegestaan.

Jára op zijn beurt had verontrustende brieven ontvangen die van ons afkomstig zouden zijn. De brieven van zijn moeder bevatten verwijten dat hij haar in haar ouderdom in de steek liet, en uit de mijne sprak ergernis dat ik zo lang op hem moest wachten. Ook deze brieven kwamen perfect overeen met ons handschrift en de manier waarop wij ons uitdrukten. Eerst was ook hij van streek, maar toen raakte hij overtuigd dat wij de brieven niet geschreven konden hebben.

Op een dag kwam er iemand aan de deur die mij een klein pakje overhandigde en zich weghaastte. Er zaten tientallen sigarettenvloeitjes in, beschreven in het kleinst mogelijke schrift. Jára had de brieven gekopieerd die wij geschreven zouden hebben, alsook een aantal van zijn eigen ongecensureerde brieven. Na deze correspondentie ontvangen te hebben, die naar buiten gesmokkeld was door een niet-Getuige die was vrijgelaten, waren wij enorm opgelucht en wij waren Jehovah bijzonder dankbaar! Tot op deze dag zijn wij er niet achter gekomen hoe en door wie deze duivelse poging om onze rechtschapenheid te breken was opgezet.

Later mocht Jára’s moeder hem bezoeken. Bij die gelegenheden vergezelde ik haar tot de gevangenispoort, waar ik deze kleine tengere vrouw dingen zag doen die heel veel moed vergden. Onder het oog van de bewakers pakte zij de hand van haar zoon en speelde hem dan zo klein mogelijke gefotografeerde lectuur toe. Hoewel ontdekking zware straf zou hebben betekend, vooral voor haar zoon, vertrouwde zij op Jehovah, in het besef dat het behoud van de geestelijke gezondheid altijd van primair belang is.

Later, in 1960, werd er een algemene amnestie afgekondigd en kwamen de meeste Getuigen vrij. Jára kwam thuis, en een paar weken later waren wij een gelukkig pasgetrouwd paar.

Een ander leven

Jára kreeg een toewijzing voor het reizende werk, ten dienste van de belangen van de broederschap in het hele land. In 1961 kreeg hij de toewijzing de eerste klas van de Koninkrijksbedieningsschool in het Tsjechisch-sprekende deel van het land te organiseren, en vervolgens heeft hij nog heel wat klassen van de school geleid.

Vanwege politieke veranderingen in Tsjechoslowakije in 1968 konden het jaar daarop een aantal van ons het internationale „Vrede op aarde”-congres van Jehovah’s Getuigen in Neurenberg in Duitsland bijwonen. De autoriteiten wilden Jára echter geen toestemming verlenen om het land uit te gaan. Sommigen van ons maakten dia’s van dat geweldige congres, en Jára had het voorrecht een aandeel te hebben aan een in het hele land gebracht geloofversterkend programma waarin die beelden werden vertoond. Velen wilden het programma keer op keer zien.

Wij hadden geen idee dat dit voor Jára de laatste keer zou zijn dat hij de broeders bezocht. Begin 1970 ging zijn gezondheid dramatisch achteruit. De chronische ontsteking waarmee hij had leren leven, tastte zijn nieren aan en de falende nierfunctie werd hem fataal. Hij stierf op 48-jarige leeftijd.

Geschraagd door Jehovah’s hulp

Ik was beroofd van de man van wie ik innig veel had gehouden. Maar onmiddellijke hulp werd verschaft binnen Jehovah’s organisatie, want ik mocht een aandeel hebben aan het vertalen van bijbelse lectuur. Ik had het gevoel dat mijn man mij als in een estafetteloop het stokje had doorgegeven om een deel van het werk voort te zetten dat hij zelf had gedaan.

Velen van ons in Oost-Europa hebben Jehovah meer dan veertig jaar onder communistisch verbod gediend. Met de val van het IJzeren Gordijn in 1989 begon het leven hier enorm te veranderen. Hoewel ik ervan had gedroomd dat Jehovah’s Getuigen ooit nog eens een congres zouden houden in het enorme Strahovstadion van Praag, had ik nooit gedacht dat die droom werkelijkheid zou worden. Maar in augustus 1991 gebeurde dat op een schitterende manier toen ruim 74.000 personen er in vreugdevolle aanbidding samen waren!

Tsjechoslowakije hield in januari 1993 op te bestaan toen het land werd verdeeld in twee landen — de Tsjechische Republiek en Slowakije. Wat waren wij gelukkig toen op 1 september 1993 de Tsjechische Republiek Jehovah’s Getuigen officieel erkende!

Uit de ervaringen in mijn leven weet ik dat Jehovah altijd een zegen voor ons in het verschiet heeft als wij hem de gelegenheid geven ons te leren hoe onze dagen te tellen (Psalm 90:12). Ik bid voortdurend of God mij wil leren hoe de resterende van mijn dagen in dit samenstel van dingen te tellen, zodat ik mij in de ontelbare toekomstige dagen in zijn nieuwe wereld onder zijn gelukkige dienstknechten mag bevinden.

[Illustratie op blz. 19]

Mijn vader en moeder

[Illustratie op blz. 21]

Een vergadering in de bossen in 1949, toen het werk verboden was: 1. mijn broer Pavel, 2. Moeder, 3. Vader, 4. ik, 5. broeder Hála

[Illustratie op blz. 22]

Met Jára, mijn man

[Illustraties op blz. 23]

Jára’s moeder en de gefotografeerde lectuur die zij naar hem toe smokkelde

[Illustratie op blz. 24]

Nu aan het werk op het bijkantoor in Praag

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen