Kruiswoordpuzzel
Horizontaal
2. Naam die „vrede” betekent (Hebreeën 7:2)
4. Leraar (Mattheüs 23:8)
7. Geeft het hem toekomende: . . . de koning (1 Petrus 2:17)
9. Stadsmuren herstellen was bepaald niet zijn gebruikelijke werk (Nehemia 3:8)
10. Nodig wanneer de een de taal van de ander niet verstaat (Genesis 42:23)
12. Linnen was ook onder de Hebreeën bekend, maar deze stof wordt alleen vermeld in verband met het Perzische paleis in Susan (Esther 1:6)
13. Dieprode edelsteen (Exodus 28:17)
15. Uiteenzetting zoals Paulus die wekelijks in de synagoge hield (Handelingen 18:4)
18. Snelle boodschapper (Jeremia 51:31)
21. Er is een kleine witte schorpioen die hier iets op lijkt (Lukas 11:12)
22. De Egyptische bondgenoot van Israëls laatste koning (2 Koningen 17:4)
23. Het is voortdurend, tienmaal, dat gij mij bestraft, dat gij mij zo hard . . . (Job 19:3)
26. Een legeroverste onder Josafat (2 Kronieken 17:16)
30. Maakte deel uit van de betaling aan hen die cederstammen aanleverden (Ezra 3:7)
32. Een aan God opgedragen gave (Markus 7:11)
33. Familiehoofd van bepaalde Nethinim (Ezra 2:50)
34. Als hiernaar gevraagd werd, zou ’veefokker’ het antwoord zijn (Genesis 46:33, 34)
35. Werkelijk (1 Koningen 8:47)
36. Stuk huisraad in het kleine dakvertrek voor Elisa (2 Koningen 4:10)
37. Onderdelen van de wagentjes met bekkens (1 Koningen 7:30)
Verticaal
1. Wordt gebruikt door een steenhouwer (Exodus 20:25)
2. Niet de hele muur, maar een afgemeten deel (Nehemia 3:20)
3. Broer van David met een rijzige gestalte (1 Samuël 16:6, 7)
5. Aanduiding voor een groot deel van Griekenland (Handelingen 19:21)
6. Zijn vader veranderde zijn naam in Benjamin (Genesis 35:18)
8. De zelfs in die mate geliefde vrouw mag u niet van het dienen van God afbrengen (Deuteronomium 13:6)
11. Deze persoon herkent men prompt (Spreuken 24:30, 31)
13. Deel van het skelet (Genesis 2:22)
14. Bijnaam van een van Jezus’ apostelen (Lukas 6:15)
15. Dit was steeds weer, wel tienmaal, veranderd (Genesis 31:41)
16. Aramees koninkrijk (2 Samuël 8:3)
17. De zwaluw kon dit bouwen in de tempel waar de leviet slechts tweemaal per jaar een week kon zijn (Psalm 84:3)
18. Een nederige dienst: de . . . van iemands sandalen losmaken (Lukas 3:16)
19. Het Hebreeuws maakt een woordspeling mogelijk: een meervoudsvorm van dit woord betekent niet alleen „neusgaten” maar ook „toorn” (Spreuken 30:33)
20. Schoonzus van Ruth (Ruth 1:4)
24. Het arkje voor het kind Mozes werd ermee bestreken (Exodus 2:3)
25. Melkprodukt (Job 10:10)
26. Familiehoofd van de Nethinim (Ezra 2:45)
27. Jozef bleef toen in de plaats waar de gevangenen van de koning in . . . werden gehouden (Genesis 39:20)
28. Aquila kwam ervandaan (Handelingen 18:2)
29. Zij beschilderde haar ogen met . . . verf (2 Koningen 9:30)
31. Zofar voelde zich gekwetst, want een beledigende vermaning aan zijn . . . hoorde hij (Job 20:3)
33. Behalve pauwen voerde Salomo ook deze dieren in (1 Koningen 10:22)
Oplossing op blz. 22
Oplossing horizontaal
2. SALEM
4. RABBI
7. EERT
9. UZZIËL
10. TOLK
12. KATOEN
13. ROBIJN
15. LEZING
18. RENBODE
21. EI
22. SO
23. AANPAKT
26. AMASIA
30. DRANK
32. KORBAN
33. ASNA
34. BEROEP
35. ECHT
36. STOEL
37. ASSEN
Oplossing verticaal
1. BEITEL
2. STUK
3. ELIAB
5. ACHAJE
6. BENONI
8. INNIG
11. LUIE
13. RIB
14. IJVERAAR
15. LOON
16. ZOBA
17. NEST
18. RIEM
19. NEUS
20. ORPA
24. PEK
25. KAAS
26. AKKUB
27. ARREST
28. ITALIË
29. ZWARTE
31. ADRES
33. APEN