Christenen opnieuw voor het Hooggerechtshof van Jeruzalem
DOOR ONTWAAKT!-CORRESPONDENT IN ISRAËL
JEZUS stond terecht voor het Sanhedrin, het hoogste gerechtshof in Jeruzalem; het was een zaak waarin de doodstraf geëist kon worden. Ondanks deze druk vertegenwoordigde hij onbevreesd Gods koninkrijk (Mattheüs 26:57-68). Binnen enkele weken na Jezus’ berechting stonden zijn naaste volgelingen voor ditzelfde hoge gerechtshof. Zij getuigden er dynamisch voor Gods koninkrijk en de aangestelde Koning ervan. — Handelingen 4:5-21.
Toen de apostelen enkele dagen later opnieuw voor het Sanhedrin werden gesleept, namen de gebeurtenissen een onverwachte keer. Ondanks reusachtige druk van zijn ambtgenoten kwam Gamaliël, een van de meest gerespecteerde leden van het hof, voor Jezus’ discipelen op. Het gevolg van deze verrassende tussenkomst was, dat de apostelen in vrijheid werden gesteld. — Handelingen 5:27-42.
Deze rechtszaken vormden een vervulling van Jezus’ woorden in Mattheüs 10:16-18: „Ziet! Ik zend u uit als schapen te midden van wolven . . . Zij zullen u aan plaatselijke rechtbanken overleveren . . . Gij zult zelfs ter wille van mij voor bestuurders en koningen worden gesleept, hun en de natiën tot een getuigenis.” Hoewel Jezus’ volgelingen vaak verkeerd begrepen werden, raakten zij in heel Israël bekend. Duizenden joden uit de eerste eeuw aanvaardden Jezus’ boodschap (Handelingen 4:4; 6:7). Dit alles was het resultaat van de ijverige prediking van Jezus’ joodse discipelen, hun onbevreesde optreden voor het gerecht incluis.
Tegenwoordig zijn Jehovah’s Getuigen in Israël betrekkelijk onbekend; hun aantal bedraagt thans nog geen 500 op een bevolking van ongeveer vijf miljoen. Maar in 1993 kwam door de zaak van een jonge Getuige niet alleen hun activiteit in de schijnwerpers te staan, maar kreeg ook een uniek historisch verband tussen het vooroordeel en de vervolging waaronder zowel joden als Jehovah’s Getuigen hebben geleden, aanzienlijke aandacht.
Hoe was de controverse begonnen?
Ariel Feldman, een zeventienjarige joodse immigrant uit Rusland die in Haifa woont, was een leerling met opvallend hoge cijfers en zowel de leraren als zijn medeleerlingen mochten hem graag.
Naar aanleiding van een toevallig gesprek op straat tijdens de Golfoorlog begonnen Ariel en zijn familie de bijbel te bestuderen met Jehovah’s Getuigen. Ariel stelde een grondig onderzoek in en vergeleek nauwgezet de joodse religieuze leer met de uitleg van de bijbel die Jehovah’s Getuigen hem gaven. De serieuze Ariel vorderde snel met zijn studie van de bijbel en was de eerste in zijn familie die als een van Jehovah’s Getuigen werd gedoopt.
Dit alles bezorgde hem geen problemen bij het leren op school. Tijdens zijn laatste studiejaar echter besloot zijn school een experimenteel programma aan het lesrooster toe te voegen om de leerlingen voor te bereiden op dienst in het leger. Soldaten gaven les en het programma omvatte het oefenen van gevechtsposities en -technieken. Ariel was van mening dat als hij actief aan deze cursus zou meedoen, hij in strijd met zijn door de bijbel geoefende geweten en zijn neutrale standpunt als een van Jehovah’s Getuigen zou handelen en hij deed dus redelijke pogingen om zijn positie aan het schoolhoofd uit te leggen (Jesaja 2:2-4). Hij legde beleefd uit dat hij bereid was in die periode aan elke andere schoolactiviteit deel te nemen, maar dat hij zijn overtuiging geen geweld kon aandoen.
Hoewel zijn schoolhoofd eerder enig begrip voor hem had gehad, besloot zij dat dit verzoek meer was dan zij kon toestaan. Zij stelde hem een ultimatum: óf actief deelnemen aan de premilitaire opleiding óf van school gestuurd worden. Ariel kon zijn geweten geen geweld aandoen. Op 31 januari 1993, slechts enkele maanden voor zijn eindexamen, werd hij officieel van school gestuurd zonder dat hem een alternatief werd geboden.
Verdediging vanuit een onverwachte hoek
Ariel wendde zich tot de Vereniging voor Burgerrechten in Israël. Daar was men bereid zijn zaak te behartigen en hij kreeg kosteloze rechtsbijstand. De hedendaagse joodse staat Israël is een democratie. Hoewel het land geen grondwet heeft die individuele rechten waarborgt, staat de Israëlische onafhankelijkheidsverklaring vrijheid van godsdienst en vrijheid van geweten voor. Er was in Israël geen wettelijk precedent waarbij iemand van school was gestuurd om redenen van religieuze overtuiging.
De kranten begonnen zich voor het verhaal te interesseren. Ariel volgde de raad op die hij van zijn advocaten had gekregen en liet zich niet door journalisten interviewen; hij had liever dat er in de rechtszaal recht werd gesproken in zijn zaak dan dat het „hof” der openbare mening zich erover uitsprak. Het schoolhoofd was er echter wel snel bij haar stappen in een interview te rechtvaardigen. In de krant Hadashot van 9 februari 1993 gaf zij niet alleen als haar mening te kennen dat het religieuze standpunt van de leerling een belediging was voor de staat Israël en allen die van Israël houden, maar maakte zij ook van de gelegenheid gebruik om zich tegen Jehovah’s Getuigen als organisatie te verklaren. Ze zei: „Hun activiteit is stiekem, smerig, achterbaks. Ze slaan hun tentakels uit en hebben het in feite op de zwakken voorzien.”
Veel Israëli’s beseften dat de mening van het schoolhoofd van vooringenomenheid getuigde. Tom Segev, een Israëlische journalist en historicus die veel wetenschappelijk onderzoek naar de holocaust heeft gedaan, was bijzonder gealarmeerd door het interview. Het deed hem denken aan een houding waarvan sommigen in nazi-Duitsland blijk hadden gegeven, die, aangestookt door valse beschuldigingen tegen de joden, hun vooroordeel hadden gelucht in een van de ergste grootschalige misdrijven in de menselijke geschiedenis. Segev was van mening dat het grootste gevaar voor de staat Israël niet in het gewetensvolle standpunt van de jonge leerling was gelegen, maar juist in het voorbeeld van onverdraagzaamheid dat het schoolhoofd gaf. Hij voelde zich geroepen een artikel te schrijven waarin hij opkwam voor de rechten van Jehovah’s Getuigen. (Zie het kader op blz. 15.)
In het spoor van Segevs artikel lieten ook anderen hun stem horen. Een inwoner van Jeruzalem die, omdat hij een jood was, tijdens de Tweede Wereldoorlog in een kamp gevangen had gezeten, schreef een brief aan de redactie waarin hij herinnerde aan het voortreffelijke gedrag van Jehovah’s Getuigen die in hetzelfde kamp zaten wegens hun weigering in het Duitse leger te dienen.
Omdat de jonge Getuige geen interviews wilde geven, wendden verslaggevers zich tot andere gemeenteleden. Hoewel die niet specifiek op Ariels situatie ingingen voordat zijn zaak voor zou komen, verstrekten zij graag informatie over de opvattingen van Jehovah’s Getuigen en hun activiteit in Israël. Dit leidde tot een aantal gunstige artikelen in de Israëlische pers en tot een radio-interview met een van de plaatselijke ouderlingen. Velen hoorden als resultaat van deze ongevraagde publiciteit voor de eerste keer van Jehovah’s Getuigen.
De dag dat de zaak in Jeruzalem voorkwam
Het bijkantoor in Haifa van de Vereniging voor Burgerrechten in Israël probeerde herhaaldelijk met het schoolhoofd, de Onderwijsraad en het Ministerie van Onderwijs in Jeruzalem te redeneren. De reacties op al deze pogingen waren echter onbevredigend. Op 11 maart 1993 werd ten behoeve van Ariel Feldman een verzoekschrift ingediend bij het Hooggerechtshof in Jeruzalem, het hoogste rechtscollege in het hedendaagse Israël.
De datum voor een voorbereidend verhoor werd vastgesteld op 15 maart 1993. Advocaten van de Vereniging voor Burgerrechten in Israël vertegenwoordigden Ariel in zijn geding tegen de Onderwijsraad, het schoolhoofd en het gemeentebestuur van Haifa. Drie rechters van het Israëlische Hooggerechtshof hadden zitting bij het voorbereidend verhoor.
De landsadvocaat bracht het geschilpunt als een kwestie van ondermijning van het gezag van de school indien de leerling zou mogen „voorschrijven” welke lessen hij wel en welke hij niet zou volgen. Zij verzochten het hof hun beslissing te bekrachtigen dat de leerling onder geen voorwaarde weer voet zou mogen zetten op het terrein van de school.
De advocaten van de Vereniging voor Burgerrechten brachten het geschilpunt als een kwestie van de grondrechten op vrijheid van aanbidding en vrijheid van geweten, die door de manier waarop de school de zaak had aangepakt, geschonden waren. De rechters stelden vragen over de principes van Jehovah’s Getuigen, om de reden voor het standpunt van de jonge leerling te begrijpen. In het verzoekschrift werd hun ook veel informatie verstrekt over soortgelijke gevallen overal ter wereld waarbij hoge gerechtshoven ten gunste van Jehovah’s Getuigen hadden beslist.
In hun resumé verklaarden de rechters dat beide partijen streden voor een beginsel. Bij de afweging echter welke partij de grootste schade zou ondervinden als de situatie bleef zoals ze was, was dat beslist de leerling. De rechters zeiden zeer sceptisch tegenover het gedrag van het schoolhoofd en de Onderwijsraad te staan en gaven hun tien dagen om hun optreden schriftelijk toe te lichten. Het hof wees een tussenvonnis waarbij werd bepaald dat Ariel Feldman weer op het schoolterrein toegelaten moest worden om het schooljaar te voltooien en dat hem niet belet mocht worden zijn eindexamen af te leggen.
Enkele dagen voor de slotzitting, die op 11 mei 1993 was vastgesteld, trok de Onderwijsraad de aanklacht tegen Ariel Feldman in. Als gevolg daarvan werd de slotzitting geannuleerd, deed het hof nooit uitspraak over de fundamentele strijdpunten van de zaak en werd er geen bindend juridisch precedent geschapen. Hoewel dit de zaak openlaat voor verdere juridische strijd, waardeerden Jehovah’s Getuigen de redelijke houding die de rechters van het Israëlische Hooggerechtshof aan de dag legden.
Geleerde lessen
Vanaf Jezus’ tijd tot nu toe hebben Jehovah’s Getuigen met tegenstand en vooroordelen te kampen gehad die hen voor de hoogste rechtbanken van veel landen hebben gebracht. Deze rechtszaken blijken ’een getuigenis voor de natiën’ te zijn (Mattheüs 10:18). Zelfs wanneer zijn Getuigen in een bepaald land weinig in aantal zijn, kan Jehovah erop toezien dat zijn naam alom bekend wordt. En net zoals dat in de eerste eeuw het geval was met de verrassende tussenkomst van het gerespecteerde lid van het Sanhedrin Gamaliël, kan God nu uit onverwachte bronnen steun voor zijn volk bewerkstelligen.
[Kader op blz. 15]
„Wat een schoolhoofd over Jehovah’s Getuigen weet”
(Passages uit het artikel van Tom Segev in Haʼaretz, 12 februari 1993)
„In een land dat alles heeft, wonen ook enkele Israëlische Jehovah’s Getuigen. Het zijn er niet veel, en niet velen hebben over hen gehoord, ondanks het feit dat zij in Israël, zoals in elk land, pogingen doen om zowel met het geschreven woord als mondeling aanhangers van hun opvattingen te winnen. Op de een of andere manier hebben zij indruk gemaakt op die leerling op de Hugimschool. Daar hij de beginselen van de beweging aannam, weigerde hij mee te doen aan premilitaire fitnesslessen op school. Het schoolhoofd wilde hem geen vrijstelling van deze lessen geven. Als ik haar goed heb begrepen, ziet zij hem als een bedreiging voor de toekomst van het zionisme. Van de week legde zij me uit: ’Wij zijn een zionistische school; wij leren de kinderen loyaliteit aan de staat en aan het volk.’ . . .
Rina Shmueli van de Vereniging voor Burgerrechten in Haifa heeft geprobeerd het hoofd ertoe over te halen het recht van de leerling om zijn geweten te gehoorzamen te erkennen en hem vrijstelling van de premilitaire training te geven; dit had een zeer geschikte les in verdraagzaamheid en democratie kunnen zijn. Maar zij hield voet bij stuk. Zij is van mening dat wij te maken hebben met een gevaarlijke sekte die haar leden door middel van verleiding werft. . . .
Dit bracht kwalijke herinneringen bij mij boven. Dus heb ik het hoofd opgebeld en haar gevraagd wat zij eigenlijk over Jehovah’s Getuigen wist. Ze zei dat dat niet veel was maar dat zij had gehoord dat zij ook in andere landen actief zijn, en zijzelf was hen in Canada en Duitsland tegengekomen. Ik vroeg haar of zij wist wat er met hen in Duitsland was gebeurd. ’Dat weet ik niet en ik wil het ook niet weten’, antwoordde het schoolhoofd.
Misschien heeft de Middelbare Hugimschool een bibliotheek, en misschien staat in die bibliotheek toevallig The Encyclopedia of the Holocaust, onder redactie van Israel Gutman. Hebben zij er geen exemplaar van, dan moeten zij er een kopen. Onder de kop ’Ernstige Bijbelonderzoekers’ zal het schoolhoofd zien staan dat de nazi’s Jehovah’s Getuigen naar de concentratiekampen hebben gestuurd.”