Addie vond het antwoord laat, maar niet te laat
Het verhaal van een zwarte vrouw die 87 jaar naar sociale gerechtigheid heeft gezocht. Zij zit aan de rand van een moeras op een boomstam te vissen. Haar huid is glad, haar geest is helder en zij maakt een waardige indruk. Zij is sterk, ervaren en goedgeïnformeerd, maar in haar ogen leest u geestigheid en humor, plus een aangename nederigheid. Zij is een geweldig vertelster. Haar Afrikaanse erfgoed is onmiskenbaar, vermengd met herinneringen aan het Diepe Zuiden. Luister als zij haar leven opnieuw beleeft.
„MIJN grootmoeder werd geboren op een slavenschip dat op weg was van Afrika naar Georgia. Zij was zo zwak dat niemand verwachtte dat zij in leven zou blijven. Toen haar moeder werd verkocht, kreeg zij het ziekelijke kind dan ook gewoon mee. Dat was omstreeks 1844. Het kind werd Rachel genoemd.
Dewitt Clinton beheerde een plantage voor zijn oom. Door Dewitt raakte Rachel in verwachting van mijn vader, Isaiah Clinton, die in juni 1866 werd geboren. Hij werd Ike genoemd. Als jongen reed hij vaak met Dewitt mee op diens paard en werd hem alles bijgebracht wat er over het runnen van een plantage te weten viel. Enkele jaren later zei Dewitt tegen Ike: ’De tijd is gekomen dat je zelf je weg moet zoeken in de wereld.’ Toen deed hij een geldgordel die hij rond zijn middel droeg af en gaf die aan Ike.
Daarop ging mijn vader werken voor een zekere meneer Skinner; hij werd opzichter op de Skinner-plantage en trouwde met Ellen Howard. Ik werd geboren op 28 juni 1892, in Burke County, bij Waynesboro in Georgia. Ik vond het leven heerlijk. Ik stond altijd te popelen om de deur uit te vliegen. Moeder hield me tegen totdat zij mijn jurk van achteren had gestrikt en elke dag hoorde ik haar zeggen [in het Engels is dat een rijmpje]: ’Maak een strik en laat haar gaan.’ Ik klom dan op de gaffel van de ploeg om dicht bij mijn vader te zijn.
Op een dag tijdens een zomerse onweersbui werden meneer Skinner en zijn paard in het open veld door de bliksem getroffen. Ze waren allebei dood. Mevrouw Skinner was een vrouw uit het Noorden en werd door alle mensen in Burke County gehaat om wat generaal Sherman had gedaan toen hij Atlanta in brand stak. Zij hadden aan mevrouw Skinner dus een nog grotere hekel dan aan de zwarten! Mevrouw Skinner zette het hun betaald. Uit wrok verkocht zij toen haar man stierf de plantage aan mijn vader, een zwarte man. Denk je dat eens in, een zwarte die een plantage bezat in Georgia, vóór de eeuwwisseling!”
Meneer Neely en de bazaar
„Als Papa iets nodig had, ging hij naar meneer Neely, de eigenaar van de bazaar. Die hebben alles. Heb je een dokter nodig, dan ga je naar de bazaar. Heb je een lijkkist nodig, je gaat naar de bazaar. Je betaalt nergens voor; het wordt gewoon op je rekening gezet tot de katoen wordt geoogst. Neely ontdekte dat Papa geld op de bank had, dus bracht hij ons van alles, spullen die wij niet nodig hadden — koelbox, naaimachine, geweren, fietsen, twee muilezels. ’We hebben het niet nodig!’, zei Papa dan. Neely’s reactie: ’Het is een cadeau. Ik zet het wel op je rekening.’
Op een dag kwam Neely met een grote zwarte Studebaker op onze farm aanzetten. Papa zei: ’Meneer Neely, die hebben wij niet nodig! Niemand kan rijden of hem onderhouden en iedereen is er bang voor!’ Neely wuifde dat weg. ’Hou ’m maar, Ike. Ik zet ’m op je rekening en zal ervoor zorgen dat een van mijn jongens die van jou leert rijden.’ Wij hebben er niets aan gehad. Op een dag smeekte ik Papa me met een van de knechten mee te laten gaan om te tanken. Papa zei: ’Blijf eraf; ik ken je!’ Zodra wij uit het gezicht waren, zei ik: ’Laat mij het eens proberen. Papa weet dat ik het ga doen.’ De auto schoot vooruit, ik stuurde naar links, toen naar rechts door het kreupelhout en tussen de bomen door. Wij belandden in de beek.
Als ik Papa vroeg waarom hij die spullen niet weigerde, antwoordde hij: ’Dat zou een grote vergissing zijn, een belediging. Bovendien, de KKK [Ku Klux Klan] valt geen van de nikkers van meneer Neely lastig.’ Dus betaalden wij al die spullen die wij niet nodig hadden. En ik dacht aan wat Papa altijd zei: ’Koop niet wat je niet nodig hebt, of je zult al gauw iets nodig hebben wat je niet kunt kopen.’ Ik haatte meneer Neely!
Toen iedereen de eeuwwisseling aan het vieren was, op 1 januari 1900, stierf mijn moeder bij de geboorte van haar vierde kind. Ik was toen nog maar acht, maar aan het graf zei ik tegen Papa dat ik voor hem zou zorgen.
De moeder van mijn moeder sprong bij om ons, kinderen, te verzorgen. Haar naam was Mary. Zij was erg godsdienstig, had een geheugen als een olifant maar kon niet lezen of schrijven. Als zij in de keuken bezig was, bestookte ik haar met vragen. ’Hoe komt het dat blanke mensen zich niet met zwarte mensen willen ophouden, terwijl ze zeggen dat iedereen in Gods ogen gelijk is? Als we naar de hemel gaan, zijn alle blanke mensen daar dan ook? Zal die meneer Neely daar zijn?’ Mary antwoordde dan: ’Ik weet het niet. We zullen allemaal plezier hebben.’ Daar was ik nog niet zo zeker van.
’Oma, wat gaan we in de hemel doen?’ ’O, we gaan er wandelen op met goud geplaveide straten! We krijgen vleugels aan en vliegen van boom naar boom!’ Ik dacht bij mezelf: ’Ik zou liever buiten spelen.’ Ik heb helemaal nooit naar de hemel willen gaan, maar ik wilde ook niet naar de hel. ’Oma, wat zullen we in de hemel eten?’ Zij antwoordde: ’O, we zullen melk en honing eten!’ Ik riep uit: ’Maar ik lust geen melk, en ik lust geen honing! Oma, ik zal doodgaan van de honger! Ik zal in de hemel doodgaan van de honger!’”
Ik ga een opleiding volgen
„Papa wilde dat ik ging leren. In 1909 stuurde hij me naar het Tuskegee Institute in Alabama. Booker T. Washington was het hoofd en het hart van de school. De leerlingen noemden hem Papa. Hij reisde veel om geld voor de school bijeen te brengen en veel daarvan kwam van blanken. Als hij in het instituut was, predikte hij deze boodschap tot ons: ’Zorg dat je een opleiding volgt. Zoek een baan en leg je geld weg. Koop dan een stuk land. En laat ik als ik je bezoek nooit zien dat het gras niet gemaaid is, dat het huis niet geschilderd is of dat de ramen kapot zijn en met lappen dichtgestopt om de kou buiten te houden. Heb zelfrespect. Help je volk. Help hen vooruit te komen. Jij kunt een voorbeeld zijn.’
’Vooruitkomen’ was zeker hard nodig. Het zijn goede mensen — er steekt zo veel goeds in hen. Er zijn dingen die de blanke man niet mag vergeten in verband met het verleden wanneer hij de neger beschouwt. De neger heeft de gelegenheid niet gekregen om te leren. In de tijd van de slavernij was het tegen de regels een neger te onderwijzen. Wij zijn de enige mensen die tegen onze wil naar dit land gekomen zijn. Anderen wilden hier dolgraag heen. Wij niet. Wij werden in ketenen geslagen en hierheen vervoerd. Ze hebben ons 300 jaar zonder loon laten werken. Wij hebben 300 jaar voor de blanke man gewerkt en hij heeft ons niet genoeg te eten of schoenen voor onze voeten gegeven. Hij heeft ons van de vroege ochtend tot de late avond laten werken, ons bij het minste of geringste met de zweep gegeven. En toen hij ons vrijliet, heeft hij ons nog geen kans gegeven om te leren. Hij wilde dat wij op de farm werkten en dat onze kinderen ook werkten en drie maanden per jaar naar school gingen.
En weet je wat voor school dat was? Een kerkje, omdat er geen school voor de neger was. Ruwe banken. Juni, juli en augustus, de heetste maanden van het jaar. Geen horren voor de ramen. Kinderen die op de grond zaten. Eén onderwijzer op 103 leerlingen, en al dat ongedierte dat binnenkwam. Wat kun je een kind in drie maanden leren? In één zomervakantie van Tuskegee heb ik er 108 onderwezen, van alle leeftijden.
In 1913 haalde ik mijn verpleegstersdiploma. In 1914 trouwde ik met Samuel Montgomery. Later vertrok hij om in de Eerste Wereldoorlog te vechten, en ik was zwanger van mijn enige kind. Kort nadat Samuel terugkwam, stierf hij. Met mijn zoontje ging ik per trein op reis om mijn zus in Illinois te bezoeken, in de verwachting daar een baan als verpleegster te vinden. Alle kleurlingen werden naar de wagon vlak achter de kolenwagen gestuurd. Het was warm, de ramen stonden open en wij zaten onder het roet en de as. Op de tweede dag waren onze boterhammen op en ik had geen melk voor de baby. Ik probeerde de restauratiewagen binnen te gaan maar werd tegengehouden door een zwarte bediende. ’Je mag hier niet binnen.’ ’Zouden ze me alleen wat melk voor mijn baby willen verkopen?’ Het antwoord was nee. Neely was het eerste onrecht dat mijn ziel in vlam zette. Dit was het tweede.
In 1925 trouwde ik met John Few, een bediende op een trein. Hij woonde in Saint Paul (Minnesota) en dus ging ik daar wonen. Dat brengt mij op het derde onrecht dat mijn ziel in vlam zette voor de kwestie van sociale gerechtigheid. In Saint Paul woonde ik veel noordelijker, maar het vooroordeel was groter dan in het Zuiden. Het districtsziekenhuis wilde mij niet als verpleegster aannemen. Ze zeiden dat ze nog nooit van een zwarte verpleegster hadden gehoord. Op Tuskegee hadden wij een goede opleiding gekregen en de patiënt was altijd nummer één, maar in Saint Paul was de huidkleur de lakmoesproef. Dus verkocht ik het huisje dat ik nog in Waynesboro had en gebruikte het geld als aanbetaling op een stuk grond en een gebouw. Ik begon een garage, nam vier automonteurs in dienst en had al gauw een goedlopend bedrijf.”
Ik ontdek de NAACP
„Het was omstreeks 1925 dat ik de NAACP [National Association for the Advancement of Colored People, een vereniging ter bestrijding van rassendiscriminatie en segregatie] ontdekte en me erin stortte. Had Booker T. Washington niet gezegd: ’Help je volk. Help hen vooruit te komen’? Het eerste wat ik deed, was naar de gouverneur van de staat gaan met een lange lijst van zwarte kiezers die een huis bezaten en belasting betaalden. Hij luisterde en hij zorgde ervoor dat een jonge zwarte verpleegster een baan kreeg bij hetzelfde districtsziekenhuis dat geweigerd had mij aan te nemen. De blanke verpleegsters behandelden haar echter zo verschrikkelijk — zij goten zelfs urine over al haar uniformen — dat zij naar Californië vertrok en arts werd.
Wat mijn garagebedrijf betreft, dat liep heel goed tot een dag in 1929. Ik had net $2000 bij mijn bank gestort, maar toen ik verder liep, begonnen de mensen te roepen dat de banken failliet waren. Ik moest nog twee afbetalingen op de garage doen. Ik raakte het bedrijf helemaal kwijt. Het geld dat ik nog in veiligheid kon brengen, deelde ik met mijn monteurs.
Niemand had geld. Ik kocht mijn eerste huis door mijn levensverzekeringspolis te verzilveren voor $300. Ik kreeg het huis voor $300. Ik verkocht bloemen, kippen en eieren; nam kostgangers en gebruikte extra geld om braakliggende percelen te kopen voor $10 per stuk. Ik had nooit honger en hoefde nooit naar de bijstand. Wij aten eieren. Wij aten kippen. Wij vermaalden hun botten om mijn varkens te voeren.
Later raakte ik bevriend met Eleanor Roosevelt en nauw bevriend met Hubert Humphrey. Meneer Humphrey hielp mij een groot flatgebouw te kopen in het blanke centrum van Saint Paul. De makelaar vreesde voor zijn leven en liet me daarom beloven twaalf maanden lang niets met het gebouw te doen.”
Een keerpunt in mijn leven
„In 1958 gebeurde er iets ongewoons dat ik nooit ben vergeten. Er kwamen twee blanken en een kleurling naar me toe op zoek naar een plaats waar zij de nacht konden doorbrengen. Ik dacht dat het een list was om mij problemen met de wet te bezorgen en daarom stelde ik hun urenlang vragen. Zij vertelden dat zij Jehovah’s Getuigen waren die het land door reisden naar een congres in New York. Zij lieten mij zien wat de bijbel zegt over Gods voornemen: een paradijsaarde waar geen vooroordeel zal heersen. Een interraciale broederschap. Ik dacht: ’Zouden zij kunnen hebben waar ik al die jaren naar gezocht heb?’ Zij leken wat zij beweerden te zijn — broeders. Zij wilden de nacht niet apart, op verschillende plaatsen doorbrengen.
Een aantal jaren later bezocht ik een van mijn huurders van wie ik wist dat zij stervende was. Haar naam was Minnie. Toen ik vroeg wat ik voor haar kon doen, zei ze: ’Lees me alstublieft voor uit dat blauwe boekje daar.’ Het was De waarheid die tot eeuwig leven leidt, een boek dat was uitgegeven door Jehovah’s Getuigen. Bij elk bezoek kwam ik dus iets verder in het blauwe boekje. Op een dag stierf Minnie en toen ik naar haar flat ging, was er een blanke dame die Daisy Gerken heette. Zij was bijna totaal blind. Zij vertelde me dat zij met Minnie het blauwe boekje had bestudeerd. Daisy vroeg me of er iets in de flat was dat ik graag zou hebben. Ik zei: ’Alleen haar bijbel en het blauwe boekje.’
Ik wist dat als ik de dingen in dat blauwe boek in praktijk bracht, ik al mijn werk voor mijn volk zou moeten opgeven. Wat ik allemaal deed dat naar mijn mening de moeite waard was, is te veel om op te noemen. Ik organiseerde een vakbond voor de treinbedienden. Voor het gerecht bevocht ik voor sommigen van hen burgerrechten. Ik organiseerde demonstraties, soms in verscheidene delen van de stad tegelijk. Ik moest erop toezien dat mijn mensen de wet niet overtraden, en als zij dat toch deden, moest ik hen uit de gevangenis zien te krijgen. Ik was lid van ruim tien verenigingen, maar alleen van verenigingen die voor de burgerrechten opkwamen.
Daarom vond ik dat ik me geen zorgen kon maken over het hiernamaals. Mijn volk leed nu! Ik had flink wat personeel bij de NAACP, onder wie een blanke secretaresse. Van 1937 tot 1959 was ik vice-voorzitter van de NAACP in Saint Paul en van 1959 tot 1962 voorzitter. Ik organiseerde vier staten tot een conferentie en wist daar uiteindelijk te bereiken dat de NAACP haar nationale conventie in Saint Paul zou houden. Al doende leverde ik menig gevecht, elk een verhaal op zich. Voordat ik in 1962 op zeventigjarige leeftijd met pensioen ging, bracht ik een bezoek aan president John F. Kennedy. Helaas werd ik in die tijd zo in beslag genomen door het streven naar gerechtigheid op mijn manier, dat ik geen ruimte wilde maken voor Gods manier.”
Eindelijk ontdek ik de enige weg naar sociale gerechtigheid
„Daisy Gerken en ik hadden altijd telefonisch contact gehouden en zij kwam elk jaar bij me op bezoek. Niet lang nadat ik naar Tucson in Arizona was verhuisd, liep mijn geschenkabonnement op De Wachttoren af. Een pijnlijke knie hield me aan huis gebonden en dus was ik toen Adele Semonian, een van Jehovah’s Getuigen, aanbelde, gelukkig thuis. Wij begonnen samen de bijbel te bestuderen. Eindelijk drong de totale draagwijdte van de waarheid tot mij door. Ik besefte dat ik niet alle problemen van mijn volk kon oplossen en hen niet echt kon helpen ’vooruit te komen’. Het probleem was groter dan meneer Neely. Groter dan het Zuiden. Groter dan de Verenigde Staten. Groter dan deze wereld zelfs.
Het is een universeel strijdpunt. Wie heeft het recht de wereld te regeren? De mens? Gods vijand Satan? Of heeft de Schepper dat recht? De Schepper natuurlijk! Wanneer die strijdvraag eenmaal beslecht is, zullen de symptomen van de sociale onrechtvaardigheid waartegen ik heel mijn leven strijd had geleverd, verdwijnen. En wat ik ook gedaan had, voor zwart of blank, wij worden toch oud en sterven. God zal de aarde tot een paradijs maken met sociale gerechtigheid voor iedereen. Ik was opgetogen bij het vooruitzicht eeuwig te leven en voor de planten en dieren te zorgen en mijn naaste lief te hebben als mijzelf — daarmee het oorspronkelijke voornemen vervullend dat God had met de schepping van de man en vrouw hier op aarde (Psalm 37:9-11, 29; Jesaja 45:18). Ik was ook enthousiast te horen dat ik niet naar de hemel hoefde om daar op melk en honing te leven of de hongerdood te sterven!
Er zijn wel wat dingen die mij spijten, voornamelijk dat ik bij het streven naar sociale gerechtigheid, waaraan ik het grootste deel van mijn leven heb besteed, die in de verkeerde richting heb gezocht. Ik zou dolgraag God de energie van mijn jeugd hebben gegeven. Eigenlijk dacht ik dat ik dat deed, door andere mensen te helpen. Ik help nog steeds, maar nu door mensen te wijzen op de hoop op Gods koninkrijk onder Christus Jezus, de enige naam die onder de hemel is gegeven waardoor wij gered kunnen worden (Mattheüs 12:21; 24:14; Openbaring 21:3-5). Mijn vader zei altijd onder het tonen van een vuist: ’Als je je hand zo stevig dichthoudt, komt er niets in en gaat er niets uit.’ Ik wil mijn hand openen om anderen hulp te bieden.
Ik ben op 87-jarige leeftijd als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt. Ik kan het nu niet langzamer aan gaan doen, want mijn tijd is kort. Ik ben nog steeds actief, maar niet zo actief als vroeger. De afgelopen twee jaar heb ik misschien slechts twee gemeentevergaderingen gemist. Ik moet leren wat ik kan om mijn familie zo goed mogelijk te kunnen onderwijzen wanneer zij uit de doden opgewekt worden. Met de hulp van Adele sta ik tussen de twintig en dertig uur per maand in de velddienst.
Wel, deze dingen die ik verteld heb, zijn de voornaamste punten uit mijn leven. Ik kan je niet alles vertellen, want dan zouden we nog weken hier op deze boomstam zitten praten.”
Op dat moment gleed er een grote watermocassinslang over de stam en Addie riep uit: „Waar komt die slang nou vandaan?” Zij greep haar vishengel en de sliert vissen die zij had gevangen en vertrok. Het interview was afgelopen. — Verteld door Addie Clinton Few aan een „Ontwaakt!”-verslaggever. Kort na dit interview stierf Addie op 97-jarige leeftijd.