Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g94 22/5 blz. 9-15
  • Jongeren die een ’kracht bezitten die het normale te boven gaat’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jongeren die een ’kracht bezitten die het normale te boven gaat’
  • Ontwaakt! 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Lenae Martinez
  • Crystal Moore
  • Lisa Kosack
  • Ernestine Gregory
  • Een voor haar leeftijd ongekende wijsheid
    Ontwaakt! 1987
  • Wandel zoals onderricht door Jehovah
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Aan wie behoort uw lichaam toe?
    Ontwaakt! 1972
  • Wanneer doktoren trachten bloedtransfusies op te dringen
    Ontwaakt! 1974
Meer weergeven
Ontwaakt! 1994
g94 22/5 blz. 9-15

Jongeren die een ’kracht bezitten die het normale te boven gaat’

JE BENT jong. Nog maar twaalf jaar. Je hebt familie waar je van houdt. Je hebt fijne vrienden of vriendinnen op school. Je gaat wel eens naar het strand of de bergen in. Je bent vol ontzag als je naar een nachtelijke hemel bezaaid met sterren kijkt. Je hebt je hele leven nog voor je.

En nu heb je kanker. Dat nieuws is een slag als je zestig bent. Het is verpletterend als je twaalf bent.

Lenae Martinez

Zo leek het de twaalfjarige Lenae Martinez toe. Zij had de hoop eeuwig op een paradijsaarde te leven. Die hoop werd geschraagd door het bijbelonderwijs dat zij van haar ouders, die Jehovah’s Getuigen zijn, had ontvangen. Had zij niet zelf in de bijbel gelezen dat de aarde eeuwig zou blijven bestaan, dat ze geschapen was om voor altijd bewoond te worden en dat de zachtmoedigen de aarde zouden beërven, voorgoed? — Prediker 1:4; Jesaja 45:18; Mattheüs 5:5.

Nu lag zij in het Valley Kinderziekenhuis in Fresno (Californië, VS). Zij was opgenomen voor wat zich als een nierinfectie liet aanzien. Onderzoeken brachten echter aan het licht dat zij leukemie had. De artsen die Lenae behandelden, besloten dat er onmiddellijk een concentraat van rode bloedcellen en bloedplaatjes toegediend en met chemotherapie begonnen moest worden.

Lenae zei dat zij geen bloed of bloedprodukten wilde, dat haar geleerd was dat God dat verbiedt, wat uit de bijbelboeken Leviticus en Handelingen blijkt. „Want het heeft de heilige geest en ons goedgedacht u geen verdere last toe te voegen dan deze noodzakelijke dingen: u te blijven onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht en van bloed en van al wat verstikt is en van hoererij” (Handelingen 15:28, 29). Haar ouders steunden haar in dit standpunt, maar Lenae beklemtoonde dat het haar beslissing was en dat het erg belangrijk voor haar was.

De artsen praatten verscheidene keren met Lenae en haar ouders. Desondanks kwamen zij op een middag nogmaals. Lenae zei over dit bezoek: „Ik voelde me erg zwak door alle pijn en had veel bloed opgegeven. Zij stelden me dezelfde vragen, maar op een andere manier. Ik zei weer tegen hen: ’Ik wil helemaal geen bloed of bloedprodukten. Ik zou zo nodig liever de dood aanvaarden dan mijn belofte aan Jehovah God om zijn wil te doen te verbreken.’”

Lenae vervolgde: „Zij waren de volgende ochtend terug. De bloedplaatjes daalden en mijn koorts was nog hoog. Ik merkte dat de dokters deze keer beter naar me luisterden. Hoewel mijn standpunt hun niet aanstond, zeiden zij wel dat ik een heel rijpe twaalfjarige was. Later kwam mijn kinderarts binnen om me te vertellen dat het hem speet maar dat alleen de chemotherapie en transfusies mij konden helpen. Hij ging weg en zei dat hij later terug zou komen.

Toen hij vertrok, begon ik heel hard te huilen, omdat ik hem heel mijn leven als dokter had gehad en ik nu het gevoel had dat hij me in de steek liet. Toen hij later binnenkwam, vertelde ik hem wat voor een gevoel hij me had gegeven — dat hij niet meer om me gaf. Dit verbaasde hem en hij zei dat het hem speet. Het was niet zijn bedoeling geweest mij te kwetsen. Hij keek me aan en zei: ’Nu, Lenae, als het dan zo moet zijn, zal ik je in de hemel terugzien.’ Hij zette zijn bril af en zei met ogen vol tranen dat hij van me hield en gaf me een stevige pakkerd. Ik bedankte hem en zei: ’Dank u wel. Ik houd ook van u, dr. Gillespie, maar ik hoop op een paradijsaarde te leven in de opstanding.’”

Vervolgens kwamen er twee artsen en een advocaat, die tegen Lenaes ouders zeiden dat zij met haar alleen wilden praten en hun vroegen de kamer uit te gaan, wat zij deden. Bij al deze gesprekken waren de artsen erg attent en vriendelijk geweest en zij waren onder de indruk van Lenaes welbespraaktheid en haar innige overtuiging.

Toen zij met haar alleen waren, vertelden zij haar dat zij stervende was aan leukemie en zeiden: „Maar bloedtransfusies zullen je leven verlengen. Als je bloed weigert, zul je binnen enkele dagen sterven.”

„Als ik bloed neem,” vroeg Lenae, „hoeveel langer zal ik dan blijven leven?”

„Zo’n drie tot zes maanden”, antwoordden zij.

„Wat kan ik in zes maanden doen?”, vroeg zij.

„Je zult sterk worden. Je kunt van alles doen. Je kunt Disney World bezoeken. Je kunt naar allerlei plaatsen gaan.”

Lenae dacht even na en antwoordde toen: „Ik heb Jehovah mijn hele leven gediend, twaalf jaar. Hij heeft mij eeuwig leven in het Paradijs beloofd als ik hem gehoorzaam. Ik wil mij nu niet voor zes maanden leven van hem afkeren. Ik wil getrouw zijn tot mijn dood. Ik weet dat hij mij dan op zijn bestemde tijd uit de dood zal opwekken en mij eeuwig leven zal geven. Dan zal ik volop tijd hebben voor alles wat ik wil doen.”

De artsen en de advocaat waren zichtbaar onder de indruk. Zij prezen haar en gingen weg en zeiden tegen haar ouders dat zij dacht en praatte als een volwassene en in staat was zelf beslissingen te nemen. Zij deden de ethische commissie van het Valley Kinderziekenhuis de aanbeveling Lenae als een rijpe minderjarige te beschouwen. Deze commissie — bestaande uit artsen en andere hulpverleners in de gezondheidszorg — nam samen met een hoogleraar ethiek van de Fresno State University het besluit Lenae zelf over haar medische behandeling te laten beslissen. Zij bezagen Lenae als een rijpe minderjarige. Er werd geen verzoek om een gerechtelijk bevel ingediend.

Na een lange, moeilijke nacht ontsliep Lenae in de ochtend van 22 september 1993 om half zeven in de armen van haar moeder. De waardigheid en kalmte van die nacht staan in de geest van de aanwezigen gegrift. Er waren 482 personen aanwezig bij de begrafenisdienst, onder wie artsen, verpleegkundigen en onderwijzers, die onder de indruk waren geraakt van Lenaes geloof en rechtschapenheid.

De ouders en vrienden van Lenae waren innig dankbaar dat de artsen en verpleegkundigen en de directie van het Valley Kinderziekenhuis zo opmerkzaam de rijpheid van deze minderjarige hadden onderscheiden en dat er geen rechtszaak nodig was geweest om tot die beslissing te komen.

Crystal Moore

Zo welwillend werd de zeventienjarige Crystal Moore niet behandeld toen zij werd opgenomen in het Columbia Presbyterian Medical Center in de stad New York. Zij leed aan een ulcereuze aandoening van de dikke darm. Bij haar opname in het ziekenhuis beklemtoonden Crystal en haar ouders herhaaldelijk dat zij bloedtransfusie weigerde. Zij wilde niet sterven; in plaats daarvan wilde zij een medische behandeling die strookte met het bijbelse gebod zich te onthouden van bloed. — Handelingen 15:28, 29.

Het medische team dat Crystal behandelde, was ervan overtuigd dat haar conditie een bloedtransfusie noodzakelijk maakte. Eén arts verklaarde botweg: „Als Crystal op donderdag 15 juni geen bloedtransfusie krijgt, is ze op vrijdag 16 juni dood!” Op 16 juni was Crystal niet dood en het ziekenhuis diende bij het Hooggerechtshof van de staat New York een verzoek in tot machtiging haar tegen haar wil transfusies toe te dienen.

Op de zitting, die in aller ijl die ochtend in het ziekenhuis georganiseerd werd, verklaarde een van de artsen dat Crystal onmiddellijk twee eenheden bloed nodig had en misschien minstens nog eens tien eenheden nodig zou hebben. Hij verklaarde verder dat als Crystal probeerde zich tegen de transfusies te verzetten, hij haar met haar polsen en benen aan het bed vast zou binden om de procedure uit te voeren. Crystal zei tegen de artsen dat zij zou „schreeuwen en krijsen” als zij zouden proberen haar een transfusie te geven en dat zij als een van Jehovah’s Getuigen elke toediening tegen haar wil van bloed even walgelijk vond als een verkrachting.

Ondanks de herhaalde verzoeken van haar advocaat tijdens de zitting kreeg Crystal niet de gelegenheid zelf het woord te voeren voor de rechtbank om te bewijzen dat zij in staat was zelf beslissingen te nemen. Hoewel Crystal kort tevoren in het kader van het Superjeugd-programma een onderscheiding had ontvangen voor haar uitnemende prestaties en leiderscapaciteiten op haar middelbare school, weigerde de rechter-commissaris haar een officiële verklaring voor de rechtbank te laten afleggen in verband met haar weigering van bloed. Dit kwam erop neer dat Crystal het recht werd ontzegd op een behoorlijke rechtsgang, zelfbeschikking over haar lichaam, persoonlijke privacy en vrijheid van godsdienst.

Hoewel de rechtbank Crystal niet wilde toestaan een officiële verklaring af te leggen, bracht de rechter wel een ongeveer twintig minuten durend bezoek aan Crystal om met haar te praten zonder dat er iemand anders in haar kamer aanwezig was. Na het bezoek zei de rechter dat Crystal „duidelijk bijzonder intelligent” en „zeer welbespraakt” was; zij legde uit dat Crystal „beslist gezond van verstand” was en „in staat zich goed uit te drukken”. Ondanks deze waarnemingen weigerde de rechtbank pertinent Crystal de gelegenheid te geven om over haar eigen medische behandeling te beslissen.

Op zondagochtend 18 juni moest Crystal met spoed geopereerd worden, waarin zij toestemde, maar zij bleef bloed weigeren. Bij de ingreep verloor zij nog geen 100 cc bloed. Toch beweerden de artsen dat een postoperatieve bloedtransfusie nodig zou kunnen zijn. Een andere arts verklaarde dat er geen transfusie nodig was. Hij had de afgelopen dertien jaar geregeld dergelijke gevallen zonder bloed behandeld en postoperatieve transfusies waren nooit nodig geweest.

Op 22 juni 1989 verleende de rechtbank het ziekenhuis tijdelijke zeggenschap over Crystal met het oog op bloedtransfusies, slechts toe te dienen indien dat „noodzakelijk zou zijn om haar leven te beschermen en te redden”. Deze zeggenschap werd beëindigd toen Crystal uit het ziekenhuis werd ontslagen. Crystal heeft nooit bloed nodig gehad en het is haar ook nooit toegediend, maar het is schokkend te zien hoe de rechtbank Crystal behandelde.

Sinds Crystal uit het ziekenhuis ontslagen werd, is zij cum laude geslaagd voor het eindexamen van de middelbare school. Kort daarna werd zij volle-tijdpredikster als een van Jehovah’s Getuigen. Zij werd rondleidster in de congreshal van Jehovah’s Getuigen in Jersey City en heeft zich opgegeven als lid van een ploeg vrijwilligers die Koninkrijkszalen bouwt en renoveert.

Toch zeiden de artsen van het Columbia Presbyterian Medical Center dat als zij op 15 juni geen bloedtransfusie kreeg, zij op 16 juni dood zou zijn, en dat als zij zich tegen de transfusie verzette, zij haar met haar polsen en benen vast zouden binden. Wanneer artsen die om een gerechtelijk bevel voor het toedienen van bloed verzoeken, schaamteloos verklaren dat als de rechter hun verzoek niet onmiddellijk inwilligt, de patiënt zal sterven, laten zij dan denken aan de zaak Crystal Moore.

Lisa Kosack

Lisa’s eerste nacht in het kinderziekenhuis van Toronto was erger dan een nachtmerrie. Zij was om vier uur ’s middags opgenomen en had onmiddellijk een reeks onderzoeken moeten ondergaan. Om kwart over elf die avond arriveerde zij pas op haar kamer. Om middernacht — maar laat Lisa vertellen wat er gebeurde. „Om middernacht kwam er een verpleegster binnen die zei: ’Ik moet je wat bloed geven.’ Ik riep uit: ’Ik wil geen bloed hebben want ik ben een van Jehovah’s Getuigen! Dat weet u toch wel! Dat weet u toch wel!’ ’O ja, zeker’, zei ze en trok onmiddellijk het infuus eruit en stak het bloed erin. Ik huilde en raakte helemaal buiten mezelf.”

Wat harteloos en wreed om een ziek en bang twaalfjarig meisje midden in de nacht in een onbekende omgeving zo te behandelen! Lisa’s ouders hadden haar naar het kinderziekenhuis in Toronto gebracht in de hoop er vriendelijke artsen aan te treffen die mee zouden werken. In plaats daarvan kreeg hun dochter de beangstigende middernachtelijke transfusie opgedrongen, ondanks het standpunt van zowel Lisa als haar ouders dat bloed of bloedprodukten een schending zijn van Gods wet en niet gebruikt mogen worden. — Handelingen 15:28, 29.

De volgende ochtend diende het ziekenhuis een verzoek in om een gerechtelijk bevel dat hen machtigde transfusies te geven. De rechtszitting, die werd voorgezeten door rechter David R. Main, duurde vijf dagen en werd gehouden in een kamer in het ziekenhuis, en Lisa was er alle vijf de dagen bij aanwezig. Lisa had acute myeloïde leukemie, een ziekte die meestal dodelijk is, hoewel de artsen verklaarden dat het genezingspercentage dertig bedroeg. Zij schreven veelvuldige bloedtransfusies en intensieve chemotherapie voor — een behandeling die met extreme pijn gepaard gaat en verzwakkende bijwerkingen heeft.

Op de vierde dag van de rechtszitting werd Lisa als getuige gehoord. Een van de vragen die haar werden gesteld, was hoe zij zich voelde toen zij tegen haar wil de middernachtelijke transfusie kreeg. Zij legde uit dat zij zich voelde als een hond die voor een dierproef werd gebruikt, dat het was alsof zij verkracht werd, en dat sommige mensen dachten dat zij alles maar met haar konden doen omdat zij minderjarig was. Zij vond het verschrikkelijk te zien dat zij het bloed van iemand anders in zich kreeg en vroeg zich af of zij er aids of hepatitis of een andere besmettelijke ziekte door zou krijgen. En bovenal vroeg zij zich bezorgd af wat Jehovah ervan zou denken dat zij zijn wet overtrad op het in haar lichaam krijgen van het bloed van iemand anders. Ze zei dat als het ooit weer gebeurde, zij „zou vechten en de infuusstandaard om zou schoppen en het infuus eruit zou trekken, hoeveel pijn dat ook zou doen, en gaten in het bloed zou steken”.

Haar advocate vroeg: „Hoe vind je het dat de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd heeft je aan de ouderlijke macht te onttrekken en je aan de Raad toe te vertrouwen?”

„Nu, daar word ik heel, heel erg kwaad om; ik vind ze wreed, omdat mijn ouders mij nooit hebben geslagen, ze hebben van me gehouden en ik houd van hen, en als ik ziek was omdat ik keelontsteking had of verkouden was of wat dan ook, hebben zij me altijd verzorgd. Hun hele leven draaide om mij, en ik zou het heel, heel erg gemeen vinden als iemand, alleen omdat zij een andere mening hebben, me gewoon bij hen weg zou halen, en het maakt me erg van streek.”

„Wil je sterven?”

„Nee, ik denk dat niemand wil sterven, maar als ik toch sterf zal ik niet bang zijn, want ik weet dat ik de hoop heb op eeuwig leven in een paradijs op aarde.”

Er bleven weinig ogen droog toen Lisa moedig sprak over haar komende dood, haar geloof in Jehovah en haar vastbeslotenheid gehoorzaam te blijven aan zijn wet inzake de heiligheid van bloed.

„Lisa,” vervolgde haar advocate, „zou het voor jou enig verschil maken als je wist dat de rechtbank je zou bevelen transfusies te accepteren?”

„Nee, want ik zal toch trouw blijven aan mijn God en naar zijn geboden luisteren, want God is veel hoger dan een rechtbank of een mens.”

„Lisa, wat zou je willen dat de rechter in deze zaak besliste?”

„Nu, wat ik zou willen dat de rechter in deze zaak besliste, is dat hij me gewoon terugstuurt naar mijn ouders en dat zij weer voor me mogen zorgen zodat ik gelukkig kan zijn, en dat ik naar huis kan gaan en in een gelukkige omgeving kan zijn.”

En die beslissing nam rechter Main inderdaad. Hier volgen passages van zijn uitspraak.

„L. heeft deze rechtbank duidelijk en nuchter verteld dat als er een poging wordt gedaan haar een bloedtransfusie toe te dienen, zij zich met alle kracht die zij kan opbrengen tegen die transfusie zal verzetten. Zij heeft gezegd, en ik geloof haar, dat zij zal schreeuwen en vechten en dat zij het infuus uit haar arm zal trekken en zal proberen de zak bloed boven haar bed te vernielen. Ik weiger enig bevel uit te vaardigen waardoor dit kind die beproeving wordt aangedaan.”

Over de gedwongen middernachtelijke transfusie zei hij:

„Ingevolge art. 15 lid 1 moet ik concluderen dat zij is gediscrimineerd op grond van haar religie en haar leeftijd. Onder de gegeven omstandigheden werd, toen haar een bloedtransfusie werd gegeven, inbreuk gemaakt op haar recht op onschendbaarheid van haar persoon ingevolge art. 7.”

Zijn indruk van Lisa zelf is interessant:

„L. is een knap, bijzonder intelligent, welbespraakt, beleefd, fijngevoelig en, bovenal, moedig persoontje. Zij bezit een voor haar leeftijd ongekende wijsheid en rijpheid en ik denk dat er gerust gezegd kan worden dat zij alle positieve hoedanigheden bezit die elke ouder graag in een kind zou zien. Zij heeft een goed overdachte, vaste en duidelijke religieuze overtuiging. Naar mijn mening zou alle raad uit ongeacht welke bron of druk van haar ouders of ieder ander, een bevel van deze rechtbank inbegrepen, haar religieuze overtuiging niet kunnen schokken of veranderen. Ik ben van mening dat L. K. de gelegenheid moet krijgen om met waardigheid en innerlijke vrede tegen deze ziekte te vechten.”

„Verzoek afgewezen.”

Lisa en haar ouders verlieten diezelfde dag het ziekenhuis. Lisa heeft inderdaad met waardigheid en innerlijke vrede tegen haar ziekte gevochten. Zij stierf vredig thuis, in de liefdevolle armen van haar vader en moeder. Daarmee schaarde zij zich in de rijen van talrijke andere jeugdige getuigen van Jehovah bij wie God de eerste plaats innam. Als gevolg daarvan zal zij zich met hen verheugen in de vervulling van Jezus’ belofte: „Wie zijn leven verliest ter wille van mij, zal het vinden.” — Mattheüs 10:39, voetnoot.

Ernestine Gregory

Op zeventienjarige leeftijd werd bij Ernestine de diagnose leukemie gesteld. Toen zij in het ziekenhuis werd opgenomen, weigerde zij toe te stemmen in het gebruik van bloedprodukten ter ondersteuning van de chemotherapie die de artsen van plan waren toe te passen. Wegens Ernestines weigering en het feit dat haar moeder haar keuze voor een bloedloze behandeling steunde, rapporteerde het ziekenhuis de zaak bij de functionarissen van de kinderbescherming in Chicago (Illinois, VS), die op hun beurt om een gerechtelijk bevel voor het gebruik van bloed verzochten. Tijdens de rechtszitting die daarop volgde, luisterde de rechtbank naar getuigenverklaringen van Ernestine, een arts, een psychiater en een advocate, alsook van andere betrokkenen.

Ernestine had haar arts verteld dat zij geen bloed wilde. Dat het haar eigen persoonlijke beslissing was, gebaseerd op wat zij in de bijbel had gelezen. Dat een onvrijwillige transfusie toegediend op bevel van de rechter, toch van gebrek aan respect voor Gods wet getuigde en in haar ogen verkeerd was, ongeacht het gezag van de rechtbank. Dat zij niet tegen een medische behandeling was en niet wilde sterven. Dat haar beslissing niet door de wens dood te gaan was ingegeven, niet suïcidaal was; zij was echter niet bang voor de dood.

De arts Stanley Yachnin verklaarde dat hij „onder de indruk was van Ernestines rijpheid, haar gevoel van eigenwaarde” en de oprechtheid van haar religieuze overtuiging. Hij zei ook dat Ernestine de aard en consequenties van haar ziekte begreep. Wegens haar inzicht achtte dr. Yachnin het niet nodig een psychiater of een psycholoog te consulteren.

Niettemin werd er een bij geroepen, de psychiater dr. Ner Littner, die, na met Ernestine gesproken te hebben, van mening was dat zij de rijpheid bezat van iemand tussen de 18 en 21 jaar. Hij verklaarde dat Ernestine er blijk van gaf de consequenties van het aanvaarden of weigeren van bloedtransfusies te begrijpen. Hij zei dat zij die aanvaardde, niet omdat iemand anders dat voor haar besliste, maar omdat zij er zelf in geloofde. Dr. Littner zei dat Ernestine in deze zaak zelf zou moeten mogen beslissen.

Jane McAtee, advocate voor het ziekenhuis, verklaarde dat zij na een gesprek met Ernestine geloofde dat Ernestine de aard van haar ziekte begreep en dat zij „volkomen in staat leek haar beslissing te begrijpen en de consequenties ervan te aanvaarden”.

Ook de rechtbank was zeer onder de indruk van Ernestines verklaring. De rechtbank concludeerde dat Ernestine een rijpe zeventienjarige was, dat Ernestine haar beslissing onafhankelijk had genomen en dat zij de hachelijke situatie waarin zij verkeerde, begreep. Maar hoewel zij bewees dat zij een rijpe jonge vrouw was die in staat was zelf weloverwogen, intelligente medische beslissingen te nemen in harmonie met haar diepgewortelde waardebepaling en overtuiging, willigde de rechtbank tot ieders verbazing het verzoek om een machtiging tot het toedienen van bloedtransfusies in.

Tegen de uitspraak van de rechtbank werd eerst beroep aangetekend bij het Hof van Appèl van Illinois. In een twee-tegen-één-beslissing bevond het Hof van Appèl dat Ernestine niet gedwongen mocht worden zich tegen haar wil aan bloedtransfusies te onderwerpen. Het hof redeneerde dat Ernestines in het Eerste Amendement vastgelegde recht op vrije beoefening van een godsdienst samen met haar grondwettelijke recht op privacy, haar recht als rijpe minderjarige beschermde om vanwege godsdienstige redenen bloedtransfusies te weigeren.

Daarop gingen de functionarissen van de kinderbescherming tegen de uitspraak van het Hof van Appèl in cassatie bij het Hooggerechtshof van Illinois. Het Hooggerechtshof van Illinois bevestigde de uitspraak en besliste dat ook al was Ernestine minderjarig, zij het recht had om een medische behandeling te weigeren waartegen zij bezwaren had. Dit hooggerechtshof baseerde zijn beslissing op het onder het Anglo-Amerikaanse rechtsstelsel geldende recht op lichamelijke zelfbeschikking en de rijpe-minderjarige-regel. De in Illinois te hanteren maatstaf in rijpe-minderjarige-zaken werd door het Hooggerechtshof van Illinois samengevat in de volgende verklaring:

„Indien het bewijsmateriaal duidelijk en overtuigend is dat de minderjarige rijp genoeg is om de consequenties van haar daden in te zien en dat de minderjarige rijp genoeg is om het oordeel des onderscheids van een volwassene aan te wenden, dan kent de rijpe-minderjarige-doctrine haar krachtens het Anglo-Amerikaanse rechtsstelsel het recht toe in een medische behandeling toe te stemmen of die te weigeren.”

Ernestine kreeg geen chemotherapie of transfusies, maar zij stierf niet aan haar leukemie, zoals de artsen de rechtbank hadden willen doen geloven. Ernestine was standvastig en liet God op de eerste plaats komen, net als de andere eerder genoemde jongeren. Elk van hen kreeg ’kracht die het normale te boven gaat’. — 2 Korinthiërs 4:7.

[Kader op blz. 13]

Gevaren van bloedtransfusie

In de uitgave van 14 december 1989 van The New England Journal of Medicine werd bericht dat een enkele eenheid bloed voldoende van het aidsvirus kan bevatten om zo’n 1,75 miljoen besmettingen te veroorzaken!

Nadat in 1987 bekend was geworden dat aids werd overgedragen via de van vrijwilligers afkomstige bloedvoorraad, verzuchtte het boek Autologous and Directed Blood Programs: „Dit was de bitterste van alle medische ironieën; dat het kostbare, levengevende bloed een instrument des doods kon blijken.”

Dr. Charles Huggins, directeur van de bloedtransfusiedienst bij een ziekenhuis in Massachusetts (VS), zei: „Het is de gevaarlijkste stof die wij in de geneeskunde gebruiken.”

In de Surgery Annual werd geconcludeerd: „Het is duidelijk dat de veiligste transfusie die is die niet wordt gegeven.”

Omdat bij patiënten die een operatie wegens kanker hebben ondergaan, het percentage dat opnieuw kanker krijgt veel hoger ligt onder degenen die bloed is toegediend, zei dr. John S. Spratt in de uitgave van september 1986 van The American Journal of Surgery: „De chirurg die een kankeroperatie verricht, moet misschien wel een chirurg worden die geen bloed gebruikt.”

In het blad Emergency Medicine werd gezegd: „Misschien zou aan onze ervaringen met Jehovah’s Getuigen de betekenis gehecht kunnen worden, dat wij ons niet in die mate op bloedtransfusies met al hun potentiële complicaties hoeven te verlaten als wij eens dachten.”

In het blad Pathologist werd naar aanleiding van de weigering van Jehovah’s Getuigen om bloed te nemen gezegd: „Er is heel wat bewijsmateriaal dat kracht bijzet aan hun bewering, de protesten van bloedbanken ten spijt.”

Dr. Charles H. Baron, hoogleraar in de rechtsgeleerdheid aan de Boston College Law School, zei over de weigering van Jehovah’s Getuigen om bloed te nemen: „De hele Amerikaanse samenleving [heeft] daar voordeel van getrokken. Niet alleen Jehovah’s Getuigen maar patiënten in het algemeen lopen tegenwoordig dank zij het werk van de Ziekenhuiscontactcomités van de Getuigen minder kans onnodige bloedtransfusies te krijgen.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen