Hij ’gedacht zijn Schepper in de dagen van zijn jeugd’
„ADRIAN slaagde er altijd in meer dan zijn portie ouderlijke aandacht te krijgen”, vertelde zijn vader. „Toen hij vier was, reed hij de auto van de familie tegen een boom, zodat iedereen te laat op de gemeentevergadering kwam. Toen hij vijf was, verzamelde hij tientallen kikkers en nam ze mee naar huis. Het duurde dagen voordat we die dingen kwijt waren. Wij voelden ons net een Egyptische familie ten tijde van de kikvorsenplaag uit de bijbel.
Op zijn elfde vond hij drie jonge wasbeertjes langs de grote weg en nam die in zijn boekentas mee naar school. Toen de onderwijzeres binnenkwam, was het een drukte van belang in de klas — de kinderen verdrongen zich rond Adrians boekentas en praatten opgewonden. De onderwijzeres keek erin, zag de wasbeertjes en reed met hem en zijn schatten naar een instelling die dieren opnam waarvan de moeder dood was. Adrian was in tranen bij de gedachte zijn kleintjes kwijt te raken, maar na een rondleiding door de instelling, waar hij jonge vosjes en andere wezen zag die goed verzorgd werden, liet hij zijn wasbeertjes daar achter.”
Zijn vader vervolgde: „Adrian was geen ondeugende jongen. Hij was gewoon erg druk. Met een levendige fantasie die het leven interessant hield.”
Adrians moeder belichtte een andere kant van hem — erg op het gezin gesteld, een huismus, een heel lieve jongen. Zij vertelt: „De kinderen op school beschreven hem als een jongen die niemand pijn zou doen. Een meisje in zijn klas had een laag IQ maar was niet achterlijk. Zij ging net als Adrian met de schoolbus. Andere kinderen dreven de spot met haar, maar haar moeder vertelde ons dat Adrian haar dochter altijd met respect en bijzonder vriendelijk behandelde. Hij had zijn serieuze kanten — hij was een denker en erg gevoelig, maar hij uitte zijn gevoelens niet vaak. Deed hij dat wel, dan verraste hij ons met heel rake opmerkingen.”
Zij besloot haar beoordeling van haar zoon met de woorden: „Door zijn ziekte werd hij snel volwassen en verdiepte zijn geestelijke gezindheid zich.”
Hij was niet te vermurwen — Geen bloed!
Zijn ziekte? Ja. Die begon in maart 1993, toen Adrian veertien jaar was. Er werd een snel groeiende tumor in zijn maag ontdekt. De artsen wilden een biopsie maar waren bang voor een hevige bloeding en zeiden dat een bloedtransfusie nodig zou kunnen zijn. Adrian zei nee. Hij was niet te vermurwen. Met tranen in zijn ogen zei hij: „Ik zou gewoon niet met mezelf kunnen leven als ik bloed krijg.” Hij en zijn familie waren Jehovah’s Getuigen, die bloedtransfusies afwijzen op de bijbelse gronden die in Leviticus 17:10-12 en Handelingen 15:28, 29 opgetekend staan.
In het Dr. Charles A. Janeway Gezondheidscentrum voor Kinderen in Saint John’s op Newfoundland werd Adrian, in afwachting van de biopsie — die zonder bloed verricht zou worden — door de oncoloog dr. Lawrence Jardine gevraagd te vertellen hoe hij precies over de bloedkwestie dacht.
„Kijk,” zei Adrian, „het zou niet uitmaken of mijn ouders Jehovah’s Getuigen zijn of niet. Ik zou toch geen bloed nemen.”
Dr. Jardine vroeg: „Besef je dat je wel eens dood zou kunnen gaan als je geen bloedtransfusie neemt?”
„Ja.”
„En daar ben je toe bereid?”
„Als het niet anders kan.”
Zijn moeder, die erbij was, vroeg: „En waarom neem je dat standpunt in?”
Adrian antwoordde: „Ma, het is geen goede ruil. Als ik God ongehoorzaam zou zijn en mijn leven nu met een paar jaar zou verlengen en dan wegens mijn ongehoorzaamheid aan God een opstanding en eeuwig leven op zijn paradijsaarde zou verspelen — dat is gewoon niet slim!” — Psalm 37:10, 11; Spreuken 2:21, 22.
De biopsie werd verricht op 18 maart. Adrian bleek een groot lymfkliergezwel te hebben. Een vervolgens verrichte beenmergbiopsie bevestigde de vrees dat hij leukemie had. Dr. Jardine legde nu uit dat een zeer agressief programma van chemotherapie met bloedtransfusies de enige manier was waarop Adrian mogelijkerwijs in leven kon blijven. Adrian weigerde echter nog steeds bloedtransfusies. Er werd met chemotherapie begonnen, zonder de transfusies.
Nu dit kritieke stadium in de behandeling bereikt was, bestond echter de vrees dat de Raad voor de Kinderbescherming zich ermee zou bemoeien en de rechter om een kinderbeschermingsmaatregel en de machtiging bloedtransfusies toe te dienen zou verzoeken. Bij de wet was het iedereen van zestien jaar of ouder toegestaan zelf over zijn behandeling te beslissen. Iemand die onder de zestien was, kon dat recht alleen krijgen indien hij als een rijpe minderjarige, een minderjarige met oordeel des onderscheids, geclassificeerd werd.
Voor het Hooggerechtshof van Newfoundland
Op zondagochtend 18 juli ondernam het plaatsvervangend hoofd van de Kinderbescherming inderdaad gerechtelijke stappen om Adrian aan de ouderlijke macht te onttrekken. Snel werd een uitstekend en zeer gerespecteerd advocaat, David C. Day, uit Saint John’s (Newfoundland) in de arm genomen om Adrian te vertegenwoordigen. Diezelfde middag, om 3.30 uur, hield het Hooggerechtshof van Newfoundland zitting met rechter Robert Wells als president.
Tijdens de middagzitting maakte dr. Jardine de rechter terdege duidelijk dat hij Adrian beschouwde als een rijpe minderjarige die innig overtuigd was van de onjuistheid van het gebruik van bloed en dat hij, dr. Jardine, Adrian had beloofd dat hij in het kader van welke behandeling ook, geen bloedtransfusie zou geven. Rechter Wells vroeg de arts of als het tot een gerechtelijk bevel tot transfusie kwam, hij die zou toedienen. Daarop antwoordde dr. Jardine: „Nee, ik persoonlijk zou dat niet doen.” Hij vermeldde dat Adrian van mening was dat zijn bijbelse hoop op eeuwig leven gevaar zou lopen. Het oprechte getuigenis van deze uitstekende arts was zowel verrassend als hartverwarmend en ontlokte de ouders van Adrian tranen van vreugde.
„Respecteer mij en mijn wensen alstublieft”
Toen het hof op maandag 19 juli weer bijeenkwam, overlegde David Day exemplaren van een beëdigde verklaring die Adrian — te ziek om in de rechtszaal te verschijnen — had opgesteld en getekend. Daarin stonden zijn eigen wensen ten aanzien van de behandeling van zijn ziekte zonder bloed of bloedprodukten. Adrian zei erin:
„Je denkt veel na als je ziek bent, en als je kanker hebt, weet je dat je misschien zal sterven en denk je daarover na. . . . Ik zal niet toestemmen in bloed of toelaten dat het gebruikt wordt; in geen geval. Ik weet dat ik misschien zal sterven als er geen bloed wordt gebruikt. Maar ik heb die beslissing genomen. Niemand heeft mij daartoe overgehaald. Ik heb heel veel vertrouwen in dr. Jardine. Ik geloof dat hij een man van zijn woord is. Hij zegt dat hij me een intensieve behandeling zal geven zonder dat er ooit bloed gebruikt wordt. Hij heeft me verteld welke risico’s eraan verbonden zijn. Dat begrijp ik. Ik weet wat het ergste risico is. . . . Ik denk er zo over: mocht ik bloed krijgen, dan zal het zijn alsof ik verkracht word, alsof ik lichamelijk aangerand word. Ik wil mijn lichaam niet als dat gebeurt. Daar kan ik niet mee leven. Ik wil geen enkele behandeling als daar bloed bij gebruikt wordt, zelfs niet als de kans erin zit. Ik zal me verzetten tegen het gebruik van bloed.” Adrians verklaring eindigde met dit dringende verzoek: „Respecteer mij en mijn wensen alstublieft.”
De hele zitting lang kon Adrian zijn kamer in het ziekenhuis niet verlaten en rechter Wells was zo vriendelijk hem daar op te zoeken, in aanwezigheid van David Day. In het verslag dat de heer Day van dat gesprek uitbracht, gaf hij de essentie van Adrians treffende, pakkende opmerkingen tegen de rechter over dit ene thema als volgt weer: „Ik weet dat ik erg ziek ben en ik weet dat ik misschien zal sterven. Sommige dokters zeggen dat bloed zal helpen. Dat denk ik niet, gezien alle gevaren die ik erover lees. Of het nu helpt of niet, mijn geloof is tegen bloed gekant. Respecteert u mijn geloof, dan respecteert u mij. Als u mijn geloof niet respecteert, zal ik me aangerand voelen. Respecteert u mijn geloof wel, dan kan ik mijn ziekte met waardigheid dragen. Geloof is zo ongeveer het enige wat ik heb en nu is dat het belangrijkste wat ik nodig heb om mij te helpen tegen de ziekte te vechten.”
De heer Day maakte zelf ook enkele opmerkingen over Adrian: „Hij was een cliënt die zijn ernstige ziekte geduldig, stoïcijns en moedig wist te verwerken. Er sprak vastbeslotenheid uit zijn ogen, ingehouden vertrouwen uit zijn stem en lef uit zijn manier van doen. Bovenal proefde ik uit zijn woorden en lichaamstaal een vast geloof. Zijn signatuur was geloof. Een niet van wijken wetende ziekte vergde van hem dat hij bruggen sloeg tussen jeugdige dromen en volwassen realiteit. Zijn geloof hielp hem daarbij. . . . Hij was zonder enige aarzeling openhartig en, naar mijn idee, eerlijk. . . . Ik was mij bewust van de mogelijkheid dat zijn ouders hem hun afwijzing van het gebruik van bloed bij zijn medische behandeling [hadden opgedrongen]. . . . Ik was ervan overtuigd [dat] het zijn eigen mening was toen hij als zijn wens te kennen gaf een medische behandeling zonder bloed te ontvangen.”
Bij een andere gelegenheid merkte de heer Day over Adrians overtuiging op dat die „kostbaarder voor hem was dan het leven zelf” en voegde eraan toe: „Deze standvastige jonge man, geconfronteerd met zulke problemen, geeft mij het gevoel dat alle narigheid in mijn leven niets te betekenen heeft. Hij zal voor altijd in mijn herinnering gegrift staan. Hij is een rijpe minderjarige met een reusachtige moed en intelligentie en een enorm inzicht.”
De uitspraak — Adrian een rijpe minderjarige
Op maandag 19 juli werd de rechtszaak afgesloten en deed rechter Wells uitspraak. Die uitspraak werd later gepubliceerd in de Human Rights Law Journal van 30 september 1993. Hier volgen wat passages eruit:
„Om de volgende redenen worden de verzoeken van het hoofd van de Kinderbescherming afgewezen; het kind heeft geen bescherming nodig; het gebruik van bloed of bloedprodukten in de vorm van een bloedtransfusie of -injectie is niet bewezen essentieel te zijn en zou onder de bijzondere omstandigheden van dit geval schadelijk kunnen zijn.
Tenzij een verandering in de omstandigheden een verder bevel noodzakelijk maakt, is het gebruik van bloed of bloedprodukten bij zijn behandeling verboden: en vastgesteld is dat de jongen een rijpe minderjarige is wiens wens een medische behandeling zonder bloed of bloedprodukten te ontvangen, gerespecteerd dient te worden. . . .
Het lijdt geen twijfel dat deze ’jonge persoon’ zeer moedig is. Ik ben van mening dat hij de steun van een liefdevolle en zorgzame familie geniet en ik vind dat hij zijn beproeving zeer moedig draagt. Zijn religieuze overtuiging behelst onder meer dat het voor hem onjuist is bloedprodukten te gebruiken door ze in zijn lichaam gebracht te krijgen, met welk doel dat ook mag gebeuren . . . Ik heb een beëdigde verklaring kunnen lezen die gisteren door A. was opgesteld en naar zijn moeder kunnen luisteren, die getuigde, en ik heb met A. zelf kunnen praten.
Ik ben ervan overtuigd dat hij met heel zijn hart gelooft dat het verkeerd zou zijn bloed te nemen en dat als hij gedwongen werd onder de gegeven omstandigheden bloed te nemen, dat een schending van zijn lichaam, een schending van zijn privacy en een schending van zijn hele wezen zou zijn, zozeer dat het een zware belasting zou zijn voor zijn kracht en zijn vermogen de verschrikkelijke beproeving te dragen die hij moet ondergaan, wat de uitslag ook mag zijn.
Ik ben het ermee eens dat de dokter iets heel zinnigs opmerkte toen hij zei dat de patiënt meewerkend en positief tegenover chemotherapie en andere kankertherapieën moet staan wil er enige hoop, enige reële hoop, op succes zijn, en dat een patiënt die iets opgedrongen wordt wat in strijd is met zijn diepste overtuiging, een patiënt zou zijn wiens vooruitzichten bij de behandeling drastisch verminderd zouden zijn. . . .
Ik denk dat wat A. is overkomen, hem gerijpt heeft in een mate die ondenkbaar zou zijn voor een vijftienjarige die niet geconfronteerd wordt en leeft met dat waarmee hij leeft en geconfronteerd wordt. Ik denk dat wat hij meemaakt, een ervaring is die de slechtst denkbare is, en ik vermoed dat hun geloof een van de dingen is die hem en zijn familie op de been houden. Ik denk dat wat er gebeurd is, A. een rijpheid heeft gegeven die de normaal te verwachten rijpheid bij een vijftienjarige te boven gaat. Ik denk dat de jongen met wie ik vanochtend heb gesproken, door deze tragische ervaring sterk verschilt van een gezonde vijftienjarige.
Ik denk dat hij rijp genoeg is om een krachtig standpunt te uiten en dat heeft hij tegenover mij gedaan . . . Ik ben er ook van overtuigd dat het juist is . . . dat ik zijn wensen in aanmerking neem en dat doe ik. Het is zijn wens dat hem geen bloedprodukten worden toegediend, en ik ben er ook van overtuigd dat als deze wens op de een of andere manier geweld wordt aangedaan door het hoofd [van de Kinderbescherming], daartoe gemachtigd door deze rechtbank, zijn belangen duidelijk en in zeer reële zin geschaad zouden worden . . . Daarbij komt nog dat indien hij — en dat is heel goed mogelijk — inderdaad aan deze ziekte zou bezwijken, dat zou gebeuren in een geestesgesteldheid die, zijn godsdienstige overtuiging in aanmerking genomen, zeer droevig, zeer ongelukkig en zeker niet gewenst zou zijn. Al deze dingen neem ik in aanmerking. . . .
Ik acht het onder alle omstandigheden juist, het verzoek om bloedprodukten bij de behandeling van A. te mogen gebruiken af te wijzen.”
Adrians boodschap aan rechter Wells
Het was een opmerkelijk attente boodschap die deze jonge knaap, die wist dat hij stervende was, aan rechter Robert Wells stuurde en die door de heer David Day als volgt werd overgebracht: „Ik denk dat ik in mijn plicht te kort zou schieten als ik u niet uit naam van mijn cliënt, met wie ik nadat u vandaag het ziekenhuis verliet, slechts even heb gesproken, uit de grond van zijn hart, en dat is een heel groot hart, zou bedanken dat u deze zaak met spoed, fijngevoelig en bijzonder billijk hebt behandeld. Hij is u zeer dankbaar, Edelachtbare, en ik wil dat dit in de stukken opgenomen wordt. Dank u.”
Adrians moeder vertelt de afloop.
„Na de rechtszaak vroeg Adrian aan dr. Jardine: ’Hoe lang heb ik nog?’ Het antwoord van de dokter luidde: ’Eén of twee weken.’ Ik zag mijn zoon één traan vergieten; hij had zijn ogen stevig dichtgeknepen, maar die traan wist te ontsnappen. Ik wilde mijn armen om hem heen slaan, maar hij zei: ’Niet doen, Ma. Ik ben aan het bidden.’ Na enkele ogenblikken vroeg ik: ’Wat denk je nu allemaal, Adrian?’ ’Ma, ik kom toch weer tot leven, ook al sterf ik. En als ik nog maar twee weken te leven heb, wil ik daarvan genieten. Dus u moet opgewekt zijn.’
Hij wilde een bezoek brengen aan het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Georgetown (Canada). Dat gebeurde. Hij zwom er in het zwembad met een van zijn vrienden. Hij ging naar een wedstrijd van het Blue Jays honkbalteam en liet zich fotograferen met enkele van de spelers. Het belangrijkste was dat hij zich in zijn hart aan het dienen van Jehovah God had opgedragen, en nu wilde hij dat symboliseren door de waterdoop. Zijn toestand was nu erg achteruitgegaan en hij was terug in het ziekenhuis en kon het niet meer verlaten. Daarom waren de verpleegkundigen zo vriendelijk het zo te regelen dat hij een van de roestvrij stalen badkuipen in de fysiotherapieruimte kon gebruiken. Daar werd hij op 12 september gedoopt; hij stierf de dag erna, op 13 september.
Zijn begrafenis was de grootste die het uitvaartcentrum ooit had meegemaakt — verpleegkundigen, artsen, ouders van patiëntjes, klasgenoten, buren en veel van zijn geestelijke broeders en zusters uit zijn eigen gemeente en andere gemeenten. Als ouders waren wij ons nooit bewust geweest van de geweldige eigenschappen die onze zoon bleek te bezitten nu hij al zijn beproevingen verduurde, of van de vriendelijkheid en attentheid die deel uitmaakten van zijn zich ontwikkelende christelijke persoonlijkheid. De geïnspireerde psalmist zei: ’Zonen zijn een erfdeel van Jehovah.’ Dat was deze zeker, en wij verlangen ernaar hem terug te zien in Jehovah’s nieuwe wereld van rechtvaardigheid, die nu spoedig werkelijkheid zal worden op een paradijsaarde.” — Psalm 127:3; Jakobus 1:2, 3.
Laten wij uitzien naar de vervulling voor Adrian van Jezus’ belofte in Johannes 5:28, 29: „Verwondert u hierover niet, want het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen, zij die goede dingen hebben gedaan, tot een opstanding des levens, zij die verachtelijke dingen hebben beoefend, tot een opstanding des oordeels.”
Door bloedtransfusies te weigeren die mogelijk zijn huidige leven gerekt zouden hebben, bewees Adrian Yeatts een van de vele jonge mensen te zijn bij wie God de eerste plaats inneemt.
[Kader op blz. 5]
’Het leven is in het bloed’
Bloed is ongelofelijk ingewikkeld; het bereikt elke cel in het lichaam. In één druppel transporteren 250.000.000 rode bloedcellen zuurstof en verwijderen ze kooldioxide; speuren 400.000 witte cellen naar ongewenste indringers en vernietigen ze die; verzamelen 15.000.000 bloedplaatjes zich onmiddellijk ter plekke als ergens een snee zit en brengen ze de stolling op gang om de wond af te sluiten. Al deze cellen zweven in een helder, ivoorkleurig plasma, dat zelf honderden bestanddelen telt die een vitale rol spelen bij de lange lijst taken van het bloed. Wetenschappers begrijpen niet alles wat het bloed doet.
Geen wonder dat Jehovah God, de Schepper van deze verbazingwekkende vloeistof, verklaart dat ’het leven in het bloed is’. — Leviticus 17:11, 14.
[Kader op blz. 7]
Harttransplantatie zonder bloed
Vorig jaar oktober werd de driejarige Chandra Sharp opgenomen in een ziekenhuis in Cleveland (Ohio, VS), met een hart dat niet alleen vergroot was maar ook niet goed meer functioneerde. Zij was ondervoed, haar groei was achtergebleven, zij woog maar negen kilo en zij had een harttransplantatie nodig. Zij zou nog maar een paar weken te leven hebben. Haar ouders stemden toe in de transplantatie maar niet in bloedtransfusie. Zij zijn Jehovah’s Getuigen.
Dit was voor de chirurg, dr. Charles Fraser, geen punt. De in Michigan verschijnende Flint Journal berichtte op 1 december 1993: „Fraser zei dat de Cleveland Clinic en andere medische centra bedreven worden in het verrichten van veel operaties — waaronder transplantaties — zonder de patiënt bloed van andere mensen toe te dienen. ’Wij hebben meer geleerd over het zuinig omspringen met bloed en over het op gang brengen van de hartlongmachine met andere oplossingen dan bloed’, zei Fraser.” Hij voegde daaraan toe: „Sommige gespecialiseerde ziekenhuizen verrichten al tientallen jaren grote cardiovasculaire operaties zonder bloedtransfusies. . . . Wij proberen altijd te opereren zonder (toediening van) bloed.”
Op 29 oktober verrichtte hij de harttransplantatie bij Chandra zonder bloed. Een maand later werd bericht dat het goed ging met Chandra.