Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g94 8/5 blz. 12-14
  • Tovenaars noch goden

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Tovenaars noch goden
  • Ontwaakt! 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • „Ze is nog maagd!”
  • ’Je zult bloed nemen’
  • „Jehovah staat aan mijn zijde”
  • „Wij zijn geen tovenaars”
  • ’Blijf je God dienen’
  • De beslissing die haar leven redde
    Ontwaakt! 1979
  • Voor een medische noodsituatie gesteld
    Ontwaakt! 1996
  • Wanneer doktoren trachten bloedtransfusies op te dringen
    Ontwaakt! 1974
  • Mijn leven als chirurg
    Ontwaakt! 1974
Meer weergeven
Ontwaakt! 1994
g94 8/5 blz. 12-14

Tovenaars noch goden

VERTELD DOOR MERCY UWASI, NIGERIA

DE PIJN begon op een zonnige, Westafrikaanse middag in maart 1992. Ik was met mijn familie naar ons stukje grond gegaan om cassave te oogsten. Daar kreeg ik een brandende pijn in mijn buik. Tegen de tijd dat wij thuiskwamen, was de pijn een laaiend vuur geworden. Ik moest braken; ik had moeite met ademen. Hoewel ik door de pijn bijna niet kon staan of lopen, slaagde mijn moeder erin mij in een taxi te krijgen, die daarop met spoed naar het algemene ziekenhuis in de buurt reed.

In het ziekenhuis was de dienstdoende arts toevallig een man aan wie ik wel eens getuigenis had gegeven over de bijbelse hoop. De dokter raakte mijn buik aan; die was gezwollen. Hij vroeg of ik bloed had verloren, en mijn moeder zei ja, want ik had mijn menstruatie.

„Uw dochter is vijf maanden zwanger”, zei de dokter. „De oorzaak van het bloedverlies is dat zij heeft geprobeerd abortus te plegen.”

Moeder wierp tegen: „Nee dokter! Zo’n meisje is zij niet.”

„Dat moet u niet zeggen. De meisjes van tegenwoordig bedriegen hun ouders. Zij is zwanger.”

Toen kon ik mij niet langer stilhouden. Ik zei dat ik een van Jehovah’s Getuigen was en dat ik in een christelijk gezin was grootgebracht en dat mijn door de bijbel geoefende geweten mij niet toestond een immorele daad te bedrijven.

Als antwoord zei de dokter tegen mijn moeder: „Mevrouw, laten we religie erbuiten laten en realistisch zijn. Ik zeg u dat dit meisje vijf maanden zwanger is.”

„Kom mee”, zei Moeder tegen mij. „We gaan naar een ander ziekenhuis.” Toen wij het gebouw uitkwamen, ging ik huilend in het gras zitten omdat ik zo’n pijn had. Moeder haastte zich met mij naar huis en vertelde mijn vader wat de dokter had gezegd.

Zij besloten mij naar een groter en moderner ziekenhuis, een academisch ziekenhuis, te brengen. Op weg daarheen bad ik tot Jehovah om mij te redden, zodat de mensen geen smaad op zijn heilige naam zouden werpen door te zeggen dat ik als gevolg van een ongewenste zwangerschap gestorven was. Ik zei dat als ik zou sterven en die dokter zou Jehovah’s Getuigen naar hem toe zien komen om te prediken, hij zou zeggen: ’Was het niet een van jullie mensen die hier een tijdje geleden kwam omdat ze zwanger was?’ Ik bad ook dat ik in staat zou zijn om naar die dokter terug te gaan en hem nog eens getuigenis te geven.

„Ze is nog maagd!”

In het grotere ziekenhuis ontstond weer dezelfde woordenwisseling die wij in het eerste ziekenhuis hadden gehad; de artsen dachten dat ik zwanger was. De pijn was verschrikkelijk. Ik huilde. Een van de artsen zei op ruwe toon: „Dat doen jullie meisjes altijd. Eerst word je zwanger, en dan begin je te schreeuwen.”

De artsen deden een paar onderzoeken. Intussen begonnen zij mij kortaf allerlei vragen te stellen. „Ben je getrouwd?”

„Nee”, zei ik.

„Hoe oud ben je?”

„Achttien.”

„Hoeveel vriendjes heb je?”

„Ik heb geen vriendjes.”

Toen riep de arts die het hoofd van de afdeling was: „Wat vertel je me nu? Wil je zeggen dat je op achttienjarige leeftijd nog met niemand naar bed gaat?” Opnieuw, net als in het eerste ziekenhuis, legde ik mijn christelijke standpunt uit. Toen vroeg hij of ik een van Jehovah’s Getuigen was. Ik zei ja. Daarna stelde hij geen enkele vraag meer.

De onderzoeken wezen uit dat ik niet zwanger was. Moeder hoorde een van de artsen tegen de anderen zeggen: „Ze is nog maagd!” De artsen boden hun verontschuldigingen aan en zeiden: „U kunt het ons niet kwalijk nemen dat we zo dachten. We maken dat elke dag met meisjes mee.” Die vuurdoop was echter nog maar het begin van mijn beproevingen.

’Je zult bloed nemen’

Door middel van echografie werd vastgesteld dat ik een gezwel aan een van mijn eileiders had. Het had de afmeting van een kleine grapefruit. Ik moest geopereerd worden.

Zonder te aarzelen zei ik hun dat ik geen bloedtransfusie zou aanvaarden, maar wel alternatieve vloeistoffen. Zij hielden vol dat bloedtransfusie absoluut noodzakelijk was.

Een van de medisch studenten ging tegen mij tekeer en zei: „Jij zegt hetzelfde als een van jullie leden een tijdje terug. Maar toen zijn toestand achteruitging, aanvaardde hij een bloedtransfusie.”

„Met mij is het anders,” antwoordde ik, „want mijn ja is ja en mijn nee is nee. Ik zal nooit mijn rechtschapenheid opgeven.”

Later kwamen er drie artsen aan mijn bed om naar mijn standpunt inzake bloed te informeren. Ik legde uit dat de bijbel zegt dat christenen zich moeten „onthouden . . . van bloed”. — Handelingen 15:20.

„Maar je neemt het niet via je mond”, argumenteerden zij. „Je neemt het via een ader.”

Ik zei dat het niet uitmaakte of je het via de mond of via een ader nam, het blijft hetzelfde.

Op zaterdag 14 maart, een week nadat de pijn was begonnen, werd ik door de hoofdchirurg onderzocht. Hij zou mij opereren. Tegen die tijd was mijn buik tot aan mijn borst opgezwollen.

Hij vroeg: „Hebben ze je erover ingelicht dat je bloed zult moeten nemen?”

„Dat hebben ze me gezegd, dokter, maar ik neem geen bloed”, antwoordde ik.

„Laat ik je één ding vertellen”, ging hij verder. „Je zult het nemen. Als je het niet neemt, zul je sterven. Als er maandag, wanneer ik kom, geen bloed voor je klaarstaat, opereer ik niet. Geen bloed, geen operatie.”

Toen zag hij een boek naast mijn bed liggen en vroeg: „Is dit je bijbel?” Ik zei nee; het was mijn exemplaar van het boek De grootste mens die ooit heeft geleefd.a Hij zei dat ik het boek moest gebruiken om te bidden dat ik niet zou sterven. Ik legde uit dat wij onze gebeden niet uit een boek voorlezen. Wanneer wij een probleem hebben, bidden wij altijd vanuit ons hart tot Jehovah.

De daaropvolgende twee dagen kwamen er steeds artsen en verpleegsters naar mij toe om mij onder druk te zetten, zodat ik zou toestemmen in een bloedtransfusie. Ze zeiden dat ik te jong was om te sterven. „Neem bloed en leef!”, zeiden ze.

„Jehovah staat aan mijn zijde”

In die moeilijke tijd las ik Psalm 118, die gedeeltelijk luidt: „Vanuit de benauwende omstandigheden riep ik Jah aan; Jah antwoordde en stelde mij in een ruime plaats. Jehovah staat aan mijn zijde; ik zal niet vrezen. Wat kan de aardse mens mij doen?” — Psalm 118:5, 6.

Toen ik over deze verzen had gemediteerd, was mijn geloof in Jehovah versterkt. De ochtend daarop kwamen mijn ouders naar het ziekenhuis. Ik liet hun die psalm zien, en ook zij voelden zich versterkt in het geloof.

Intussen steunden Vader en Moeder mij niet alleen in mijn beslissing om geen bloed te nemen, maar zij baden ook voor mij. Leden van mijn gemeente zonden voortdurend gebeden voor mij op en moedigden mij steeds aan met gedachten uit de bijbel.

„Wij zijn geen tovenaars”

Op maandag 16 maart, de ochtend waarop de operatie zou plaatsvinden, kwam een van de artsen mijn kamer in en zag dat ik mijn Medische richtlijn-kaart, waarop mijn standpunt inzake bloedtransfusie wordt uiteengezet, in mijn hand had. Hij zei: „Wat is dat? Meen je werkelijk wat je steeds gezegd hebt?”

„Ja, ik neem geen bloed.”

„Welnu,” zei hij, „dat betekent dat je operatie niet doorgaat. Geen operatie.”

Toen belde de dokter vanuit mijn kamer mijn moeder op. Die zei: „Zij is oud genoeg om zelf een beslissing te nemen. Ik kan niet voor haar beslissen. Zij zegt dat haar door de bijbel geoefende geweten haar niet toestaat bloed te nemen.”

Daarop gooide hij mijn papieren op de tafel en stormde de kamer uit. Vijf uur lang hoorden wij niets meer. Ik had pijn en kon niet eten. En er was geen ander ziekenhuis in de buurt.

Toen werd er tot mijn verbazing een brancard binnengebracht om mij naar de operatiezaal te brengen. Ik hield mijn „Geen bloed”-kaart stevig vast. Op weg naar de operatiezaal zag ik chirurgische instrumenten en zakjes bloed. Ik begon heel erg te huilen en zei dat ik geen bloed zou nemen. Een van de verpleegsters zei dat ik de kaart op de grond moest gooien. Ze zei dat ik hem niet naar de zaal kon meenemen. Ik zei dat ik niet zonder de kaart naar binnen zou gaan en dat ik hem aan de hoofdchirurg wilde laten zien. Toen griste de verpleegster de kaart uit mijn hand, nam hem mee de operatiezaal in en liet hem aan de chirurg zien. Onmiddellijk kwamen de hoofdchirurg en vijf andere artsen in hun operatieschorten naar mij toe.

De hoofdchirurg was woedend. Hij riep mijn moeder erbij, wees op mijn buik, en zei tegen haar: „Kijk, mevrouw, wij weten niet wat wij daarbinnen zullen aantreffen. Als wij heel wat moeten snijden, zal dat tot hevige bloedingen leiden. Wilt u haar laten doodbloeden?”

Mijn moeder antwoordde hem: „Dokter, ik weet dat Jehovah met het meisje zal zijn. En hij zal ook met u zijn. Doet u gewoon alles wat u kunt en laat de rest aan Jehovah over.”

Toen zei de dokter: „Wij zijn geen tovenaars of kruidendokters. Wij houden ons aan wat wij geleerd hebben. Ik kan deze operatie niet zonder bloed verrichten.”

Opnieuw smeekte mijn moeder hem of hij gewoon alles wilde doen wat hij kon. Ten slotte stemde hij erin toe zonder bloed te opereren. Hij vroeg mij of ik bang was. Ik antwoordde: „Ik ben niet bang voor de dood. Ik weet dat Jehovah met mij is.”

’Blijf je God dienen’

De operatie duurde nog geen uur. Zij maakten mij open en konden de tumor heel gemakkelijk verwijderen, tot verbazing van het ziekenhuispersoneel.

Naderhand zei een van de artsen tegen Moeder dat de medisch studenten ’s avonds in hun woongebouw over mijn geval hadden gesproken. Wanneer moeder of ik nu naar dat ziekenhuis gaan, geven zij ons een speciale behandeling.

Twee dagen na mijn operatie kwam de chirurg de afdeling binnen waar ik lag, vroeg hoe het met mij ging, en zei toen: „Je moet je God blijven dienen. Hij heeft je werkelijk geholpen.”

[Voetnoot]

a Uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen