Een leven dat ik niet anders gewild zou hebben
VEEL mensen betreuren het leven dat zij geleid hebben. Zij zeggen soms: ’Als ik mijn leven toch eens over kon doen, hoeveel dingen zou ik dan anders doen!’ Maar als ik over mijn leven nadenk — dat toch niet gemakkelijk is geweest — kom ik tot de conclusie dat het een leven is geweest dat ik niet anders gewild zou hebben.
Ik ben door mijn ouders grootgebracht als een van Jehovah’s Getuigen en kreeg van kindsbeen af Gods wetten in mijn hart geprent (2 Timotheüs 3:15). Ik kan me geen tijd herinneren dat ik niet naar vergaderingen en congressen van Jehovah’s Getuigen ging. En als klein meisje ging ik ook met oudere Getuigen mensen bezoeken om hen te helpen de bijbelse hoop te leren kennen op eeuwig leven op een paradijselijke aarde onder de heerschappij van Gods koninkrijk (Mattheüs 24:14). Ik herinner me nog dat ik toen ik vijf jaar was anderen de brochure Het Koninkrijk, De Hoop der Wereld aanbood.
Mijn ouders hoorden de waarheid over Gods koninkrijk voor het eerst in 1917. Hoewel zij kerkgangers waren, herkenden zij de klank der waarheid in een lezing die een reizende vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap hield in Bridgeton (New Jersey, VS). Mijn grootvader luisterde naar dezelfde lezing en ook hij was ervan overtuigd dat wat hij hoorde de waarheid was. Toen ik veertien was, werd ik op een congres van Jehovah’s Getuigen in Detroit (Michigan) gedoopt om te symboliseren dat ik mijn leven aan Jehovah had opgedragen.
In die jaren werden onze wekelijkse bijeenkomsten voor bijbelstudie in onze huiskamer gehouden. Uiteindelijk werd er een winkel gekocht, die tot Koninkrijkszaal werd verbouwd. Er waren destijds maar weinig Koninkrijkszalen. Maar nu bieden wereldwijd tienduizenden van zulke zalen plaats aan ruim 70.000 gemeenten van Jehovah’s Getuigen.
De volle-tijddienst in
Mijn moeder begon haar loopbaan als volle-tijdpredikster in 1939 en bleef dat tot haar dood op 85-jarige leeftijd. Mijn broer Dick en ik begonnen onze loopbaan in de volle-tijddienst op 1 april 1941, toen in Europa de Tweede Wereldoorlog woedde en Jehovah’s Getuigen alom met tegenstand te kampen hadden wegens hun neutrale standpunt ten aanzien van de politiek.
Drie van de jonge mannelijke Getuigen in onze gemeente werden tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens hun neutraliteit. Wat aanmoedigend te zien dat twee van die mannen nog steeds als ouderling in de gemeente dienen! Mijn broer heeft later op Brooklyn Bethel gediend, het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York, en is nog steeds ouderling in onze geboorteplaats Millville (New Jersey).
Die oorlogsjaren waren in de Verenigde Staten, evenals elders, erg moeilijk voor Jehovah’s Getuigen. Aanvallen door het gepeupel kwamen veel voor. Kinderen werden van school gestuurd. (Zie Ontwaakt! van 22 juli 1993 over het leven van Lillian Gobitas Klose.) Duizenden van onze geestelijke broeders gingen de gevangenis in en wij vrouwen moesten dus verscheidene taken in de gemeente behartigen. Daarom was ik al op jeugdige leeftijd lectuurdienares. Met Jehovah’s hulp kwamen wij de moeilijke oorlogsjaren door en toen de broeders uit de gevangenis terug waren, kwam er schot in het werk.
In die tijd bracht Lyman Swingle van Bethel een bezoek aan onze gemeente. Hij moedigde mij aan naar Brooklyn te komen om te assisteren bij de hulpverlening ten behoeve van onze mede-Getuigen in Europa na de Tweede Wereldoorlog. Zo kwam het dat ik in maart 1948 naar Brooklyn ging.
Gelukkige jaren in een nieuwe gemeente
Ik werd toegewezen aan mijn nieuwe gemeente, Brooklyn Center. Het was de allereerste gemeente die vóór de Eerste Wereldoorlog in New York City en omgeving was opgericht, zij het onder een andere naam. In die tijd bevond het vergaderadres zich in de wijk Brooklyn Heights, maar toen ik in 1948 naar Brooklyn Center kwam, zaten wij op de hoek van 5th Avenue en 8th Street in Brooklyn. Bijna dertig jaar heeft die gehuurde ruimte als onze vergaderzaal gediend, totdat er op korte afstand een nieuwe zaal werd gekocht.
Nooit zal ik mijn eerste dag in de prediking in Brooklyn vergeten — in de Henry Street. Het was heel iets anders dan getuigenis geven in een kleine stad. Maar al gauw ontmoette ik een jonge vrouw die bijbelse lectuur nam en toestemde in een huisbijbelstudie. Mettertijd werd zij een opgedragen dienstknecht van Jehovah, evenals twee van haar kinderen. Haar zoon, Arthur Iannone, dient op het moment met zijn vrouw, Linda, op Brooklyn Bethel, samen met hun zoon en schoondochter.
Het gemeentegebied waar wij predikten, was groot en vruchtbaar. Met Jehovah’s hulp heb ik veel van mijn bijbelstudies de waarheid zien aanvaarden en gedoopt zien worden. Tot op de huidige dag dienen sommigen van hen als volle-tijddienaren in dit land. Anderen zijn zendelingen in verre landen. Sommigen zijn ouderlingen in gemeenten geworden en velen hebben in andere hoedanigheden gediend als trouwe verkondigers van het goede nieuws van Gods koninkrijk.
De groei was verbazingwekkend. Terwijl er oorspronkelijk slechts één gemeente voor New York City en omgeving was, zijn er nu bijna 400 in New York City alleen. Wat een dierbare herinneringen heb ik aan het aandeel dat ik aan iets van die expansie heb gehad!
Opbloeiende belangstelling onder Franssprekenden
In de jaren ’60 begonnen wij veel Franssprekenden in het gemeentegebied aan te treffen die uit Haïti afkomstig waren. Het Engels van de meesten was beperkt of nihil. Hier lag een uitdaging. Hoe konden wij hen helpen meer over de bijbel te weten te komen? Ik sprak geen Frans, maar met een Engels exemplaar van een basisleerboek voor de bijbel in mijn ene hand en de Franse vertaling van dat boek in de andere, kon ik bijbelstudies leiden.
Er waren echter geen vergaderingen in het Frans om deze mensen te helpen geestelijk te groeien. Daarom werd elke zendeling onder de Getuigen die Brooklyn bezocht en Frans sprak, onmiddellijk gevraagd te helpen. Een van de eersten die ons kwamen helpen, was Nicolas Brisart, die coördinator is van het bijkantoorcomité op Guadeloupe. Hij hield onze eerste openbare lezing in het Frans in de woning van zuster Bertha Luisdon, die Jehovah nog steeds trouw dient. Er waren 27 aanwezigen.
In die tijd waren er, afgezien van Spaanssprekende gemeenten, nog geen anderstalige gemeenten in New York City. Het idee een officiële Franssprekende gemeente op te richten, was dus nauwelijks denkbaar. Wij gingen het eigenlijk nog somberder inzien toen een reizende opziener ons meedeelde dat het beleid in die tijd was, mensen die in dit land woonden aan te moedigen Engels te leren.
Broeder Fred W. Franz, die later president van het Wachttorengenootschap werd, was een bron van aanmoediging. Hij zei: „Als het Jehovah’s wil is, Mary, zal er een Franse gemeente komen.” Ook aanmoedigend was broeder Harry Peloyan, de presiderende opziener van gemeente Brooklyn Center. Hij zei dat wij op avonden dat de Koninkrijkszaal niet in gebruik was, iedere keer dat er een bezoeker kwam die Frans sprak, een informele gemeenteboekstudie en openbare lezingen konden houden.
Tegen die tijd hadden wij een aantal gedoopte broeders uit Haïti die hierheen waren verhuisd, maar er was nog steeds niemand met voldoende ervaring om organisatorisch de leiding te nemen in de Franse taal. Toen hoorde broeder Timothy Galfas, die in Parijs op school had gezeten en nu lid was van de Bethelfamilie in Brooklyn, van onze situatie. Elke zaterdag na zijn werk op Bethel kwam hij naar ons toe en gingen wij op zoek naar Haïtiaanse broeders en zusters die hier woonden maar niet wisten waar zij de vergaderingen konden bijwonen.
Al gauw waren er zo’n veertig personen die met ons bijeenkwamen. Wij vroegen onze kringopziener aan het Genootschap te schrijven of wij toestemming konden krijgen voor een officiële gemeenteboekstudie in het Frans. Wat waren wij blij toen die toestemming werd verleend! Later kregen wij ook toestemming voor geregelde openbare lezingen en een wekelijkse Wachttoren-studie.
De eerste Franse gemeente
Op 1 december 1967 ontvingen wij toestemming voor het oprichten van een Franssprekende gemeente, de eerste in de Verenigde Staten. Ze zou de Koninkrijkszaal delen met de gemeenten Brooklyn Center en Prospect. Wij waren enthousiast! Wij wisten dat allen grotere geestelijke vorderingen zouden maken in de taal die zij verstonden. Zeer gewaardeerd in al die jaren van groeipijnen was de steun van broeders als Harry Peloyan, George Haddad en Carlos Quiles, die het dienstcomité van Brooklyn Center vormden.
Wij groeiden snel. Al gauw werden er nieuwe Franse gemeenten gevormd in Manhattan en Queens en in Nyack, iets ten noorden van de stad. Een bijdrage tot deze expansie werd geleverd door Jeff Keltz en Tom Cecil van Brooklyn Bethel. Broeder Keltz was onze kringopziener en broeder Cecil maakte deel uit van ons districtscongrescomité. Ook anderen hielpen, onder wie zendelingen die om gezondheidsredenen uit landen waar Frans werd gesproken naar de Verenigde Staten terug moesten. Wat is hun hulp waardevol gebleken! Een van hen is Stanley Boggus, die als presiderend opziener en plaatsvervangend kringopziener dient.
Wat een heerlijke ervaring is het geweest dat kleine Franse groepje van 5th Avenue hoek 8th Street te zien uitgroeien tot tientallen gemeenten en twee kringen! Onze eerste kringvergadering in het Frans vond in april 1970 plaats. Broeder Nathan H. Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, sprak ons op vrijdagavond toe en wenste ons geluk. Die zomer hadden wij ook ons eerste districtscongres, onder de tribunes van het Roosevelt Stadium in Jersey City (New Jersey). Het was er warm en stoffig, maar de meer dan 200 aanwezigen waren erg blij het hele programma, met inbegrip van het drama, in het Frans te kunnen beluisteren.
Het was ook een opwindende gebeurtenis toen wij in 1986 de congreshal van Jehovah’s Getuigen in Jersey City mochten gebruiken voor ons districtscongres. Op een Frans congres dat daar het afgelopen jaar gehouden werd, waren 4506 aanwezigen, van wie er 101 werden gedoopt. Tegelijkertijd werd er ook een Frans congres gehouden in Florida.
Getrouwe kamergenotes
Nog een facet van mijn leven dat zo aangenaam is geweest, is het delen van een appartement in Brooklyn met andere zusters die in de volle-tijddienst waren. De eerste twee (Rose Lewis Peloyan en Madelyn Murdock Wildman) gingen naar Bethel. Later werden er nog twee (Lila Rogers Molohan en Margaret Stelmah) leden van de Bethelfamilie. Twee anderen (Barbara Repasky Forbes en Virginia Burris Beltramelli) gingen naar de Wachttoren-Bijbelschool Gilead en dienen nog steeds in respectievelijk Guatemala en Uruguay.
Wij zusters namen altijd de tijd om een schriftplaats te bespreken als begin van onze dag, waarna wij naar ons werelds werk en in de velddienst gingen. ’s Avonds kwamen wij moe en hongerig maar gelukkig thuis! Wij hadden veel opbouwende ervaringen te delen! Zo heb ik bijvoorbeeld enige tijd gestudeerd met een jonge vrouw, Elisa Beumont Farina, die erop stond dat haar studie om 10 uur ’s avonds plaatsvond. Zij maakte snelle vorderingen. De eerste keer dat ik haar meenam in de velddienst zei ze: „Als je maar niet denkt dat ik dit altijd ga doen!” Maar zij werd volle-tijdpredikster en bezocht later de Gileadschool, waarna zij vele jaren in Ecuador diende. Zij is nog steeds in de volle-tijddienst, in Trenton (New Jersey).
Sommige van mijn kamergenotes hebben kinderen grootgebracht die Jehovah ook erkennen en dienen. Vorig jaar trouwde de dochter (Jodi Robertson Sakima) van een van mijn vroegere kamergenotes (Virginia Hendee Robertson) en zij dient momenteel samen met haar man op Brooklyn Bethel.
Ik ben blij te kunnen zeggen dat alle kamergenotes die ik gehad heb — en dat zijn er meer dan twintig — Jehovah trouw zijn gebleven, en een groot aantal van hen is nog steeds in de volle-tijddienst.
Onze wereldomvattende familie — Een bron van vreugde
Het is voor mij ook een bron van vreugde geweest veel Getuigen uit andere landen te leren kennen. Omdat wij dicht bij het hoofdbureau van het Genootschap woonden, hadden wij bijvoorbeeld het voorrecht met de studenten van de toen in Brooklyn Bethel gevestigde zendelingenschool Gilead om te gaan.
Twee studenten, Günter Buschbeck, die momenteel op het bijkantoor in Oostenrijk dient, en Willi Konstanty, dienend op het bijkantoor in Duitsland, werden tijdens hun studie aan de Gileadschool toegewezen aan gemeente Brooklyn Center. Wat waren zij een bron van aanmoediging! Zij hadden zo’n positieve invloed op mijn kamergenotes dat ook die al gauw aan de zendingsdienst dachten.
Een aantal keren heb ik het voorrecht genoten mijn vriendschappen met onze wereldomvattende familie uit te breiden door overzeese reizen te maken. Ik heb internationale congressen bijgewoond en veel van de afgestudeerden van Gilead die ik eerder had leren kennen in hun toewijzing teruggezien.
Een vol leven
Als ik over mijn leven nadenk, kan ik zeggen dat het heerlijk is geweest — een gelukkig leven vol zegeningen. Hoewel ik veel van de gebruikelijke problemen heb gehad die dit samenstel van dingen eigen zijn, is niets er voor mij ooit reden toe geweest mijn verleden te betreuren of het kostbare voorrecht van de volle-tijddienst op te geven.
Op jeugdige leeftijd heeft mijn moeder mij de woorden uit Psalm 126:5, 6 ingeprent: „Wie met tranen zaaien, zullen zelfs met vreugdegeroep oogsten. Wie zonder mankeren heengaat, al is het wenend, terwijl hij een zak vol zaad bij zich draagt, zal zonder mankeren met vreugdegeroep terugkomen, terwijl hij zijn schoven draagt.” Door die schriftplaats laat ik me nog steeds leiden. Wat de problemen ook waren, Jehovah heeft mij geholpen een weg te vinden om ze te overwinnen en die vreugde te behouden.
Ik zou mijn leven beslist niet anders gewild hebben. Ik heb er geen spijt van dat ik zo’n 53 jaar aan Jehovah heb gegeven in de volle-tijddienst en ik zie ernaar uit hem tot in alle eeuwigheid te blijven dienen in zijn nieuwe wereld. — Verteld door Mary Kendall.
[Illustratie op blz. 16]
Mary Kendall