Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g92 22/11 blz. 18-21
  • „De nazi’s konden ons niet tegenhouden!”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „De nazi’s konden ons niet tegenhouden!”
  • Ontwaakt! 1992
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Naar het concentratiekamp!
  • Naar Nederland
  • Den Haag
  • Vaak op het nippertje ontsnapt
  • Ondergedoken in België
  • Getrouwe dienst voortgezet
  • „Gelukkig is de natie wier God Jehovah is”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Op Jehovah’s liefdevolle zorg vertrouwen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
  • Wat kan ik Jehovah terugbetalen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • Toegewijde dienst schenkt rijke beloningen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
Meer weergeven
Ontwaakt! 1992
g92 22/11 blz. 18-21

„De nazi’s konden ons niet tegenhouden!”

HET was het huis van een wildvreemde. Ik klopte op de deur en stond daar met knikkende knieën, hopend dat er niemand thuis was. Ik was jong — net 21 jaar — en dit was voor mij de eerste keer dat ik aan de van-huis-tot-huisprediking van Jehovah’s Getuigen deelnam. Het was november 1934 en hier in Duitsland had Hitler alle prediking van dien aard ten strengste verboden. Toen de bedienaar die onze kleine vergaderingen leidde, het plan had geopperd om te gaan evangeliseren, dacht ik: „Hij kan mij niet bedoelen!” Tenslotte was ik nog niet eens gedoopt en ik kende slechts één schriftplaats. Maar ik had het bij het verkeerde eind — hij bedoelde mij wel en daar ging ik.

Niemand thuis! Ik voelde mij opgelucht. Bij de volgende deur deed weer niemand open, maar ik hoorde binnen geluiden en dus opende ik de deur. Een vrouw was een paar potten aan het afwassen en zij keek verschrikt op toen zij mij zag. Zenuwachtig begon ik mijn enige schriftplaats te verklaren: Mattheüs 24:14. Zij staarde mij alleen maar aan. (Ik hoorde later dat zij doof was.) Plotseling verscheen er een man naast mij. In de veronderstelling dat het haar echtgenoot was, ging ik verder met getuigenis geven, slechts om een revolver tegen mijn ribben gedrukt te krijgen. Het was een nazi-leider! Mijn partner, die aan de overkant van de straat aan het prediken was, had bij deze man aangebeld en was daarvoor van de trap geschopt. Toen de nazi dacht dat hij een eind had gemaakt aan het getuigeniswerk van die broeder voor die dag, kreeg hij mij in het oog en kwam mij arresteren. Terwijl mijn partner zich slechts afstofte en verder ging met prediken, belandde ik voor vier maanden in de gevangenis. Zo begon mijn predikingsloopbaan!

Naar het concentratiekamp!

Na mijn vrijlating rekenden de broeders erop dat ik meehielp bij het ondergrondse getuigeniswerk. Maar de nazi’s volgden elke beweging van mij en het duurde niet lang of ik werd weer gearresteerd. De plaatselijke politie bracht mij naar de Gestapo en mijn hart stond stil toen ik het vonnis hoorde: „Naar het concentratiekamp!” Ik moest naar Esterwegen. Er waren daar ongeveer 120 Getuigen (Bibelforscher) en de SS-bewakers waren vastbesloten om onze rechtschapenheid te breken.

Er was één sergeant, die van ons de bijnaam „IJzeren Gustav” kreeg, die vastbesloten was om ons te doen schipperen. Op een dag dwong hij ons allen zware lichamelijke oefeningen te doen in de hete augustuszon — zonder onderbreking, de hele dag. Aan het einde van de dag was de helft van de broeders bezweken of lagen zij zwaar ziek op de ziekenafdeling. Helaas zwichtte de opziener van één gemeente en ondertekende de verklaring waarmee hij zijn geloof verloochende, en twaalf anderen uit zijn gemeente volgden zijn voorbeeld.

Opgetogen dat zijn marteling scheen te werken, beloofde „IJzeren Gustav” nu: „Morgen zullen jullie deze verklaring allemaal graag ondertekenen en geen Jehovah zal jullie helpen.” U kunt u dus wel voorstellen dat wij die nacht vurig hebben gebeden. De volgende ochtend wachtten wij op de komst van „IJzeren Gustav”. En wij bleven wachten. Ten slotte moesten wij naar onze barakken terug. Nog steeds geen Gustav! Uiteindelijk kwamen wij te weten wat er was gebeurd. Op weg naar het kamp leerde „IJzeren Gustav” die ochtend door bittere ervaring dat hij lang niet van ijzer was. Met zijn motorfiets was hij pardoes tegen een van de bakstenen pilaren aan weerszijden van de kampingang gereden — een ingang van ruim negen meter breed! Hij was ijlings naar het ziekenhuis gebracht met een gebarsten voorhoofd en een gebroken arm. Toen wij hem na twee maanden eindelijk weer zagen, schreeuwde hij ons toe: „Jullie Jehovah heeft mij dit aangedaan!” Niemand van ons twijfelde daar een moment aan.

Naar Nederland

In december 1935 werd ik vrijgelaten en kreeg ik opdracht dienst te nemen bij het Duitse leger. In plaats daarvan besloot ik via Nederland naar Spanje te gaan en mijn getuigeniswerk daar voort te zetten. Toen ik eenmaal in Nederland had weten te komen, zocht ik de Getuigen op, die er bij mij op aandrongen in Nederland te blijven. Wat een genot om weer in vrijheid te prediken en met mijn broeders en zusters op christelijke vergaderingen te zijn! Wij fietsten door het Nederlandse platteland, predikten overdag en sliepen ’s nachts in tenten. Gemiddeld predikten wij 200 tot 220 uur per maand.

Wij hadden heel weinig geld om voedsel te kopen en andere onkosten te bestrijden. Ik kan mij levendig een boer herinneren die, toen hij zag hoe wij ’s avonds onze povere maaltijden bereidden, ons te eten vroeg. Er wachtte ons een tafel vol met het heerlijkste voedsel! Van toen af voorzag dit liefdevolle gezin in onze basisbehoeften aan boter, eieren, kaas en brood, en zij hielpen ons zelfs met onze was. Alle gezinsleden werden Getuigen. Zij vormden een belangrijk contact tijdens het werk dat voor ons lag.

In 1936 werd in Bern (Zwitserland) een congres gehouden. Joseph F. Rutherford, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, sprak er. Toen pas, na al die tijd als volle-tijdprediker, werd ik eindelijk gedoopt!

Den Haag

Ik kreeg als toewijzing Den Haag en omstreken. Veel gezinnen daar aanvaardden de waarheid uit Gods Woord. Ik heb tot op de dag van vandaag nog steeds contact met enkelen van hen. In 1939 werd ik door de Nederlandse politie gearresteerd — nota bene als nazi-spion! Ik bleef zo goed als ik kon getuigenis geven door middel van brieven vanuit de gevangenis, mij er terdege van bewust dat de rechter al mijn uitgaande post las. Na vijf maanden, waarvan de laatste twee in eenzame opsluiting, werd ik vrijgelaten. Slechts een paar dagen nadat ik in mijn huis in Den Haag terug was, begon de Duitse Luftwaffe de omgeving te bombarderen! Ik wist dat de Gestapo niet ver achter de binnendringende soldaten zou zitten. Het was tijd voor mij om weer onder te duiken.

Hoe zou ik mij echter kunnen verplaatsen zonder ontdekt te worden? Een broeder die een fietsenzaak had, zorgde voor een speciale fiets voor mij. Het was er net zo een als de geheime politie gebruikte — dezelfde speciale kleur, met een hoog stuur en klemmen voor een sabel. De geheime agenten groetten mij zelfs, omdat zij dachten dat ik een van hen was! Maar toen ik op een dag op een fietspad fietste dat door een heg van de weg was afgeschermd, zagen twee politieagenten die aan de overkant van de weg fietsten mij door een gat in de heg en herkenden zij mij als voortvluchtige. Ik trapte sneller dan ik ooit van mijn leven had gedaan! Zij moesten eerst naar een viaduct fietsen voordat zij konden keren om mij te volgen, en hoewel zij er stevig de vaart in zetten, raakte ik hen uiteindelijk kwijt.

Vaak op het nippertje ontsnapt

Nu was de politie ervan op de hoogte dat ik in Den Haag was. Ik ging voor de veiligheid in verschillende huizen overnachten. Op een keer sliep ik in het huis van een gezin met drie kinderen. Zoals gewoonlijk legde ik mijn kleren zo neer dat ik mij bij een razzia snel kon aankleden. Ik liet ook twee van de kinderen bij elkaar slapen, zodat ik één kind in mijn lege bed kon leggen als ik vertrok. Zo zouden de nazi’s geen warm leeg bed aantreffen.

Om vijf uur die ochtend bleek het nut van die maatregelen. Er werd hard en aanhoudend op de deur gebonsd. Ik had nauwelijks tijd om het negenjarige jongetje in mijn bed te leggen, mijn kleren in mijn tas te proppen, mijn hoed op te zetten en mijn jas aan te trekken en blootsvoets uit het achterraam in de sneeuw te springen. Gelukkig hadden zij er niet aan gedacht een wacht in de achtertuin te posteren. Ik rende naar het huis van een gezin waarmee ik de bijbel bestudeerde. Hoewel het half zes ’s ochtends en vanwege de winter nog donker was, liet deze man mij zonder een woord te zeggen binnen en verborg mij. Alle drie de leden van zijn gezin werden later Getuigen.

Toen de Gestapo het gezin ondervroeg dat ik net verlaten had, concentreerden zij zich op het jongetje. Zij boden hem zelfs geld aan als hij hun zou vertellen of er onlangs een „oom” op bezoek was geweest. Hij zei tegen hen: „Ja, dat was lang geleden.” Hoe lang? Dat wist hij niet. Zij gingen teleurgesteld weg. Later vroeg de moeder van het jongetje hem waarom hij zo had geantwoord, aangezien hij wist dat „Oom Tom” (mijn schuilnaam) die nacht nog daar had gelogeerd. Hij antwoordde: „Vierentwintig uur is een lange tijd, met heel veel minuten.” En zo is dat!

Mijn volgende toewijzing was Groningen. Sommige Getuigen in die stad waren door vrees overmand en het predikingswerk lag nagenoeg stil. Maar al gauw werden de broeders weer heel onbevreesd en trotseerden de hardvochtige Nederlandse Gestapo. Op een nacht in 1942 voerden wij zelfs een actie uit waarbij wij in een van tevoren vastgestelde periode van tien minuten in de hele stad duizenden bijbelse traktaten verspreidden. In alle kranten stond dat de Britse luchtmacht miljoenen pamfletten voor Jehovah’s Getuigen had verspreid! Wij hadden de Gestapo laten weten dat wij springlevend waren. De nazi’s konden ons niet tegenhouden — nooit!

De oorlog woedde voort en het werd steeds gevaarlijker om op straat te lopen. Toen op een avond een broeder en ik een geheime vergadering in Hilversum verlieten, botste er iemand van achteren tegen mij op en kletterde er een voorwerp op de grond voor mijn voeten. Ik pakte het op en zag tot mijn schrik dat het een helm was van een Duitse soldaat! De eigenaar stond bij zijn fiets en bescheen mij nu met zijn zaklantaarn. Ik liep naar hem toe; hij griste zijn helm uit mijn handen, trok zijn revolver en schreeuwde: „U staat onder arrest!”

Ik huiverde. Als hij mij arresteerde, zou dat waarschijnlijk mijn einde betekenen. Ik bad tot God om hulp. Door het kabaal ontstond er een oploop. Toen ik opmerkte dat de soldaat een beetje slingerde, drong het tot mij door dat hij dronken was. Daarop schoot mij te binnen dat het volgens de Duitse militaire regels toegestaan was dat officieren in burger gekleed gingen. Dus stapte ik op de soldaat af en riep met al de autoriteit die ik kon opbrengen: „Weet je niet wie ik ben?” De soldaat stond versteld. Hij tikte tegen zijn helm en salueerde! Ervan overtuigd dat hij een officier had beledigd, maakte hij zich schaapachtig uit de voeten en verdween in de nacht. De omstanders gingen uit elkaar. Ik kon alleen maar Jehovah danken dat ik weer op het nippertje was ontsnapt!

Ondergedoken in België

Mijn volgende toewijzing was in een ander land: België. Ik werd gemeentedienaar in Antwerpen. Wegens het verbod leidde ik elke week veel kleine vergaderingen in verschillende huizen. Ik was ook koerier, nog een schakel in de wonderbaarlijke keten waardoor het geestelijke voedsel in die moeilijke jaren bleef komen.

Onze ontmoetingsplaats voor het over de grens smokkelen van lectuur vanuit Nederland was een restaurant. Het gebouw zelf stond in België, maar de tuin lag in Nederland, dus het was een ideale plaats om mijn contactpersoon te ontmoeten en met hem van tas te wisselen. De eigenaar veronderstelde dat wij agenten van de Britse inlichtingendienst waren en verleende ons zijn medewerking. Hij zei zelfs tegen de dienstdoende politieagent dat hij ons met rust moest laten. Maar op een dag had er een nieuwe politieagent dienst, een nazi-gezinde Belg die niets van mij af wist. Toen hij mij met een grote leren tas zag, stond hij erop dat ik die voor hem zou openmaken. Ik weigerde; er zaten tenslotte drie- of vierhonderd exemplaren van De Wachttoren in de tas. Daarom arresteerde hij mij en bracht mij naar het politiebureau. De leidinggevende politieman zei tegen de agent dat hij weg kon gaan terwijl hij mij voor zijn rekening zou nemen. Toen zei hij kalm tegen mij: „Ik wil de inhoud van de tas niet zien. Kom de volgende keer alsjeblieft met kleinere tassen.” Weer kon ik Jehovah alleen maar bedanken!

Toen na D-dag (6 juni 1944) de Geallieerden hun invasie in België begonnen, werd ook Antwerpen het toneel van oorlog. Het getuigenisgeven en bijwonen van vergaderingen werden een ware uitdaging toen de stad door geschutvuur en granaten van beide kanten werd geteisterd. Toen de oorlog bijna voorbij was, dacht de bijkantoordienaar ten onrechte dat het niet langer noodzakelijk was dat ik ondergedoken zou blijven. Ik gehoorzaamde, tegen de raad van een vriendelijke leidinggevende politieman in die van mening was dat het nog te vroeg was om mij in het openbaar te vertonen. Elf maanden later had ik de gruwelijkste ervaring van mijn leven achter de rug. De autoriteiten geloofden mijn verhaal niet. Ervan overtuigd dat ik een Gestapoagent was, werd ik door hen gevangengezet; de omstandigheden ter plaatse waren de meest onmenselijke die ik ooit had gezien. Veel mannen die jonger waren dan ik werden in die maanden ziek en stierven. Toen ik eindelijk werd vrijgelaten, stortte ik lichamelijk helemaal in.

Getrouwe dienst voortgezet

Na meer hartverscheurende vertragingen, ondervragingen en opsluitingen kon ik eindelijk naar Duitsland terugkeren — op de dag af tien jaar nadat ik was weggegaan! Ik werd herenigd met mijn moeder, een getrouwe Getuige, en wij hadden veel ervaringen te delen. Terwijl ik langzamerhand mijn gezondheid herwon, begon ik weer op volle-tijdbasis te prediken, nu in Schweinfurt. En wat was het een genot om te helpen bij het voorbereiden van ons eerste naoorlogse congres, dat wij in Neurenberg hielden, precies daar waar Hitler trots zijn troepen had laten paraderen! Later had ik de enorme vreugde toegelaten te worden tot de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de Verenigde Staten, waar ik als zendeling zou worden opgeleid.

Op een gezellige bijeenkomst vlak voordat ik naar Gilead ging, ontmoette ik Lillian Gobitas, die een belangrijke rol had gespeeld bij de strijd voor godsdienstvrijheid in de vlaggegroetkwestie in de Verenigde Staten. Zij vertelde mij dat zij genoot van de solo’s die ik op het feestje zong, en ik glimlachte maar want ik kon haar niet verstaan. Ik bleef glimlachen en zij bleef praten. Uiteindelijk trouwden wij met elkaar! Dat was natuurlijk nadat wij beiden op Gilead waren afgestudeerd en als zendelingen in Oostenrijk werkten.

Na verloop van tijd waren wij wegens mijn gezondheidsproblemen gedwongen naar de Verenigde Staten terug te keren. Inmiddels hebben wij twee schatten van kinderen gekregen, een zoon en een dochter. Wij waren dolgelukkig te zien dat zij beiden de waarheid aanvaardden. Toen mijn gezondheid verbeterde, sprong ik bij in gemeenten in de Verenigde Staten en Canada. Het werk houdt nooit op en wij proberen er gelijke tred mee te houden. Ik kijk nog steeds graag terug op die jaren van ondergronds werk. De nazi’s konden ons niet tegenhouden omdat Jehovah met ons was. Het is duidelijk dat hij het werk nog altijd zegent, en niets zal het tegenhouden totdat het naar zijn tevredenheid is verricht! — Verteld door Erwin Klose.

[Illustratie op blz. 18]

Erwin Klose

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen