Mijn brandende verlangen om God te dienen
Ik was vijf jaar en stond bekend als de schrik van de speelplaats. De school waar ik op zat, was de Perkins School voor Blinden.
De daaropvolgende dertien jaar van mijn leven zou ik op deze school in Watertown (Massachusetts, VS) doorbrengen. Ik wist dat alle andere kinderen van de school blind waren, maar ik dacht dat ik kon zien. Mijn ouders hadden mij nooit anders behandeld dan mijn vijf zusters. Alles wat zij deden, deed ik ook — karweitjes rond het huis, rolschaatsen, zwemmen, in bomen klimmen, alles. Ik werd nooit behandeld alsof ik blind was, dus ik dacht nooit aan mijzelf als een blinde.
Ik was vol levenslust, hield van avontuur en wilde dolgraag plezier hebben. Ik haalde de andere kinderen over om op de glijbanen, op de schommels en in de schommelboot te gaan. Ik liet de boot zo hard schommelen dat de kinderen gilden, maar ik zong zo hard ik kon en schreeuwde hun mijn aanmoedigingen toe. Ik denk dat ik het een beetje overdreef, want altijd ging dan de bel, de „moeder” riep mij binnen en ik kreeg er met de haarborstel van langs, en bovendien moest ik in de stoel voor stoute kinderen zitten. Die stond bij de trap waarvan alle leerkrachten gebruik maakten. Dan zagen zij mij daar zitten en grinnikten en vroegen: „Jij weer?”
Laat ik een eindje teruggaan in de tijd en uitleggen hoe ik op die school voor blinden terecht was gekomen. Ik ben in 1941 geboren, en toen ik twee jaar was, kregen mijn ouders te horen dat ik een gezwel aan de gezichtszenuw van een van mijn ogen had. Het oog moest verwijderd worden. Tijdens de operatie ontdekte men dat het gezwel zich naar de gezichtszenuw van het andere oog had uitgebreid en in de richting van mijn hersenen groeide. Dit betekende dat men beide ogen moest verwijderen of mij moest laten sterven. Destijds, in 1943, beschouwde men blindheid als erger dan de dood. Eén oogspecialist zei: „Als het mijn kind was, zou ik haar laten sterven.” De andere specialist was het daar niet mee eens. „Nee, laat haar leven.” Gelukkig voor mij lieten mijn ouders mij leven. Drie jaar later was ik de schrik van de speelplaats.
Ieder kind ontving godsdienstonderwijs in de religie van zijn keuze. Aangezien mijn moeder katholiek was, kreeg ik onderwijs van de nonnen die elke week uit het nabijgelegen klooster kwamen. Zij vertelden verhalen over „heiligen” die hun leven voor God gaven, en op jonge leeftijd werd ik aangestoken door een brandend verlangen om net als zij te zijn. Ik wilde mijn hele leven aan God geven, maar de nonnen vertelden mij dat er voor mij geen hoop was. „Jij bent veel te slecht”, zeiden ze. „God zou je niet eens willen!” Zij zeiden dit omdat ik met protestantse en joodse kinderen speelde, terwijl zij ons hadden gezegd dat wij alleen met katholieken mochten spelen.
Bovendien irriteerde ik de nonnen door hun naar Jehovah’s naam te vragen. Mijn moeder studeerde inmiddels af en toe met Jehovah’s Getuigen, en wanneer ik eens per maand een weekend naar huis ging, hoorde ik dat Gods naam Jehovah was. Wanneer ik de nonnen vroeg waarom zij ons niet over Jehovah onderwezen, werden zij woedend en moest ik op de gang staan. Ik denk dat ik wel de helft van mijn vroege kinderjaren op de gang of in de stoel voor stoute kinderen heb doorgebracht.
Hoe kwam mijn moeder ertoe om met Jehovah’s Getuigen te studeren, daar zij toch een goed katholiek was? Na mijn operatie kwam de priester haar opzoeken en vertelde haar dat zij wel iets gedaan moest hebben wat vreselijk goddeloos was, om God zo kwaad te maken dat hij mijn blindheid veroorzaakte. In plaats van haar te troosten in die moeilijke, verdrietige tijd die zij doormaakte, bezorgde hij haar schuldgevoelens. En bovendien gaf hij God de schuld van mijn blindheid. Die priester liet de deur wijd open voor Jehovah’s Getuigen toen zij bij haar aan de deur kwamen — en dat gebeurde al gauw.
Zij vertelden haar het schitterende goede nieuws van het Koninkrijk en dat God de mensen geen verdriet doet maar een God van liefde is. Mijn moeder begon dus met de Getuigen te studeren. Zij deed er echter lang over om zich aan Jehovah op te dragen teneinde hem te dienen. De onjuiste leringen van het katholicisme waren diep in haar geworteld. Maar de bijbelse waarheden die zij leerde, waren „krachtig door God tot omverwerping van sterk verschanste dingen”, en in 1954 werd mijn moeder gedoopt als een van Jehovah’s Getuigen. — 2 Korinthiërs 10:4.
Wanneer ik nu naar huis ging voor mijn maandelijkse weekendbezoek, wilde mijn vader dat wij naar de baptistenkerk gingen, gingen enkele van mijn zusters naar de methodistenkerk, nam mijn moeder mij mee naar de Koninkrijkszaal, en op school werd mijn onderwijs in het katholicisme geïntensiveerd. Vier verschillende religies die tegelijkertijd in één gezin werden beoefend! Tegen die tijd verkeerde ik dus behoorlijk in verwarring over de vraag wat de juiste manier was om God te aanbidden.
Toen ik ongeveer zestien jaar was, begon dat zeurende, knagende, brandende verlangen om God op de juiste manier te dienen, sterker dan ooit in mij op te wellen. Ik bad tot Jehovah dat wanneer ik zou trouwen, het met een man zou zijn die de juiste religie had, welke dat ook mocht zijn. Welnu, de dag brak aan waarop die ogenschijnlijk fantastische man op mijn pad kwam en met mij wilde trouwen. En omdat hij katholiek was en God hem schijnbaar als antwoord op mijn gebed gezonden had, concludeerde ik dat het katholicisme de juiste religie moest zijn. Ik nam het besluit om voortaan een werkelijk goede katholiek en een goede vrouw en moeder te zijn.
Droevig genoeg werd mijn huwelijk een ramp. Na 10 maanden werden wij gezegend met een dochter en 22 maanden later met een zoon, maar intussen ging het met ons huwelijk steeds slechter. Ik was ervan overtuigd dat het niet erger kon.
Ik had het mis; het werd nog erger. Wij hadden de gewoonte om elke zaterdagavond te gaan dansen, en daarna kwam de groep altijd naar ons huis om koffie te drinken en wat te eten. Maar op die bewuste zaterdag gingen wij naar het huis van een andere vriend. Terwijl wij daar waren, hoorde ik mijn man plannen maken voor partnerruil. Er was ook een vreemde bij, en hij vroeg wie hij zou kunnen krijgen, en ik hoorde mijn man zeggen: „Neem mijn vrouw maar.” Vol afschuw en in paniek vluchtte ik uit dat huis weg. In de vroege ochtenduren betaalde ik de prijs voor mijn vlucht. Toen mijn man thuiskwam, sloeg hij mij vreselijk. De reden was, zo zei hij, dat ik ’hem voor gek had gezet’.
De hele zondag bad ik vurig tot Jehovah of hij, als er een juiste religie was, een juiste manier om hem te dienen, mij die wilde tonen. Zo niet, dan wilde ik liever sterven. Het enige wat mij ervan weerhield zelfmoord te plegen, waren mijn twee kleine kinderen. Wie zou er voor hen zorgen als ik dood was?
De volgende morgen was ik buiten op mijn blote voeten het gazon aan het maaien — door dit op blote voeten te doen, wist ik waar het gras langer was en gemaaid moest worden. Er kwamen twee getuigen van Jehovah langs, een man en een vrouw. Ik zal nooit vergeten hoe zachtaardig en vriendelijk de man was, en hij had een speciaal artikel in braille bij zich dat door het Wachttorengenootschap was uitgegeven. Hij gaf het aan mij en vroeg of zij de volgende week terug mochten komen. Daar was ik nog niet echt aan toe, maar zij waren beiden zo hartelijk en vriendelijk dat ik niet kon weigeren. Ik herinner mij dat ik het huis weer inliep en dacht: „O nee God, niet zij, niet Jehovah’s Getuigen! Mag het geen andere religie zijn?”
Zij kwamen terug, en wij bestudeerden elke week de bijbel. Na verloop van tijd kwamen er twee vrouwen, Judy en Penny. Zij waren volle-tijddienaren (speciale pioniers genaamd) en zij waren een grote zegen van Jehovah. Judy was een bruisend en extravert type, maar ook nauwgezet en heel bedreven in het opzoeken van schriftplaatsen in de bijbel. Penny was rustiger, maar zij zorgde voor de vastberaden discipline die ik nodig had. Zij wijdden hun hele leven aan het dienen van Jehovah, en na verloop van tijd wilde ik net als zij zijn in plaats van net als die „heiligen” over wie de nonnen mij hadden verteld.
Toen zij later ter sprake brachten dat ik net als zij van deur tot deur zou kunnen prediken, dacht ik: ’O nee, dat kunnen ze niet van mij verwachten! Ik ben blind!’ Ik had nog nooit mijn blindheid gebruikt om ergens onderuit te komen, maar nu dacht ik: ’Ik doe het niet. Ik ga niet van deur tot deur.’ Dus ik zei: „Hoe kan ik nu schriftplaatsen lezen aan de deur?” Penny zei rustig: „Je kent toch schriftplaatsen uit je hoofd?” Dat wist zij, want zij hadden mij elke week twee nieuwe schriftplaatsen uit het hoofd laten leren. Ik kon geen kant uit met die twee!
In 1968, nadat ik twee jaar gestudeerd had, was ik vastbesloten om naar de Gedachtenisviering van Christus’ dood te gaan. Ik bad voordat ik het mijn man vertelde. Ik wist dat hij woedend zou reageren, en dat deed hij. Hij schreeuwde dat hij nog liever had dat ik dood was dan dat ik een van Jehovah’s Getuigen zou zijn. Hij greep een mes en hield het tegen mijn keel. „Zeg me dat je niet gaat, en ik zal je niet doden!” Ik bad in stilte tot Jehovah: ’Help me om getrouw te blijven, ook al moet ik sterven.’ Ik was verbaasd de innerlijke kalmte te voelen die over mij kwam en ik bemerkte dat ik dacht: ’Wat zou het leven waard zijn zonder het dienen van Jehovah?’ Het leek een eeuwigheid, maar uiteindelijk gooide hij het mes op de vloer. „Ik kan je niet doden”, jammerde hij. „Ik wil het, maar ik kan het gewoon niet. Ik weet niet waarom.”
Tijdens de Gedachtenisviering welden de innerlijke vrede en het gevoel dicht bij Jehovah te zijn weer in mij op. Toen ik thuiskwam, was ik buitengesloten, en mijn spullen lagen op de stoep. Ik bracht de nacht bij mijn ouders door. Daarna bleef mijn man mij met het mes op de keel bedreigen en bleef hij mij slaan. Vaak kon ik het huis niet in als ik van de vergadering thuiskwam. Mijn man zei: „Als je Jehovah gaat dienen, moet hij maar voor je zorgen.” Hij betaalde de rekeningen niet meer. Wij kwamen zonder voedsel te zitten, het gas en de elektriciteit werden afgesloten, en wij moesten ons huis uit. Maar Jehovah heeft mij en de kinderen altijd bijgestaan.
In juli 1969 werd in New York een groot congres van Jehovah’s Getuigen gehouden. Een uur voordat ik op de trein zou stappen om erheen te gaan, zette mijn man mij klem, uitte zijn gebruikelijke dreigementen en hield het mes weer tegen mijn keel. Maar ik was daar inmiddels aan gewend en heb mij nooit van mijn stuk laten brengen. Op dat congres, op 11 juli 1969, heb ik mijn opdracht aan Jehovah gesymboliseerd. Samen met 3000 andere congresgangers werd ik in de oceaan gedoopt.
Op zijn minst tweemaal per jaar predikte ik 75 uur per maand, al had mijn man mij verboden om in de velddienst te gaan. Ik wist dat het een gebod van Christus Jezus was om te prediken, en ik moest hem gehoorzamen (Mattheüs 24:14; 28:19, 20). Maar ik werkte thuis altijd hard. Ik hield het huis schoon. Ik had zijn eten op tijd klaar. Op vergaderingavonden maakte ik zijn lievelingsgerecht. Als ik thuiskwam, maakte ik een speciaal dessert voor hem. Ondanks dat was hij behoorlijk humeurig. Maar het is moeilijk tegen iemand te blijven schreeuwen als zij je lievelingsdessert voor je maakt!
In 1975 verhuisde mijn man met ons naar Californië. In november 1976 kwam er een eind aan ons huwelijk, na 17 jaar. Het was nooit mijn wens geweest te scheiden. Ik heb nooit in echtscheiding geloofd. In Maleachi 2:16 zei Jehovah dat ’hij echtscheiding haatte’. Het was een afschuwelijke ervaring. Wat mijn verdriet nog groter maakte, was dat de kinderen bij hun vader in Californië bleven. Ik ging terug naar het oosten van de VS, naar de plaats waar ik voordien gewoond had.
Mijn ouders, die mij met zoveel warmte en liefde hadden grootgebracht, woonden daar. (Mijn vader is sindsdien gestorven, maar mijn moeder leeft nog, is over de tachtig en al bijna veertig jaar een getrouwe Getuige.) Ik woonde echter op mijzelf, en Jehovah heeft steeds in al mijn behoeften voorzien: een flat, voedsel, kleding, geld en een baan wanneer ik dat nodig had, en vele liefdevolle vrienden die mij veel steun hebben gegeven en nog geven. Eén oude vriendin, Judy Cole, hoewel zij nu ver van mij vandaan woont, belt mij vaak op, leest mij artikelen uit De Wachttoren voor en moedigt mij aan. Zij is mijn allerbeste vriendin — maar natuurlijk komt Jehovah als vriend op de eerste plaats, want zijn vriendschap acht ik kostbaarder dan elke band die ik ooit met iemand zou kunnen hebben!
Op 1 oktober 1986, om elf uur ’s avonds, belde mijn dochter Linda mij op vanuit San Diego in Californië. Zij vertelde mij dat mijn zoon Stephen, die toen 23 jaar was, in het ziekenhuis op de intensive care-afdeling lag en dat men niet verwachtte dat hij in leven zou blijven. Met zijn motorfiets was hij op een kronkelende bergweg tegen een boom gereden en 45 meter lager in het ravijn terechtgekomen. Er was slechts één huis in de buurt. Het was twee uur in de ochtend, maar de man die daar woonde, was toevallig laat op om te studeren. Hij hoorde het lawaai, ging naar buiten, zag wat er gebeurd was en belde onmiddellijk de ambulance.
Stephen was bewusteloos, had twee gebroken benen, een verbrijzelde knieschijf, en zijn hersenen waren gezwollen. Toen ik arriveerde, vertelden de artsen mij dat zij niet dachten dat hij in leven zou blijven. Hij lag een week in coma. Ik was erbij toen hij eruit ontwaakte. „Ha, mama”, zei hij. De mooiste woorden die ik ooit heb gehoord! Hij zou blijven leven! Wat mijn vreugde nog groter maakte, was dat Stephen een jaar later, in juli 1988, als een van Jehovah’s Getuigen werd gedoopt.
Mijn leven is nu verrijkt met nog een vreugde: het Wachttorengenootschap heeft nu heel veel lectuur in braille uitgegeven! Dat zie ik als een werkelijk prachtig geschenk! Toen ik in de waarheid kwam, was er praktisch niets in braille. Maar nu is er het Grote Onderwijzer-boek, het Bijbelverhalen-boek, het Jonge mensen vragen-boek, en het pas verschenen boek De grootste mens die ooit heeft geleefd.
Tot besluit zou ik willen zeggen dat al mijn beproevingen mij alleen maar nader tot Jehovah hebben gebracht. Het is allemaal heel geloofversterkend geweest. Ik heb nooit geweten hoe het is om te kunnen zien en ik heb het nooit gemist. Natuurlijk heb ik tot mijn tweede jaar kunnen zien, maar ik kan mij daar helemaal niets van herinneren. Toch is een van mijn favoriete schriftplaatsen Psalm 145:16, waar staat: ’Jehovah opent zijn hand en verzadigt de begeerte van al wat leeft.’ Elke begeerte die nu niet verzadigd wordt, zal op zijn beloofde Paradijsaarde verzadigd worden, waar hij alle dingen nieuw zal maken (Openbaring 21:3-5). Daar zal ik ook weer kunnen zien, zoals een Getuige mij onder de aandacht bracht.
De vreugde die mijn hart nu vervult, is het vooruitzicht mijn brandende verlangen om Jehovah te dienen, voor eeuwig te kunnen verwezenlijken! — Verteld door Collette Nunes.
[Inzet op blz. 19]
„Als het mijn kind was, zou ik haar laten sterven”
[Inzet op blz. 19]
„Jij bent veel te slecht”, zeiden ze. „God zou je niet eens willen!”
[Inzet op blz. 20]
De priester gaf God de schuld van mijn blindheid
[Inzet op blz. 20]
Ik hoorde mijn man plannen maken voor partnerruil
[Inzet op blz. 21]
Hij greep een mes en hield het tegen mijn keel. „Zeg me dat je niet gaat, en ik zal je niet doden!”
[Illustratie op blz. 17]
Collette met haar geleidehond
[Illustraties op blz. 18]
Collette op 17- en op 2-jarige leeftijd (toen zij nog kon zien)