Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g92 22/2 blz. 16-19
  • Deel 4: De Industriële Revolutie — Waar heeft ze toe geleid?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Deel 4: De Industriële Revolutie — Waar heeft ze toe geleid?
  • Ontwaakt! 1992
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De keerzijde
  • Markteconomie of geleide economie?
  • Draagt bij tot problemen
  • Deel 3: De hebzuchtige handel vertoont zich in zijn ware gedaante
    Ontwaakt! 1992
  • Is de industriële levenswijze een mislukking?
    Ontwaakt! 1976
  • Is het verstandig te beleggen in effecten?
    Ontwaakt! 2000
  • Kan een van deze stelsels het ware geluk brengen?
    Ontwaakt! 1982
Meer weergeven
Ontwaakt! 1992
g92 22/2 blz. 16-19

De opkomst en val van de wereldhandel

Deel 4: De Industriële Revolutie — Waar heeft ze toe geleid?

DE Industriële Revolutie begon in de achttiende eeuw en veranderde de wereld zoals tot op die tijd maar door weinig dingen gebeurd was. Technische know-how, voldoende kapitaal, de beschikbaarheid van grondstoffen, de mogelijkheid grondstoffen en eindprodukten goedkoop te vervoeren — aan al deze en andere voorwaarden voor industriële vooruitgang bleek nu door Engeland voldaan te worden. En zo begon de produktie van goederen een ongekende en snelle groei te vertonen.

De weg was echter gebaand door gebeurtenissen die zich al eerder hadden voorgedaan. Steenkool, in Groot-Brittannië ruimschoots voorhanden, werd als brandstof geïntroduceerd. En terwijl het vasteland van Europa werd verscheurd door godsdienstoorlogen, verheugde Engeland zich in een betrekkelijke vrede. Het land had een superieur bankstelsel. Zelfs de breuk met de Rooms-Katholieke Kerk was betekenisvol, daar het protestantisme de nadruk legde op onmiddellijk economisch welzijn en als het ware een hemel op aarde trachtte te scheppen.

Vanaf de jaren ’40 van de achttiende eeuw groeide de bevolking van Groot-Brittannië snel. De industrie moest nieuwe methoden zoeken om aan de gestegen vraag te voldoen. De toekomst vroeg duidelijk om meer en betere machines. Terwijl het bankstelsel in geld voorzag voor het opzetten van nieuwe bedrijven, stroomden menigten arbeiders de vol machines staande fabrieken in. Vakbewegingen, voorheen verboden, werden gelegaliseerd. De Britse arbeiders, minder aan banden gelegd door gildevoorschriften dan de arbeiders in de rest van Europa, werkten op stukloon. Dit gaf hun een extra stimulans om betere manieren te zoeken voor een snellere produktie.

Groot-Brittannië beschikte ook over mensen met een goede opleiding. Professor Shepard B. Clough zegt dat „de universiteiten van Glasgow en Edinburgh in het laatste deel van de achttiende eeuw huns gelijke niet hadden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en proefnemingen”. Zo, met Groot-Brittannië aan kop, verbreidde zich de Industriële Revolutie over heel Europa en de Verenigde Staten. In ontwikkelingslanden is dit proces nog steeds aan de gang.

De keerzijde

Door deze ontwikkelingen, zo schrijft The Columbia History of the World, „deed in de Engelse steden een opvallende welvaart haar intrede, die tot uiting kwam in een hogere levensstandaard, een bloeiende provinciale cultuur en een groeiend zelfrespect en zelfvertrouwen”. Groot-Brittannië bereikte zelfs „een positie van militair overwicht, vooral op zee, die het weer grote ’diplomatieke’ invloed verleende”. De beheersing van bepaalde industriële processen gaf het land economische macht over concurrenten. De Engelse industriële geheimen waren zo waardevol dat er wetten werden aangenomen om te voorkomen dat ze gemeengoed werden.

Toen bijvoorbeeld Samuel Slater in 1789 Groot-Brittannië verliet, hield hij zijn identiteit geheim omdat textielarbeiders niet mochten emigreren. Hij omzeilde de wetten waarbij de uitvoer van tekeningen van textielmachines verboden was door de hele inrichting van een Engelse textielfabriek in zijn geheugen te prenten. Dit stelde hem in staat in de Verenigde Staten de eerste fabriek voor katoenen garens in dat land te bouwen.

Het beschermen van vakgeheimen is een maatregel die nog steeds bestaat. In het blad Time wordt opgemerkt dat „bedrijven en landen achter bedrijfsgeheimen aan zitten als uitzinnige haaien wanneer het voedertijd is”. Het stelen van de know-how van een ander kan jaren van research en onnoemelijke kosten besparen. Dus „of het produkt nu een geneesmiddel is of een gebakje, bedrijven bekommeren zich meer dan ooit om het bedenken van manieren om hun vakgeheimen te beschermen”. Een personeelsfunctionaris bij de elektronika-industrie geeft toe: „Er heerst daar heel wat hebzucht. Als je op de juiste plek weet te komen, ben je prompt miljonair.”

De textielindustrie illustreert goed een andere donkere kant van de economische vooruitgang. Toen nieuwe weeftechnieken de machinale produktie van katoenen stoffen mogelijk maakten, steeg de vraag naar ruwe katoen. Maar er was zo veel tijd nodig om die met de hand te verwerken, dat het aanbod de vraag niet kon bijhouden. Toen vond Eli Whitney in 1793 de katoenontpittingsmolen uit. Binnen twintig jaar was de katoenoogst in de Verenigde Staten 57-voudig toegenomen! Maar professor Clough wijst erop dat Whitneys uitvinding ook verantwoordelijk was „voor de uitbreiding van het plantagestelsel en van de negerslavernij”. Hoe nuttig de ontpittingsmolen ook was, legt Clough uit, ze „heeft veel bijgedragen tot de spanningen die zich tussen de noordelijke en de zuidelijke staten ontwikkelden en die uiteindelijk tot de oorlog tussen de staten leidden”.

De Industriële Revolutie droeg bij tot een stelsel van grote fabrieken in handen van de rijken. Alleen de rijken konden zich dure machines veroorloven, waarvan de omvang en het gewicht vereisten dat ze in permanente, goedgeconstrueerde gebouwen werden geïnstalleerd. Die werden gebouwd op plaatsen waar energie gemakkelijk verkrijgbaar was en waar grondstoffen goedkoop aangeleverd konden worden. Bedrijven waren dan ook meestal geconcentreerd in reusachtige industriële centra.

Een economisch gebruik van de energie die nodig was om de machines te laten lopen — aanvankelijk water en later stoom — vereiste dat verscheidene machines tegelijk werden aangedreven. En dus nam de omvang van fabrieken toe. En hoe groter ze werden, hoe onpersoonlijker. Werknemers werkten niet meer voor mensen; zij werkten voor bedrijven.

Hoe groter het bedrijf, hoe groter het financieringsprobleem. De vennootschappen werden talrijker en maatschappijen die aandelen uitgaven — waarmee in de zeventiende eeuw werd begonnen — kwamen in zwang. (Zie kader.) Maar deze droegen ertoe bij dat de macht in de handen van slechts weinigen geconcentreerd werd, daar investeerders, of aandeelhouders, weinig zeggenschap over de bedrijfsvoering hadden. Zakenmensen die directeur van verscheidene bedrijven of banken tegelijk waren, bezaten reusachtige macht. Clough spreekt van „in elkaar grijpende directoraten” waardoor „een kleine kliek de kredietlimiet kon bepalen die bedrijven kregen, krediet aan concurrenten kon weigeren, en zo veel macht kon vergaren dat ze het beleid van regeringen kon bepalen en zelfs regimes die haar vijandig gezind waren omver kon werpen”. — Wij cursiveren.

Aldus kreeg de zakenwereld door de Industriële Revolutie nog meer macht. Zou die op een verantwoordelijke manier gebruikt worden?

Markteconomie of geleide economie?

Het kapitalisme, ook wel als het vrije-marktstelsel of als een markteconomie aangeduid, kwam in Engeland tot volle bloei. Het heeft bijzonder veel miljonairs opgeleverd en de hoogste levensstandaard in de geschiedenis.

Toch geven zelfs de trouwste aanhangers van het kapitalisme toe dat het zijn zwakke punten heeft. Zo is de economische groei onder het kapitalisme wisselvallig. De instabiliteit ervan veroorzaakt periodiek economische ups en downs, hoogconjunctuur en laagconjunctuur. Schommelingen die vroeger werden veroorzaakt door krachten van buitenaf zoals oorlogen of het weer, kunnen door het economische stelsel zelf worden gecreëerd.

Een tweede zwak punt is dat terwijl het kapitalisme prima goederen produceert, daar vaak nadelige bijeffecten tegenover staan — rook, giftig afval of ongezonde arbeidsomstandigheden. De Industriële Revolutie heeft dit maar al te duidelijk gemaakt en bijgedragen tot het zogenoemde broeikaseffect met alle ongewenste consequenties van dien.a

Een derde nadeel is dat het kapitalisme geen eerlijke verdeling van geld of goederen garandeert. Neem bijvoorbeeld de Verenigde Staten. In 1986 verdiende daar de armste 20 procent van de gezinnen nog geen 5 procent van het totale nationale inkomen, terwijl de rijkste 20 procent bijna 45 procent verdiende.

Toen het kapitalisme tijdens de Industriële Revolutie tot volle wasdom kwam, bleven de zwakke punten ervan niet onopgemerkt. Mannen als Karl Marx veroordeelden het en drongen erop aan dat het plaats zou maken voor een centraal geleide economie of planeconomie. Zij waren er voorstander van dat de overheid produktienormen vaststelde, de prijzen bepaalde en het bedrijfsleven grotendeels zonder inspraak van het individu bestuurde. Maar thans, na decennia lang in de Sovjet-Unie en Oost-Europa uitgeprobeerd te zijn, heeft dit stelsel zijn aantrekkingskracht verloren. Een centrale planning werkt het beste wanneer er spoedmaatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld in tijd van oorlog of bij de ontwikkeling van ruimtevaartprogramma’s. Als het gaat om de markt voor de basisprodukten van alledag schiet ze schromelijk te kort.

Aanhangers van het kapitalisme zullen echter, net als Adam Smith, op wiens leringen het grotendeels berust, toegeven dat overheidsbemoeienis met de economie niet geheel en al te vermijden is. Willen problemen als inflatie en werkloosheid met enige mate van succes aangepakt worden, dan moet dat op regeringsniveau gebeuren. Daarom hebben de meeste landen met een vrije-markteconomie het pure kapitalisme vervangen door een gemengd of enigszins gewijzigd stelsel.

Ten aanzien van deze trend voorspelt het 1990 Britannica Book of the Year: „Het ziet ernaar uit . . . [dat] economische stelsels iets van de uitgesproken verschillen waardoor ze in het verleden gekenmerkt werden, zullen verliezen en in plaats daarvan een continuum zullen gaan bieden waarop elementen van zowel markt- als planeconomie in verschillende proporties samengaan. Samenlevingen met een dergelijk continuum zullen zich misschien blijven aanduiden als kapitalistisch of socialistisch, maar ze zullen waarschijnlijk in de oplossingen voor hun economische problemen net zo veel gemeenschappelijke aspecten te zien geven als belangrijke verschillen blijven vertonen.”

Draagt bij tot problemen

In 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. Toen dat gebeurde, stond de hebzuchtige handel klaar om de geweren, de tanks en de vliegtuigen te leveren die de oorlogvoerende naties nodig hadden en die door de Industriële Revolutie mogelijk waren gemaakt.

In The Columbia History of the World wordt opgemerkt dat terwijl de „industrialisatie veel van de materiële problemen van de mens heeft helpen oplossen”, ze ook heeft „bijgedragen tot maatschappelijke problemen van bijzonder ernstige en complexe aard”.

Thans, 78 jaar na 1914, hebben wij meer redenen dan ooit om met deze woorden in te stemmen. Terecht zal de volgende aflevering in deze reeks zijn „De grote zakenwereld verstevigt haar greep”.

[Voetnoot]

a Zie Ontwaakt! van 8 september 1989.

[Kader op blz. 18]

De aandelenmarkt — Van begin tot eind

Tegen de zeventiende eeuw was het gebruikelijk nieuwe bedrijven op te zetten met het gezamenlijke kapitaal van verscheidene investeerders. Aandelen werden tegen een vaste prijs aangeboden. Deze regeling, het uitgeven van aandelen, is wel een van de belangrijkste bedrijfsorganisatorische uitvindingen genoemd ooit gedaan. De Engelsen probeerden in het midden van de zestiende eeuw verscheidene van zulke ondernemingen op te zetten, maar na de oprichting van de Engelse Oostindische Compagnie in 1600 werden ze algemeen.

Naarmate het aantal maatschappijen op aandelen toenam, groeide ook de behoefte aan effectenmakelaars. Eerst ontmoetten zij hun cliënten op allerlei willekeurige plaatsen, soms in koffiehuizen. Later werden er beurzen opgericht om een vaste plaats voor de handel in aandelen te hebben. De Londense effectenbeurs werd opgericht in 1773. Maar de oudste ter wereld zou wel eens die van Amsterdam kunnen zijn, die volgens sommigen in 1642 werd geopend, of mogelijk die in Antwerpen, die volgens anderen al van 1531 dateert.

Maatschappijen op aandelen hebben onder meer de volgende voordelen: de beschikking over voldoende kapitaal om grote ondernemingen te financieren; het publiek is in de gelegenheid zelfs kleine geldbedragen te beleggen; verkleining van het verlies voor elke investeerder in het geval van tegenslagen; aandeelhouders kunnen snel over baar geld beschikken door al hun aandelen of een gedeelte ervan te verkopen; aandelen zijn overdraagbaar als erfenis.

Onverwachte schommelingen in de aandelenkoersen kunnen echter een ramp betekenen. Ook kan, zoals uit recente schandalen op Wall Street is gebleken, de markt onwettig worden gemanipuleerd, mogelijk door handelen met voorkennis, een praktijk die steeds meer voorkomt. Individuen gebruiken of verkopen belangrijke voorkennis — misschien kennis over een op handen zijnde fusie van twee bedrijven — en profiteren daardoor van de koersbewegingen van de aandelen van die firma’s. Een vriend van een man die in 1989 van deze praktijk werd beschuldigd, schreef het toe aan hebzucht. Hoewel in veel landen stemmen opgaan om handelen met voorkennis officieel te verbieden, werd in het blad Time opgemerkt: „Wetten alleen zullen niet voldoende zijn om het probleem op te lossen.”

Op Jehovah’s snel naderende oordeelsdag zal het probleem voorgoed opgelost worden. Zilver en goud zullen waardeloos zijn en aandelen en obligaties niet meer waard dan het papier waarop ze gedrukt zijn. Ezechiël 7:19 zegt: „Op de straten zullen zij zelfs hun zilver werpen, en iets afschuwelijks zal hun eigen goud worden.” Zefanja 1:18 zegt verder: „Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen bevrijden op de dag van Jehovah’s verbolgenheid.”

[Illustratie op blz. 17]

De uitvinding van de ontpittingsmolen leidde tot de uitbreiding van de slavenarbeid

[Verantwoording]

De oude drukkerij/Kenneth M. Newman

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen