Scholieren doen mee aan de Nationale Geschiedenisdag
IN APRIL 1991 begonnen de telefoontjes binnen te komen op het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York. Ze kwamen van jonge mensen die researchprojecten over de Getuigen deden.
Elk jaar doen in de Verenigde Staten in het kader van Nationale Geschiedenisdag leerlingen van de zesde klas van de basisschool tot en met de hoogste klas van de middelbare school mee aan door de school gesponsorde prijsvragen rond een jaarlijks thema. Het thema voor dit jaar, „Rechten in de geschiedenis”, heeft te maken met het 200-jarig bestaan van de Amerikaanse Bill of Rights. Er werd een lijst met daarmee verband houdende informatie verschaft om scholieren te helpen bij hun keuze van een uit te werken onderwerp.
Zo’n 500.000 leerlingen deden mee aan zeven prijsvraagcategorieën. Voor Jehovah’s Getuigen waren de inzendingen interessant van enkele scholieren uit de tweede klas van de middelbare school die uiteindelijk de winnaars in hun staat waren en later hun werk voordroegen in Washington D.C.
Twee veertienjarige meisjes uit Pennsylvania, Nicole DiSalvo en Gwen Naglak, die geen getuigen van Jehovah zijn, kozen twee vlaggegroetzaken uit de jaren ’40 waarbij de Getuigen betrokken waren. Voor hun research spraken zij met de betrokkenen bij de zaken Minersville School District v. Gobitis en West Virginia Board of Education v. Barnette en zij brachten een bezoek aan het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen om meer over de overtuiging van de Getuigen te weten te komen.a
Een mondelinge voordracht
Nicole hield een mondelinge voordracht getiteld „De moed om te gaan zitten”. Zij beeldde Lillian Gobitas uit en bracht de gevoelens en moed van Lillian — een meisje in de schoolgaande leeftijd — tot leven toen zij Lillians persoonlijke beslissing verwoordde niet de vlag te groeten, in weerwil van haar doodverklaring door de andere scholieren. Zij bracht Lillians vreugde tot uitdrukking over het winnen van elke stap in het gerechtelijke proces dat in 1940 naar het Hooggerechtshof voerde. Gehuld in een zwarte toga om een rechter van het Hooggerechtshof uit te beelden, sprak zij het vonnis van het Hof uit waarbij het meisje Gobitas in het ongelijk werd gesteld. Hoewel de zaak verloren werd, bracht Nicole Lillians overtuiging over dat haar besluit voor haar het juiste was.
Een schriftelijke presentatie
Gwen Naglak analyseerde in haar opstel „Eén natie onder God” de wereldsituatie zoals die in 1935 was en het feit dat Jehovah’s Getuigen weigerden de vlag te groeten. De lezer voelt de uitwerking daarvan als eerst William van tien en dan Lillian van twaalf van school worden gestuurd.
In de rechtszaken die op hun verwijdering van school in Pennsylvania volgden, beslisten alle rechters ten gunste van de familie Gobitas. Het schoolbestuur bracht de zaak echter voor het Hooggerechtshof. Daar, op 3 juni 1940, besliste het Hof ten nadele van de familie Gobitas. Eén gevolg daarvan was, dat zich duizenden gevallen van mishandeling van Jehovah’s Getuigen voordeden. Daarna volgde Gwen de gebeurtenissen tot de beslissing van het Hooggerechtshof in 1943, toen het Hof de uitspraak van 1940 herriep.
In haar besluit schreef Gwen: „Ik bewonder Lillian en William omdat zij de moed hadden om te doen wat naar hun mening juist was en vochten voor hun overtuiging. In mijn ogen zijn zij degenen die hun land werkelijk liefhebben.”
Een gezamenlijke voordracht
„Een goddelijk gebod, een grondwettelijk recht” was de titel van een voordracht door twee andere scholieren uit de tweede klas van de middelbare school, Robert Young en Stacey Wright uit Virginia, beiden getuigen van Jehovah. Robert beeldde een journalist bij een krant uit die een vraaggesprek voerde met Lillian Gobitas, uitgebeeld door Stacey.
Robert en Stacey hadden, onder ouderlijk toezicht, ruim 4000 kilometer afgelegd om informatie voor hun project te verzamelen. Een van de feiten die bij hun speurwerk aan het licht kwamen, was dat het groeten van de vlag in de Verenigde Staten uit de negentiende eeuw dateerde. En zij ontdekten tot hun verbazing dat George Washington tegen eden van trouw aan iemands land gekant was.
Al deze jonge mensen gingen beter de woorden begrijpen van professor C. S. Braden, die in zijn boek These Also Believe over Jehovah’s Getuigen zei: „Zij hebben de democratie een opmerkelijke dienst bewezen door hun gevecht voor het behoud van hun burgerrechten, want in hun strijd hebben zij veel gedaan om die rechten voor elke minderheidsgroep in Amerika zeker te stellen.”
[Voetnoot]
a Zie voetnoten op blz. 22 en 23.