Gebrandschilderd glas — Van middeleeuws tot modern
TERWIJL de stralen van de ochtendzon over de horizon begonnen te vloeien, werd een man die net opstond, begroet door schitterende edelsteenkleuren die door een gebrandschilderd raam vielen. De warme gloed schiep een vredige stemming, die uitnodigde tot nadenken en meditatie.
Was de man naar de kerk gegaan om te bidden en toen in slaap gevallen? Nee, hij bevond zich in de beslotenheid van zijn eigen slaapkamer en was een van het groeiende aantal huiseigenaars die hun woonstee verfraaien met gebrandschilderde ramen, soms vervaardigd door de huiseigenaar zelf.
„Bijbel van de armen”
Hoewel er al vermeldingen van ramen met afbeeldingen in gekleurd glas bestaan die uit de negende eeuw dateren, kwam deze kunstvorm vooral tot bloei in de twaalfde eeuw, toen de gotische kathedralen verschenen. Deze reusachtige stenen bouwwerken, die tot de grootste afzonderlijke gebouwen behoren die er sinds de piramiden opgetrokken zijn, waren zo ontworpen dat ze met gemak de hele bevolking van een stad tegelijk konden bevatten, sommige wel 10.000 gelovigen.
Karakteristiek voor de gotische architectuur waren de skeletbouw en de buitengewone hoogte, met interieurs die in hoogte varieerden van 27 tot 46 meter. Reusachtige panelen van prachtig glas verlichtten die spelonkachtige gebouwen, zij het niet al te helder, zodat er voor de gelovigen een mystieke, ontzag inboezemende sfeer werd geschapen.
Het is interessant dat de ramen nog een ander doel dienden. Daar een groot deel van de bevolking niet kon lezen, was het beeldvenster een middel om de mensen vertrouwd te maken met bijbelse figuren en gebeurtenissen, alsook met kerkelijke leerstellingen. De ramen kwamen bekend te staan als de Biblia pauperum of „bijbel van de armen”.
In Chartres, een stad die 77 kilometer ten zuidwesten van Parijs ligt, staat een kathedraal die de grootste collectie oorspronkelijke ramen bevat daterend van omstreeks 1150 tot 1240, waarvan er nog ruim 170 intact zijn. Een van de opmerkelijkste, de „Boom van Jesse”, beeldt Jezus’ stamboom af, te beginnen bij de vader van David, Jesse of Isaï. Taferelen uit Jezus’ bediening en zijn gelijkenissen van de barmhartige Samaritaan, de rijke man en Lazarus, en de verloren zoon zijn ook in glas uitgebeeld. Andere voorstellingen vertellen een verhaal met een reeks kleinere ramen die men medaillons noemt. Daar Maria door de Rooms-Katholieke Kerk wordt vereerd, is zij het onderwerp van veel ramen en wordt zij vaak aangeduid met een term ontleend aan het oude heidendom: „Koningin des Hemels”.a
De kunst raakt in verval
Oorspronkelijk werd bij deze kunstvorm gebruik gemaakt van een bruin email, grisaille genoemd, om details als gelaatstrekken, vingers en plooien in kledingstukken in te vullen. Geleidelijk ging men meer dan alleen de noodzakelijke details inschilderen, en toen er emailverven werden ontwikkeld, werd kleurloos glas het doek voor glasschilders. De aldus ontstane glasschilderingen misten echter de helderheid en schoonheid van de middeleeuwse meesterstukken.
In de veertiende eeuw waarde de Zwarte Dood, de pest, door Europa en eiste zijn tol van alle kunsten. Veel van de kennis over het vervaardigen van gekleurd glas ging verloren. Strenge cisterciënzer monniken verboden de levendige beeldvensters en bevorderden daarmee het verval van de kunst. Deze factoren waren er de oorzaak van dat het brandschilderen van ramen tegen het einde van de zeventiende eeuw een vergeten kunst was geworden.
In de negentiende eeuw ontwikkelde zich met de restauratie van de gotische kathedralen een hernieuwde belangstelling voor gebrandschilderd glas. Er volgde een herleving van de gotische stijl in de bouwkunst en er werden nieuwe gebouwen, religieuze en wereldlijke, in neogotische stijl opgetrokken. Daarbij werden in het ontwerp vaak gebrandschilderde ramen opgenomen.
Vergelijking van technieken
Laten wij om te begrijpen wat er bij deze duizend jaar oude kunst betrokken is, de techniek van de vroege handwerksman eens vergelijken met die van zijn hedendaagse tegenhanger.
De basisprocedure, die bestond uit het snijden van het glas, het omzomen van de randen met lood en het aaneensolderen ervan, is in grote trekken gelijk gebleven. Eerst werd er een patroon of schets getekend, waarbij rekening werd gehouden met de beperkingen waaraan het in vorm snijden van het glas en het aanbrengen van de loodbanden onderhevig was. Het lood werd dusdanig aangebracht dat het als het raam eenmaal voltooid was, geen afbreuk deed aan het algehele effect maar het juist beklemtoonde.
Aan de Amerikaan Louis C. Tiffany (1848–1933), een glaskunstenaar die werkte in Jugendstil, wordt de invoering toegeschreven van het gebruik van koperfolie voor het omzomen van de stukjes glas, wat resulteerde in een fijnere soldeerrand dan lood en een sterker eindprodukt. Folie is buigzamer en werd algemeen gebruikt bij de vervaardiging van de originele Tiffany-lampekappen.
Doordat er vroeger slechts heel kleine glasplaten beschikbaar waren, hadden de vensters iets van een caleidoscoop. Toen er later grotere platen werden gebruikt, ging dit unieke effect verloren. Wat het feitelijke snijden betreft, daarvoor gaf de glaswerker de vorm met een fijne lijn op het glas aan met een vloeistof. Dan ging hij over de lijn met een heet ijzer, in de hoop dat het glas volgens plan zou barsten. Vervolgens werd er een gruizelijzer gebruikt om de kanten bij te gruizen totdat het stuk precies in het patroon paste. Gezien deze primitieve werktuigen moet men wel versteld staan van de geleverde prestatie bij het scheppen van een venster dat 7,6 bij 2,7 meter meet, zoals de reeds genoemde „Boom van Jesse”. Tegenwoordig maken snijwieltjes en elektrische slijpmachines het snijden van zeer ingewikkelde vormen mogelijk.
Het glas uit de twaalfde eeuw bevatte onzuiverheden, stukjes metaal bijvoorbeeld, en het was onregelmatig van dikte en van oppervlaktetextuur. Voeg daarbij nog de veranderingen teweeggebracht door de tijd en het weer, en al met al heeft de breking van het licht door deze onvolmaaktheden de vensters uit deze periode een ongeëvenaarde schittering verleend.
De keuze uit kleuren en glastexturen die tegenwoordig mogelijk is, is veel groter dan die van de middeleeuwse kunstenaar, die voornamelijk in rode en blauwe tinten werkte. Als de hedendaagse glaskunstenaar een natuurgetrouw effect wil, kan hij glas dat er uitziet als gerimpeld water voor een vijver gebruiken, blauw glas met witte strepen voor een lucht, of een bruin korrelig glas voor een boomstam.
Niet meer alleen voor kerken
De afgelopen jaren heeft het gebrandschilderde glas een renaissance doorgemaakt en wordt het niet langer uitsluitend voor religieuze thema’s in kerkvensters gebruikt. Architecten verwerken gebrandschilderde vensters en dakramen in nieuwe gebouwen. In een congreshal van Jehovah’s Getuigen in New Jersey (VS) is ook van door Getuigen vervaardigd gebrandschilderd glas gebruik gemaakt. Bij restaurants wordt deze kunstvorm vaak toegepast als een vast onderdeel van het decor, waardoor er een prettige sfeer wordt geschapen om in te eten. Er zijn veel patronen verkrijgbaar, afbeeldingen van landschappen, vogels, bloemen en andere niet-religieuze onderwerpen.
In veel steden wordt het ene atelier na het andere geopend waar vensters, scheidingswanden voor kamers, lampen, spiegels, juwelendoosjes en veel andere decoratieve maar functionele voorwerpen worden gemaakt. Met slechts enkele lessen, vaak in een van deze ateliers gegeven, of zelfs een doe-het-zelfboek, is het mogelijk deze creatieve kunstvorm thuis te beoefenen.
De volgende keer dat u een raam of een voorwerp van gebrandschilderd glas bewondert, weet u dus dat dit een kunst is met een lange geschiedenis die nu populairder is dan ooit. — Ingezonden.
[Voetnoot]
[Illustratie op blz. 23]
De „Boom van Jesse”, kathedraal van Chartres, Frankrijk
[Verantwoording]
Notre-Dame de Chartres, Chartres, Frankrijk
[Illustraties op blz. 24]
Detail van Herfstlandschap, venster van Tiffany (boven); gebrandschilderde ramen in de congreshal van Jehovah’s Getuigen in Jersey City in New Jersey, VS (links)
[Verantwoording]
Metropolitan Museum of Art, geschonken door Robert W. de Forest, 1925. (25.173)