Een dilemma voor de Katholieke Kerk
„EEN NIEUWE PINKSTEREN.” Dat was de hoop die paus Johannes XXIII uitsprak in verband met het oecumenisch concilie dat in 1962 begon en dat bekend kwam te staan als het Tweede Vaticaans Concilie of Vaticanum II. Hij hoopte dat het een middel zou zijn tot geestelijke vernieuwing onder de katholieken en dat het veranderingen teweeg zou brengen die de weg zouden banen voor de hereniging der christenheid.
Die opvattingen over aggiornamento (bij de tijd brengen) werden echter niet door alle prelaten in het Vaticaan gedeeld. The New Encyclopædia Britannica bericht: „Het besluit van de paus werd dan ook koeltjes ontvangen door zijn conservatieve Curie, die ervan overtuigd was dat de kerk wel had gevaren bij het leiderschap van Pius XII en die geen geldige reden zag voor de veranderingen die Johannes voor ogen stonden. Enkele van de Vaticaanse kardinalen deden in feite alles wat in hun vermogen lag om het concilie uit te stellen totdat de oude man van het toneel verdwenen zou zijn en men stilletjes van het project af zou kunnen zien.”
Decreet over de Oecumenische Beweging
Paus Johannes XXIII leefde lang genoeg om het Tweede Vaticaans Concilie op gang te brengen, maar hij stierf kort daarna, in juni 1963, lang voordat het concilie in december 1965 eindigde. Niettemin werd op 21 november 1964 door paus Paulus VI het Decreet over de Katholieke Deelneming aan de Oecumenische Beweging afgekondigd. In de inleiding stond: „Het herstel van de eenheid tussen alle christenen bevorderen: dit is een van de voornaamste doelstellingen van de Tweede Heilige Vaticaanse Oecumenische Kerkvergadering.”
Veelzeggend zijn de woorden van de jezuïetenpriester Walter M. Abbott in The Documents of Vatican II: „Het Decreet over de Oecumenische Beweging markeert de algehele intree van de Rooms-Katholieke Kerk in de oecumenische beweging.” En in dezelfde geest zei The New Encyclopædia Britannica optimistisch onder de kop „Het rooms-katholicisme na het tweede Vaticaans Concilie”: „De Rooms-Katholieke Kerk heeft haar ’één ware kerk’-standpunt officieel laten varen.”
Maar heeft de Katholieke Kerk dat standpunt werkelijk laten varen? Op welke voorwaarden moest er eenheid tot stand gebracht worden? Na de mate waarin katholieken aan oecumenische activiteiten konden deelnemen, afgebakend te hebben, bepaalde het Decreet over de Oecumenische Beweging: „Deze heilige kerkvergadering spoort alle gelovigen aan zich te onthouden van elke lichtvaardige en onbezonnen ijver . . . Hun oecumenische activiteit moet noodzakelijk geheel en al katholiek zijn, dus trouw aan de waarheid die wij van de apostelen en de vaders hebben ontvangen, in overeenstemming met het geloof dat de katholieke Kerk altijd heeft beleden.”
Obstakels voor de eenheid
De kwestie is dat de Rooms-Katholieke Kerk haar standpunt dat ze de ene ware kerk is, niet heeft laten varen. In het Decreet over de Oecumenische Beweging wordt gezegd: „Alleen door de katholieke Kerk van Christus, als het algemene heilsmiddel, kan men toegang hebben tot de gehele volheid van de heilsmiddelen. Wij geloven namelijk, dat de Heer aan het éne apostelencollege, waarvan Petrus het hoofd is, alle goederen van het Nieuwe Verbond heeft toevertrouwd.”
In het recente Franse werk Théo — Nouvelle Encyclopédie Catholique (1989) wordt gezegd: „Voor katholieken is de paus, als Petrus’ opvolger, theologisch het blijvende element in de eenheid van de Kerk en de bisschoppen. Het is echter duidelijk dat juist de paus de voornaamste oorzaak van de verdeeldheid onder christenen is.”
Deze bron van tweedracht, de leer over het primaat van de paus, houdt nauw verband met het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid en dat van de apostolische successie van katholieke bisschoppen, die beide onaanvaardbaar zijn voor de meeste niet-katholieke kerken der christenheid. Heeft het Vaticanum II ook maar iets gedaan om het katholieke standpunt inzake deze leerstellingen te wijzigen?
De op het Tweede Vaticaans Concilie aangenomen Dogmatische constitutie over de Kerk antwoordt in paragraaf 18: „Deze heilige kerkvergadering, in de voetstappen tredend van het Eerste Vaticaans Concilie [dat het dogma der pauselijke onfeilbaarheid afkondigde] en zich daarbij aansluitend, leert en verklaart, dat Jezus Christus, de eeuwige Herder, de heilige Kerk gesticht heeft door zijn apostelen te zenden zoals Hijzelf door de Vader gezonden was (vgl. Joh.20,21); Hij is het die gewild heeft, dat hun opvolgers, namelijk de bisschoppen, tot aan de voleinding der tijden de herders van zijn Kerk zouden zijn. Maar om het episcopaat één en onverdeeld te bewaren, heeft Hij de heilige Petrus aan het hoofd van de andere apostelen gesteld en in hem het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid in geloof en gemeenschap vastgelegd. Deze leer nu over de instelling, de eeuwige duur, de macht en de aard van het gewijde primaat van de paus van Rome en over zijn onfeilbaar leergezag houdt de heilige kerkvergadering nogmaals als vast te geloven aan alle gelovigen voor en, in dezelfde opzet verder gaand, neemt zij zich voor de leer betreffende de bisschoppen, de opvolgers van de apostelen, die samen met de opvolger van Petrus, de plaatsbekleder van Christus en het zichtbaar hoofd van de gehele Kerk, het huis van de levende God besturen, ten overstaan van allen te belijden en te verklaren.”
Het is veelzeggend dat deze Dogmatische constitutie over de Kerk door paus Paulus VI juist op de dag werd afgekondigd waarop hij het Decreet over de Oecumenische Beweging ondertekende. En op diezelfde 21ste november 1964 deed hij een verklaring waarbij hij Maria proclameerde tot „’Moeder der Kerk’, dat wil zeggen, van alle gelovigen en alle zielenherders”. Hoe kan men beweren dat het Decreet over de Oecumenische Beweging ’de algehele intree van de Rooms-Katholieke Kerk in de oecumenische beweging markeert’ als de paus juist op de dag dat het openbaar werd gemaakt dogma’s wenste te bekrachtigen die volkomen onaanvaardbaar zijn voor de meerderheid van de leden van de Wereldraad van Kerken?
Het dilemma van de Kerk
Dr. Samuel McCrea Cavert, voormalig secretaris-generaal van de Nationale Raad van Kerken, die een leidende rol heeft gespeeld bij de oprichting van de Wereldraad van Kerken, verklaarde: „Het Decreet [over de Oecumenische Beweging] brengt geen echte overeenstemming tussen haar oecumenische zienswijze en haar aanname dat de Rooms-Katholieke de enige ware Kerk is. . . . Verband daarmee houdt de verdere onderstelling inzake het primaat van Petrus en zijn jurisdictie over de hele Kerk. Deze onderstellingen schijnen erop te duiden dat de rooms-katholieke opvatting van oecumenisme onveranderlijk Rome als middelpunt heeft.”
Dr. Konrad Raiser, plaatsvervangend secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken, verklaarde: „De paus [Johannes Paulus II] doet veel oecumenische uitspraken, maar hij wordt bezield door een missie die hem in een andere richting voert.”
Deze duidelijke tegenstrijdigheid tussen de Vaticaanse façade van oecumenisme en het koppige vasthouden aan de eigen traditionele opvattingen onthult slechts dat de Kerk van Rome voor een dilemma staat. Als ze oprecht is wat betreft haar deelname aan de oecumenische beweging voor christelijke eenheid, moet ze haar aanspraken laten varen de enige ware kerk te zijn. Weigert ze deze aanspraken te laten varen, dan moet ze toegeven dat haar zogenaamde oecumenisme niets anders is dan een tactische manoeuvre om de orthodoxe en protestantse kerken terug te lokken in de katholieke schaapskooi.
Botweg gezegd, de Katholieke Kerk moet toegeven dat haar eeuwenoude aanspraken vals zijn, of dat haar huidige deelname aan de oecumenische beweging pure huichelarij is. Hoe het ook zij, veel oprechte leden van de kerken der christenheid zijn verbijsterd. Zij vragen zich af of men ooit tot christelijke eenheid zal geraken.
[Inzet op blz. 8]
„Het Decreet over de Oecumenische Beweging markeert de algehele intree van de Rooms-Katholieke Kerk in de oecumenische beweging”
[Illustratie op blz. 7]
Het Vaticanum II plaatste de Katholieke Kerk voor een dilemma
[Verantwoording]
UPI/Bettmann Newsphotos