Oost-Europa — Een religieuze opleving?
BIJ de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting gedurende de afgelopen decennia in Oosteuropese landen is ook de godsdienst zwaar aan banden gelegd. Het atheïsme werd actief gepropageerd en sommige kathedralen en kerken werden in museums van het atheïsme veranderd, zoals het museum dat in Leningrad door veel toeristen wordt bezocht. De nog functionerende geestelijken werden dienstbaar aan het heersende regime. Albanië, waar alle plaatsen van aanbidding zoals kloosters, kerken en moskeeën in 1967 officieel werden gesloten, werd door Radio Tirana zelfs tot de „eerste atheïstische staat in de wereld” uitgeroepen.
Hoe gaat het thans met de godsdienst, nu overal in Oost-Europa de vrijheid ontluikt als bloesems in het voorjaar? De Franse auteur Jean-François Kahn schreef in dat verband: „Een godsdienst die met vervolging te kampen heeft, kan de handen ineenslaan met een land dat met verdrukking kampt. Het gebeurde gisteren in Iran. Het gebeurt vandaag in het Russische Azerbajdzjan. Morgen zou het overal in Rusland om zich heen kunnen grijpen.” Zelfs nu verklaren sommige godsdiensten zich solidair met nationalistische idealen en aspiraties en worden ze een van de voornaamste spreekbuizen voor politieke protesten, gesanctioneerd door de aanwezigheid van hun katholieke en orthodoxe priesters en lutherse predikanten.
Hoe staat het dus met de vrijheid van godsdienst in de nieuwe atmosfeer van democratie?
Wat een veranderingen!
De grote godsdiensten van Oost-Europa, vooral de Katholieke Kerk, hebben onmiddellijk stappen gedaan om wettelijk erkend te worden door de nieuwe regeringen. Zo berichtte L’Osservatore Romano dat er „op 9 februari [1990] een verdrag werd getekend tussen de Heilige Stoel en de republiek Hongarije”. Bij dit verdrag kwamen de twee partijen overeen opnieuw diplomatieke betrekkingen aan te knopen. (Het Vaticaan wordt als een aparte soevereine staat beschouwd.)
In een ander verslag van het Vaticaan wordt gezegd dat de Katholieke Kerk van de Oekraïense ritus, die in 1946 werd verboden, legalisatie heeft aangevraagd en de discussie is aangegaan „met de regering en met de Russisch-Orthodoxe Kerk over praktische vraagstukken inzake het kerkelijk leven in de Oekraïne”.
In april 1990 bezocht de paus Tsjechoslowakije, waar hij op het vliegveld van Praag werd begroet „door hoogwaardigheidsbekleders van Kerk en Staat, onder wie . . . de heer Vaclav Havel, president van de republiek” (L’Osservatore Romano). Ook daar ontwikkelt zich een nieuw religieus klimaat.
De Katholieke Kerk is in Polen altijd een macht geweest waarmee rekening moest worden gehouden. Nu is ze met haar herwonnen vrijheid haar krachten aan het beproeven en voert ze campagne voor het herinvoeren van godsdienstlessen op de scholen. Een priester verklaarde: „Scholen zijn nationaal bezit. De Poolse natie is voor meer dan 90 procent katholiek. . . . Het godsdienstonderwijs op school zal, met alle respect voor andere godsdiensten, het gezag herstellen van de onderwijzers en . . . van de autoriteiten, omdat het zich bezighoudt met de ethische ruggegraat van de mens.”
In een verslag over de Orthodoxe Kerk in Roemenië wordt gezegd: „De Patriarch en een aantal bisschoppen die collaboreerden met het regime [Ceauşescu] werden gedwongen af te treden. Er werd een Commissie ingesteld om de Kerk nieuw leven in te blazen. Veel voormalige niet-gelovigen keren zich tot de godsdienst en vullen de plaatselijke kerken . . . De Byzantijnse Katholieke Kerk van Roemenië, die veertig jaar geleden gedwongen werd zich te ontbinden, heeft toestemming gekregen zich opnieuw te organiseren.” — Orthodox Unity, juli 1990.
Veranderingen in Albanië
Volgens nieuwsberichten voltrekken zich geleidelijk verrassende veranderingen in Albanië, een klein bergachtig land met 3.250.000 inwoners, dat tussen Joegoslavië en Griekenland verscholen ligt aan de kust van de Adriatische Zee. In de Duitse krant Die Welt werd bericht: „In Albanië, het laatste bolwerk van het communisme oude stijl in Europa, zijn de mensen begonnen met hun voeten te stemmen” door hun toevlucht te zoeken in westerse ambassades, van waar uit zij dan mochten vertrekken naar Italië, Duitsland en andere landen.
Het bericht vervolgt: „In mei 1990 werden de Albanezen paspoorten beloofd en de opheffing van wetten waarbij godsdienstige activiteiten verboden waren” (The German Tribune, 15 juli 1990). De hoogleraar in de geschiedenis Denis R. Janz schreef: „De lange en felle strijd voor totale secularisatie schijnt van de baan te zijn.” Hij voegt daar echter aan toe: „Er zijn aanwijzingen . . . dat de godsdienst in deze samenleving in feite een verpletterende slag is toegebracht.”
In deze situatie bewaren Jehovah’s Getuigen hun gebruikelijke en strikte neutraliteit. Op grond van bijbelse beginselen bemoeien zij zich niet met politieke en nationalistische tweedracht. Zij vertrouwen erop dat God hun vredige omstandigheden zal schenken waaronder zij zich van hun opdracht Gods koninkrijk wereldwijd te prediken, kunnen kwijten. — Mattheüs 22:21; 1 Timotheüs 2:1, 2; 1 Petrus 2:13-15.
Hoe staat het dan met Jehovah’s Getuigen in Oost-Europa? Hebben zij voorspoed genoten toen hun organisatie verboden was? Is er godsdienstvrijheid voor hen?
[Illustratie op blz. 7]
Zullen de mensen terugkeren naar de kerken van Oost-Europa?