Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g90 8/12 blz. 17-19
  • Ik was een gijzelaar

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik was een gijzelaar
  • Ontwaakt! 1990
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik identificeer me
  • Geen medeplichtige
  • Eindelijk bevrijd
  • „Haal geen stomme streek uit of ik vermoord je”
    Ontwaakt! 1991
  • Mijn lange, zware strijd voor het ware geloof
    Ontwaakt! 1995
  • Iets ergers dan AIDS
    Ontwaakt! 1989
  • Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
Meer weergeven
Ontwaakt! 1990
g90 8/12 blz. 17-19

Ik was een gijzelaar

„Vraag je God of alles goed af mag lopen!” Die woorden kwamen van een vreemde die, nog maar enkele uren eerder, mij — een hulpeloze vrouw — in een stevige nekgreep had gehouden en mij met een handgranaat had bedreigd. Buiten hielden scherpschutters van de politie hun wapens gericht op de ruimte waar ik werd vastgehouden. Ik was een gijzelaar in een bank in Guatemala-Stad!

De man riep luid: „Geen beweging, van niemand! Dit is een overval! Ik wil al het geld!” Hij schreeuwde naar de politie: „Niet schieten. Wat ik in m’n hand heb, is geen speelgoed. Als jullie schieten, ben ik niet de enige die eraan gaat. Dan worden we allemaal aan stukken gereten!”

IK BAD tot Jehovah God en vroeg hem mij te helpen, daar ik voelde dat ik in paniek raakte. Ik vroeg hem mij te helpen kalm te blijven en de beproeving te doorstaan. Ik bedacht dat hij een sterke toren is waar de rechtvaardigen heensnellen voor bescherming. — Spreuken 18:10.

Toen ik mijn kalmte herwonnen had, merkte ik dat de bankemployés en ook de klanten erin geslaagd waren weg te komen. Alleen het bewakingspersoneel, de overvaller en ik waren nog over. Toen mocht het bewakingspersoneel vertrekken.

Na enige tijd mochten er vier ongewapende mannen binnenkomen, onder wie een psycholoog (zoals ik later hoorde) en een journalist. Beiden stelden de man vragen, bijvoorbeeld waarom hij zo handelde. Hij antwoordde dat het een wraakneming was omdat enkele instellingen hem slecht behandeld hadden.

Ik identificeer me

Op dat moment zag ik er rustig uit en dus begon de psycholoog mij vragen te stellen. Hij vroeg de naam van mijn ouders en van mijn broers en zussen. Ik identificeerde me als een van Jehovah’s Getuigen en als de oudste van vijf kinderen die van christelijke ouders bijbelse beginselen ingeprent hadden gekregen.

Terwijl de avond langzaam voortkroop, gingen de vier mannen één voor één weg. Ik vroeg de overvaller mij ook te laten gaan. Zijn antwoord was afwijzend. Hij zei: „Maak je geen zorgen. Alles komt goed. Ze geven me wat ik hebben wil en dan kun je naar huis.” Ik antwoordde: „Ze geven u niets. Ze doden ons. Alstublieft, laten we naar buiten gaan.” Maar hij zei: „Ik sterf liever, en als het niet anders kan, sterven we allebei.”

Me herinnerend wat hij eerder had gezegd, probeerde ik met hem te redeneren: „Was ik erbij toen ze u slecht behandelden?” „Nee”, zei hij. „Waarom moet ik dan boeten voor iets wat ik niet gedaan heb?”, vroeg ik. Hij antwoordde: „Dat is het noodlot. Als we hier moeten sterven, dan sterven we.” Maar ik reageerde: „Dat is het noodlot niet. Ú hebt u in het hoofd gehaald dat u moet sterven. Jehovah is een God van liefde; hij schenkt ons vergeving. Hij stelt ons in de gelegenheid onszelf te redden omdat zijn voornemen niet veranderd is. Hij zal weer een paradijs van deze aarde maken.”

Op dat moment stapte er iemand de bank binnen en drong er bij de overvaller op aan zich over te geven. Hij zei: „Laten we onderhandelen. Laat Siomara vertrekken. Pak het geld van de balie en uit de kluis en laten we samen weggaan zodat u niets overkomt.” Maar de overvaller reageerde afwijzend.

Geen medeplichtige

Er verstreken uren. Toen hoorde ik plotseling een man door een megafoon zeggen: „Geef jullie over! Jullie winnen het toch niet. Kom naar buiten met je handen omhoog. Zeg tegen de overvaller dat hij zich overgeeft. Je bent geen gijzelaar. Je bent een medeplichtige! Hou op met die komedie!” Geschrokken riep ik: „Wat geeft u het recht mij te beschuldigen?” De stem antwoordde: „Wij hebben je geobserveerd en gezien hoe kalm je bent. Geen mens zou in jouw plaats zo zijn.”

Toen ik dit hoorde, riep ik luid Jehovah’s naam aan en bad. Daarop zei ik tegen de man die mij door de megafoon beschuldigde: „Dat zal de rest van uw leven op uw geweten blijven drukken, want u beschuldigt me van iets wat u niet kunt bewijzen.” Later hoorde ik dat een plaatselijke krant en een tv-station ook vermeld hadden dat ik kennelijk medeplichtig was.

Op dat moment viel de overvaller mij in de rede: „Laat haar met rust! Zij heeft niets met mij te maken! Ik heb haar hier aangetroffen en zij doet alleen maar wat ik zeg.”

Er schoot mij te binnen dat Jehovah ons geen geest van lafhartigheid heeft gegeven maar een geest van kracht en van gezond verstand (2 Timotheüs 1:7). Dit, en de wetenschap dat ik niet alleen was, vervulden me met moed. Ik voelde me intens opgelucht en dacht: ’Als wij leven, weten wij dat het voor Jehovah is, en als wij sterven, is het ook voor hem.’ — Romeinen 14:8.

Na middernacht vroeg ik de overvaller opnieuw of hij van gedachten veranderd was. Toen hij dat ontkende, begon ik over mijn familie. Ik vertelde hem dat ik van hen hield, dat ik hen niet wilde verlaten, ook al wist ik dat als het Jehovah’s wil was, ik hen in de nieuwe wereld terug zou zien. Toen was het dat de overvaller me zei tot God te bidden en Hem te vragen of alles goed mocht aflopen.

Het leek of buiten de bank enkele van de politieagenten mij iets duidelijk trachtten te maken. Later hoorde ik dat zij probeerden te bereiken dat ik dichter naar de deur toe zou gaan zodat zij mij zouden kunnen helpen weg te komen. En ik hoorde hen tegen de overvaller zeggen: „Pak het geld dat daar ligt en laat haar naar buiten komen. Wij weten dat Siomara hier niets mee te maken heeft.”

Ik wist niet dat mijn ouders buiten stonden, samen met een paar van mijn christelijke geloofsgenoten. Zij hadden duidelijk helpen maken dat ik niets met de overvaller uit te staan had.

Toen kwam er een nieuwe eis van de overvaller: „Ik wil een patrouille-auto met alleen een ongewapende chauffeur om mij te brengen waar ik heen wil, en als wij op een veilige plek zijn, zal ik haar laten gaan. Als jullie proberen mij neer te schieten, zullen zij en ik in stukken worden gereten.” Maar ik hield vol: „Zet dat toch uit uw hoofd. U denkt alleen aan sterven. Maar ons lichaam behoort Jehovah toe.”

Eindelijk bevrijd

Om een uur of vier ’s ochtends begon ik me ziek te voelen. Er waren meer dan 16 uur verstreken sinds ik de bank was binnengestapt. Ik had niet geslapen en niets gegeten en het geluid van de stem door de megafoon maakte ons allebei zenuwachtig.

Toen de dag aanbrak, sprak er een vrouw die arts bleek te zijn tegen me. Ze zei dat ik me elk moment ellendiger zou gaan voelen. De overvaller zei tegen me: „Hou alsjeblieft nog even vol.” Toen stemde hij erin toe dat er iemand binnen zou komen om mij te verzorgen. Maar de mensen buiten die dat moesten doen, waren bang en wilden niet naar binnen.

Omstreeks kwart voor acht ging er een koude rilling door mijn hele lichaam. Ik voelde me duizelig en viel op de grond, bewusteloos. Toen ik bijkwam, lag ik buiten! Een politieagent hielp me overeind en met de hulp van twee anderen liep ik naar de patrouille-auto en werd naar een ziekenhuis gebracht. Bij het uitstappen viel ik weer flauw en ik kwam pas bij bewustzijn toen ik medische hulp kreeg. Toen werd mij gezegd: „Je bent nu veilig. Alles is goed afgelopen. Rust maar uit.” Mijn gedachten gingen naar Jehovah God. Ik dankte hem dat hij mij geholpen had deze beproeving te doorstaan.

Later vertelden mijn ouders me hoe ik uit de bank was gekomen. De overvaller had me naar buiten gebracht en geprobeerd me bij te brengen. Maar hij liet me eventjes los en draaide zich om naar de bank. Op dat moment wist de politie hem te overmeesteren en werd ik bevrijd. De politie wist niet wat de overvaller ertoe had gebracht me los te laten en naar de bank te kijken terwijl hij wist dat daar niemand was.

Na vier dagen in het ziekenhuis werd ik ontslagen en ik ging naar huis. Ik was diepbewogen door de uitingen van liefde van mijn christelijke broeders en zusters. Zo’n 60 van hen kwamen mij thuis opzoeken. Wat een vreugde te weten dat mijn familie en ik niet alleen waren! Ik kon nadenken over mijn doel in het leven, het dienen van God, en over de betrouwbaarheid van de woorden: „Ik heb Jehovah geraadpleegd en hij heeft mij geantwoord, en uit al mijn verschrikkingen heeft hij mij bevrijd” (Psalm 34:4). — Verteld door Siomara Velásquez López.

[Illustratie op blz. 18]

Siomara Velásquez López

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen