T-cellen en B-cellen volgen een opleiding
DE T-cellen en de B-cellen kunnen niet zo maar rechtstreeks vanuit het beenmerg ten strijde trekken. Hun wapens zijn ultramodern. Een geavanceerd technische opleiding is onontbeerlijk voordat ze er op uit trekken. De T-cellen gaan zich bezighouden met biologische oorlogvoering. De specialisatie van de B-cellen is geleide projectielen. Ze krijgen hun opleiding daarvoor op de technische hogescholen van het immuunsysteem.
Vandaar dat de helft van de miljoenen lymfocyten die er per minuut in het beenmerg worden geproduceerd, naar de thymus gaat — een kleine klier die achter het borstbeen ligt — voor hun opleiding als T-cellen. Hierover zegt het boek The Body Victorious: „De lymfocyten die de technische colleges in de thymus volgen, zijn de helper-, de suppressor- en de killer-cellen die T-lymfocyten (of T-cellen) worden genoemd. Ze behoren tot de onontbeerlijkste strijdkrachten van het immuunsysteem.”
Antilichamen — 10.000 per cel per seconde!
De andere „helft van de nog niet geschoolde lymfocyten”, zo vertelt The Body Victorious ons, bestaat uit B-cellen, die naar de lymfklieren en aanverwante weefsels gaan voor hun opleiding om geleide projectielen, antilichamen genoemd, te kunnen vervaardigen en lanceren. Als de B-cellen „zich in deze weefsels verzamelen, zijn het net blanco pagina’s: ze weten niets en moeten van het begin af leren” „het vermogen te verwerven om specifiek te reageren op lichaamsvreemde stoffen”. In de lymfklieren „vermenigvuldigt en differentieert” een rijpe, door helper-T-cellen en een verwant antigeen geactiveerde B-cel „zich, zodat er plasmacellen worden gevormd die in een tempo van ongeveer 10.000 moleculen per cel per seconde identieke antilichamen met één enkele specificiteit afscheiden”. — Immunology.
Om ons te helpen ons een voorstelling te maken van de omvang van wat het immuunsysteem tot stand brengt, wordt in een artikel in de National Geographic van juni 1986 uiteengezet voor welk probleem de thymus staat: „Naarmate de T-cellen in de thymus rijpen, leert op de een of andere manier een ervan de antigenen van, zeg maar, het hepatitisvirus herkennen, een ander de antigenen van een griepvariëteit identificeren, een derde rhinovirus 14 [een verkoudheidsvirus] onderscheiden, enzovoort.” Na een opmerking over de „verbijsterende taak waar de thymus voor staat”, zegt het artikel dat er in de natuur „antigenen in honderden miljoenen verschillende vormen [bestaan]. De thymus moet een groep T-cellen afleveren die ze stuk voor stuk herkent. . . . De thymus programmeert tientallen miljoenen T-cellen. Ook al herkennen slechts een paar ervan één bepaald antigeen, de collectieve verkenningsmacht is groot genoeg om de bijna oneindige variëteit aan antigenen die de natuur produceert te identificeren.”
Terwijl sommige van de helper-T-cellen de macrofagen ertoe stimuleerden zich te vermenigvuldigen, koppelden andere zich in de lymfklieren aan de daar aanwezige B-cellen, waardoor die zich vermenigvuldigden. Veel ervan worden plasmacellen. Nogmaals, de helper-T-cellen moeten de juiste receptoren hebben om zich bij de B-cellen te kunnen voegen en ze ertoe te brengen plasmacellen te produceren. Het zijn die plasmacellen die duizenden antilichamen per seconde beginnen te produceren.
Daar elke plasmacel slechts één soort antilichaam maakt, met een receptor die specifiek is voor slechts één ziekte-antigeen, zijn er al gauw miljarden in de frontlinies om koers te zetten naar de antigenen van één specifieke ziekte. Ze hechten zich vast aan de indringers, verlammen ze en laten ze samenklonteren, zodat ze verleidelijker hapjes voor de fagocyten worden. Dit, samen met het afgeven van bepaalde chemische verbindingen door de T-cellen, zweept de macrofagen op tot een ware zwelgpartij, zodat ze miljoenen van de binnendringende micro-organismen verslinden.
Bovendien kunnen de antilichamen zelf tot de dood van deze micro-organismen leiden. Hebben ze zich eenmaal vastgezet op zijn oppervlakte-antigenen, dan spoeden speciale eiwitmoleculen, complementfactoren genaamd, zich naar de ziektekiem. Is het vereiste aantal complementfactoren op zijn plaats, dan doorboren ze de celwand van het micro-organisme, er stroomt vloeistof naar binnen en de cel barst en sterft.
Deze antilichamen moeten natuurlijk ook de juiste receptoren hebben om zich aan de indringers te hechten. In verband hiermee zegt de 1989 Medical and Health Annual van de Encyclopædia Britannica, blz. 278, dat B-cellen in staat zijn „tussen de 100 miljoen en een miljard verschillende antilichamen te produceren”.
Killer-T-cellen voor biologische oorlogvoering
Zo langzamerhand hebben de helper-T-cellen miljoenen van de opruim-macrofagen laten aanrukken om de vijand te verslinden en hebben ze B-cellen met hun antilichamen gestimuleerd om zich in de strijd tegen de indringers te werpen, maar er zijn nog meer strijdkrachten die door de helper-T-cellen worden opgeroepen. Ze brengen miljoenen van de dodelijkste strijders in het geweer — de killer-T-cellen.
Het doel van virussen, bacteriën en parasieten is, in de lichaamscellen te komen, want eenmaal daar zijn ze veilig voor de macrofagen en de B-cellen en hun antilichamen — maar niet voor de killer-T-cellen! Een van deze geïnfecteerde cellen hoeft slechts langs een killer-T-cel te strijken om die ertoe te brengen de geïnfecteerde cel met dodelijke eiwitten vol gaten te schieten, het DNA te vernietigen en de celinhoud naar buiten te laten stromen, zodat ze de dood vindt. Op die manier kunnen killer-T-cellen zelfs gemuteerde cellen en kankercellen aanvallen en vernietigen.
Naast killer-T-cellen bevat het arsenaal van het immuunsysteem nog andere killer-cellen, namelijk natural killer- of NK-cellen. In tegenstelling tot de T- en B-cellen behoeven deze NK-cellen niet door een specifiek antigeen geactiveerd te worden. Kankercellen en cellen waarin andere virussen zijn binnengedrongen, zijn kwetsbaar voor hun aanvallen. Maar hun bereik zou wel eens niet tot virussen beperkt kunnen zijn. In Scientific American van januari 1988 wordt gezegd dat hun „voornaamste doelwit denkelijk tumorcellen zijn, en misschien ook cellen die door andere agentia dan virussen zijn geïnfecteerd”.
Hoe vinden deze ziektebestrijders de binnendringende micro-organismen? Wordt er lukraak te werk gegaan? Nee. Er wordt niets aan het toeval overgelaten. Ziekte-antigenen en T-cellen, B-cellen, fagocyten en antilichamen circuleren in het hele lichaam via de bloedstroom en het lymfstelsel. De secundaire lymfoïde organen, zoals de lymfklieren, de milt, de neus- en keelamandelen, stukjes lymfatisch weefsel in de dunne darm, en de appendix, zijn plaatsen waar immuunreacties op gang komen. De lymfklieren spelen een voorname rol. Lymfe is de vloeistof die de cellen in onze weefsels omgeeft. Ze vindt haar oorsprong in die weefsels, verzamelt zich in dunwandige vaten en stroomt naar de lymfklieren, vervolgt haar weg door de rest van het lymfstelsel en voltooit ten slotte haar omloop door zich te legen in de grote aders die naar het hart leiden.
Als de ziekte-antigenen door de lymfklieren gaan, worden ze uitgefilterd en vastgehouden. Het kost de ziektebestrijders van het immuunsysteem 24 uur om het hele lymfcircuit te doorlopen, maar 6 uur van die tijd wordt in de lymfklieren doorgebracht. Daar stuiten ze op de betrapte binnengedrongen antigenen en er begint een verwoede strijd. Vijandelijke antigenen die zich via de bloedstroom verplaatsen, ontsnappen evenmin. Ze worden naar de milt gedirigeerd, waar ze worden opgewacht door ziektebestrijders.
Nu is de oorlog in ons voorbij. De invasielegers zijn verslagen. Het immuunsysteem met zijn biljoen of meer witte bloedcellen heeft de strijd gewonnen. Het is tijd dat een andere categorie T-cellen het heft in handen neemt, namelijk de suppressor-T-cellen. Als die zien dat de oorlog is gewonnen, blazen ze de strijd af en ontbinden ze de strijdkrachten van het immuunsysteem.
Geheugencellen en immuniteit, en enige complicaties
Tegen die tijd echter hebben de B-cellen en de T-cellen zich van nog een essentiële taak gekweten: Ze hebben geheugencellen geproduceerd die jarenlang in de bloedstroom en de lymfvaten circuleren — in sommige gevallen levenslang. Mocht u ooit besmet worden met hetzelfde type griepvirus of verkoudheidsvirus, of met een andere vreemde stof waarmee u in het verleden in aanraking bent geweest, dan zullen deze geheugencellen dat onmiddellijk constateren en het immuunsysteem in het geweer brengen voor een snelle en overweldigende aanval. De geheugencellen zullen snel een stroom van het specifieke type B-cellen en T-cellen aanmaken dat de eerste aanval van deze bepaalde indringer heeft afgeslagen. De nieuwe invasie wordt in de kiem gesmoord voordat ze vaste voet krijgt. Misschien zou het oorspronkelijk drie weken gevergd hebben voordat de indringer verslagen was, maar nu heeft hij geen schijn van kans. Uw vorige besmetting door die bepaalde indringer heeft u er immuun voor gemaakt.
Het beeld wordt echter gecompliceerd door het bestaan van verschillende typen griepvirussen, die vaak stammen uit verschillende delen van de wereld. Daarnaast zijn er zo’n 200 typen van het verkoudheidsvirus, en elk type heeft zijn eigen specifieke antigeen. Er moeten dus 200 verschillende typen helper-T-cellen zijn, waarbij elk type een receptor heeft die past bij het antigeen van een van de 200 verkoudheidsvirussen. Maar dat is nog niet alles. In de verkoudheids- en griepvirussen doen zich voortdurend mutaties voor, en iedere keer dat dit gebeurt, is er een nieuw verkoudheids- of griepantigeen, waarvoor een nieuwe helper-T-cel-receptor nodig is die erbij past. Het verkoudheidsvirus blijft de sloten veranderen en dus moet de T-cel de sleutels blijven veranderen.
Steek dus niet de draak met artsen die niet eens de gewone verkoudheid kunnen genezen, maar begrijp het probleem. De bepaalde verkoudheid die u hebt, kan worden genezen en zal u nooit meer plagen, maar nu komt er een pas gemuteerd verkoudheidsvirus aanzetten, en uw immuunsysteem moet een volkomen nieuwe helper-T-cel leveren om de immuunkrachten op de been te brengen voor de strijd ertegen. U wint een veldslag, maar al gauw begint de volgende. De oorlog is eindeloos.
Hersenen en immuunsysteem staan met elkaar in contact
Het is geen wonder dat men het immuunsysteem en de hersenen qua ingewikkeldheid op één lijn stelt. Uit onderzoek blijkt steeds weer dat er onderlinge communicatie is in verband met onze gezondheid en dat de geest invloed uitoefent op het lichaam, ook op het immuunsysteem. De volgende citaten geven te kennen dat er een relatie bestaat tussen de hersenen en het immuunsysteem. Het is een kwestie van wederzijdse beïnvloeding van geest en lichaam.
„Immunologen ontdekken meer over de schakels tussen geest en lichaam, de mechanismen van psychosomatische ziekten.” — National Geographic, juni 1986, blz. 733.
Erkend maar nauwelijks begrepen is het verband tussen het immuunsysteem en de hersenen. Mentale stress, het verlies van een dierbare, eenzaamheid en neerslachtigheid beïnvloeden het functioneren van de witte bloedcellen of lymfocyten, en daardoor neemt de activiteit van de T-cellen af. „Het waarom van een groot aantal van deze reacties blijft nog een raadsel. Maar we weten zeker dat het zenuwstelsel zowel anatomisch als chemisch onlosmakelijk is verbonden met het immuunsysteem.” — Het menselijk lichaam, blz. 219.
„Het immuunsysteem . . . wedijvert met het centrale zenuwstelsel in gevoeligheid, specificiteit en ingewikkeldheid.” — Immunology, blz. 283.
In het blad Science stond over het verband tussen de hersenen en het immuunsysteem: „Er zijn veel aanwijzingen dat er een onlosmakelijk verband tussen de twee systemen bestaat. . . . Uit het beeld dat zich begint af te tekenen blijkt, dat het immuun- en het zenuwstelsel nauw geïntegreerd zijn, in staat met elkaar te overleggen om hun activiteiten te coördineren.” — 8 maart 1985, blz. 1190-1192.
Dit alles weerspiegelt de oneindige wijsheid van de Schepper van zowel het immuunsysteem als de hersenen. En dit brengt ons vervolgens op de vraag of onze Schepper, na verbazingwekkende wonderen als de hersenen en het immuunsysteem in ons opgebouwd te hebben, ons geprogrammeerd zou hebben om te sterven. Dat heeft hij in feite ook niet gedaan; het is de wetenschapper die zegt dat wij zo gemaakt zijn. Ons wordt gezegd dat cellen zich delen — er worden er elke minuut meer dan 200 miljoen in ons lichaam geschapen — om beschadigde en versleten cellen te vervangen. Maar onze cellen, zo zeggen de geleerden, delen zich niet meer dan 50 maal. Al gauw verliezen wij er meer dan wij vervangen, de ouderdom zet in en de dood volgt.
Zo is de mens echter niet geschapen; de mens heeft dit zelf teweeggebracht. Hij werd geschapen om te leven, vruchtbaar te zijn, tot velen te worden, de aarde te vullen en de aarde te beheren — zolang hij gehoorzaam was aan zijn Schepper. Maar hij werd gewaarschuwd: Wees ongehoorzaam en „stervend zult gij sterven”. De eerste mens was ongehoorzaam, voelde zich schuldig en verborg zich. Vanaf dat moment voltrekt zich in de mensheid het sterfproces. — Genesis 1:26-28; 2:15-17, Studiebijbel, voetnoot; 3:8-10.
Sterke negatieve gevoelens worden mettertijd „verrotting voor de beenderen”, en „een geest die terneergeslagen is, droogt de beenderen uit”. Het gevolg is een immuunsysteem met een verminderde capaciteit, daar er gezond, vochtig beenmerg nodig is om een overvloed van de ziektebestrijdende witte bloedcellen te produceren. — Spreuken 14:30; 17:22.
Maar het sterfproces zal plaats maken voor een proces dat het leven in stand houdt, en een volmaakt functionerend immuunsysteem zal daartoe een belangrijke bijdrage leveren. Jehovah’s voornemen dat er een paradijsaarde zal zijn, bevolkt met rechtvaardige, gehoorzame mensen, zal verwezenlijkt worden door middel van het loskoopoffer van Christus Jezus. Dan zal er niemand ziek zijn, de dood wordt tenietgedaan en ieders vlees zal „frisser dan in de jeugd” worden (Job 33:25; Jesaja 33:24; Mattheüs 20:28; Johannes 17:3; Openbaring 21:4). Dan zal het verbazingwekkende, door Jehovah ontworpen immuunsysteem nooit een veldslag tegen eventuele indringers verliezen.
Zelfs nu is ons immuunsysteem, ondanks zijn tekortkomingen, een wonder van schepping. Hoe meer wij erover te weten komen, hoe meer ons ontzag groeit voor de Grootse Schepper ervan, Jehovah God. Wij sluiten ons aan bij de geïnspireerde ontboezeming van de psalmist David: „Ik zal u prijzen omdat ik op een vrees inboezemende wijze wonderbaar ben gemaakt. Uw werken zijn wonderbaar, zoals mijn ziel zeer wel weet.” — Psalm 139:14.
[Kader op blz. 10]
Een explosieve toename van kennis, maar het raadsel blijft
Sinds het AIDS-virus heeft toegeslagen en speciaal het immuunsysteem bestookt om het uit te schakelen, is het wetenschappelijk speurwerk in een hoge versnelling geraakt. De kennis is reusachtig toegenomen. Niettemin is het immuunsysteem zo verbazingwekkend ingewikkeld dat veel ervan nog een raadsel is, zoals uit de volgende aanhalingen van immunologen blijkt.
De immunoloog John Kappler zegt: „Het onderzoek op dit terrein vordert zo snel dat de wetenschappelijke bladen verouderd zijn tegen de tijd dat ze verschijnen.” — Time, 23 mei 1988, blz. 56.
De immunoloog Leroy Hood van het California Institute of Technology zegt: „Wij hebben een goed begrip gekregen van de hardware van het immuunsysteem, maar wij weten nog bijna niets van de software die het systeem bestuurt — de genen die onze cellen zeggen wat ze moeten doen.” Over de hormoonachtige chemische signalen die reacties op gang brengen, de lymfokines, zegt Hood dat de tot dusver ontdekte „nog maar het topje van de ijsberg” zijn. — National Geographic, juni 1986, blz. 732; Time, 23 mei 1988, blz. 64.
Wetenschappelijk onderzoeker Edward Bradley: „Wij weten nu waarschijnlijk net zo weinig van het immuunsysteem af als Columbus over Amerika wist na zijn eerste reis.” — National Geographic, juni 1986, blz. 732.
[Kader op blz. 11]
Het roken van marihuana „speelt een gewichtige rol bij het verzwakken van het immuunsysteem, doordat de aanmaak van bepaalde witte bloedcellen erdoor beperkt wordt”. — Industrial Chemist, november 1987, blz. 14.
[Kader op blz. 11]
Als de oorlog een burgeroorlog wordt
„Het vermogen om onderscheid te maken tussen eigen en vreemd is een kenmerk van het immuunsysteem” (Immunology, blz. 368). Maar als er iets met het systeem mis gaat — en dat gebeurt soms — maakt het geen onderscheid meer tussen eigen en vreemd en breekt er een burgeroorlog uit, vecht het tegen zichzelf. De kwalen waarmee wij dan te maken krijgen, worden auto-immuunziekten genoemd. Daartoe denkt men te kunnen rekenen acuut reuma, reumatoïde arthritis, multipele sclerose, type I diabetes, myasthenia gravis en gesystematiseerde lupus erythematodes.
Daarnaast vergist het immuunsysteem zich soms als het onschadelijke indringers als gevaarlijke vijanden beziet. Zo kunnen een stuifmeelkorrel, een stofje en haar- of huidschilfers van dieren soms een allergische reactie teweegbrengen. Er worden dan buitensporige hoeveelheden van krachtige chemische stoffen, zoals histamine, geproduceerd om dingen te bevechten die op zich onschadelijk zijn. De symptomen van deze allergische reacties kunnen zeer vervelend zijn — een piepende ademhaling, niezen, gesnotter, een loopneus en waterige ogen. In extreme gevallen kunnen deze reacties leiden tot een toestand van zogenoemde anafylactische shock en zelfs de dood veroorzaken.
[Kader op blz. 12]
De bewijzen stapelen zich op dat bloedtransfusies schadelijk zijn voor het immuunsysteem. In honderden wetenschappelijke artikelen van de afgelopen jaren zijn bloedtransfusies in verband gebracht met immunosuppressie. „Eén eenheid totaal bloed was voldoende om immunosuppressie te zien te geven”, stond in een verslag te lezen. — Medical World News, 11 december 1989, blz. 28.
[Kader/Diagrammen op blz. 8, 9]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Verdedigers in de gelederen van het immuunsysteem
1. Fagocyten Eetcellen, in twee soorten: neutrofielen en macrofagen. Beide zijn opruimers die vuil, dode cellen en ander afval opeten, alsook grote aantallen binnendringende microben. De macrofagen zijn groter, taaier en sterker dan de neutrofielen; ze leven langer en verslinden veel meer micro-organismen. Ze zijn lang niet alleen vuilverwerkingseenheden, maar produceren verschillende enzymen en antimicrobiële stoffen en functioneren als verbindingsschakels tussen andere cellen van het immuunstelsel en zelfs de hersenen.
2. MHC (major histocompatibility complex) Moleculen op het oppervlak van cellen die de cellen identificeren als deel van het lichaam. Op macrofagen prijkt de MHC met iets van de antigenen van slachtoffers die door de macrofaag zijn verslonden, wat zowel helper-T-cel als macrofaag stimuleert zich reusachtig te vermeerderen om de gelederen te versterken voor de strijd tegen infectie.
3. Helper-T-cellen De stafchefs van het immuunsysteem; ze identificeren vijanden en stimuleren de produktie van andere strijders van het immuunsysteem, die op de been worden gebracht om de strijd tegen de indringers aan te binden. Ze roepen versterkingen uit de gelederen van macrofagen en andere T-cellen en B-cellen op en stimuleren de produktie van plasmacellen.
4. Lymfokines Hormoonachtige eiwitten, waaronder interleukines en gamma-interferon, waardoor immuuncellen met elkaar communiceren. Ze activeren veel vitale reacties van het immuunsysteem en stimuleren op die manier het verweer tegen ziektekiemen.
5. Killer-T-cellen Deze T-cellen vernietigen cellen waarin zich virussen en microben hebben verborgen. Ze schieten dodelijke eiwitten in deze cellen, slaan gaten in hun celwanden en zorgen ervoor dat de cellen barsten. Ze elimineren ook cellen die in kankercellen zijn ontaard.
6. B-cellen Gestimuleerd door helper-T-cellen gaan de B-cellen zich vermeerderen, en sommige verdelen zich en rijpen tot plasmacellen.
7. Plasmacellen Deze cellen produceren miljoenen antilichamen, die dan, als geleide projectielen, door het hele lichaam circuleren.
8. Antilichamen Als antilichamen antigenen tegenkomen waarop hun receptoren afgestemd zijn, hechten ze zich eraan vast, ze verlammen ze en laten ze samenklonteren, zodat ze verleidelijke hapjes worden voor de fagocyten. Of ze klaren het karwei zelf, met behulp van de complementfactoren.
9. Complementeiwitten Hebben de antilichamen zich eenmaal vastgehecht aan het oppervlak van het micro-organisme, dan stromen er eiwitten, complement geheten, toe en spuiten er vloeistof in, waardoor het barst en sterft.
10. Suppressor-T-cellen Als de infectie tot staan is gebracht en het immuunsysteem de strijd heeft gewonnen, komen de suppressor-T-cellen in actie met chemische signalen om de gehele reeks immuunreacties een halt toe te roepen. De veldslag is gewonnen.
11. Geheugencellen Tegen die tijd hebben de T-cellen en de B-cellen geheugencellen geproduceerd en achtergelaten die jarenlang, levenslang zelfs, in de bloedstroom en het lymfstelsel circuleren. Wordt er weer een invasie ingezet door hetzelfde soort organisme dat eerder is verslagen, dan zetten deze geheugencellen een overweldigende aanval op touw en wordt deze nieuwe invasie snel de kop ingedrukt. Het lichaam is nu immuun voor dat bepaalde micro-organisme. Dit is het mechanisme dat inentingen doeltreffend maakt voor het uitbannen van ziekten die eens een gesel waren — mazelen, pokken, tyfus, difterie, enzovoort.