Drie uur die een keer brachten in mijn leven
IK WAS tien jaar toen ik voor Kerstmis een windbuks kreeg. Ik schoot op flessen en blikken maar zocht al snel opwindender doelen — vogels, slangen, alles wat bewoog. Ik maakte een kerfje in de kolf van mijn buks voor elke vogel die ik neerschoot. Het duurde niet lang of achttien trotse kerfjes getuigden van mijn bekwaamheid als jager.
Toen gebeurde er iets waardoor er een eind aan dat alles kwam. Op een dag was ik in de achtertuin op vogels aan het jagen. Ik zag een mus in het topje van onze populier zitten, richtte zorgvuldig en haalde langzaam de trekker over. Een voltreffer! Nummer 19!
Het vogeltje viel op de grond. Ik liep naar de plek waar het lag, keek erop neer en zag het bloed op zijn veertjes. Het bewoog en scheen naar me op te kijken alsof het wilde zeggen: ’Wie heeft je het recht gegeven mij te doden?’ Toen het stierf, zakte het kopje langzaam op de grond. Ik was diepgetroffen. Ik begon te huilen. Ik holde naar mijn moeder en vertelde haar wat er gebeurd was en wat het stervende vogeltje naar mijn vaste overtuiging tegen me had gezegd. Ik heb nooit meer een vogel neergeschoten en nooit meer een kerfje in mijn buks gemaakt. Nu nog kan ik me dat zachte, met bloed bedekte plukje veren voor ogen halen. Door deze ervaring uit mijn kinderjaren ben ik me bewust geworden en gebleven van de kostbaarheid van het leven, zowel van een mensenleven als van een musseleven.
Ook andere waarden werden mij al vroeg in het leven ingeprent — eerlijkheid, respect voor ouderen, een moraal en waarheidlievendheid. Ik ben geboren in Memphis (Tennessee, VS), maar grootgebracht in een voorstad van Chicago (Illinois) genaamd Robbins. Als kind ging ik mee naar de kerk, maar de waarden die mij daar werden bijgebracht, vervaagden in de loop van de jaren. Ik zag deze waarden niet weerspiegeld in de gemeente, de diakens of de predikanten; in plaats daarvan zag ik huichelarij. Bovendien werden in de maatschappij in het algemeen zulke waarden als onpraktisch terzijde geschoven en genegeerd. Maar de les die ik door de dood van het musje leerde in verband met de kostbaarheid van het leven, is me altijd bijgebleven.
Tegen de tijd dat ik op de middelbare school kwam, ging ik niet meer naar de kerk — tot groot verdriet van mijn ouders. Mijn geweten raakte afgestompt, maar ik weet nog wel dat toen ik begon met vloeken — iedereen deed het — mijn geweten knaagde. Mijn omgang werd steeds slechter en ik verviel tot drugs en immoreel gedrag. De bijbel zegt dat het zo zou gaan, en die voorspelling werd in mij bewaarheid: „Wordt niet misleid. Slechte omgang bederft nuttige gewoonten.” — 1 Korinthiërs 15:33.
Niettemin hield een besef van goed en kwaad mij toch wel van bepaalde dingen terug. Zo had ik in het derde jaar dat ik op de middelbare school zat twee vrienden; wij zaten met elkaar in het basketballteam en waren altijd samen op stap — tot die avond dat wij een jonge vrouw tegenkwamen en mijn twee vrienden besloten haar te verkrachten. Zij smeekte hun dat niet te doen, maar toen zij toch doorzetten, werd zij hysterisch en schreeuwde dat zij haar in plaats daarvan maar moesten vermoorden. Ondanks haar verzet verkrachtten zij haar. Toen wilden zij dat ik me ook aan haar vergreep. Misselijk en vol afkeer weigerde ik mee te doen aan die lafhartige aanranding. Zij werden woedend op me en maakten me ten slotte voor allerlei verachtelijks uit. Die avond kwam er een eind aan onze vriendschap.
Jaren later besefte ik dat wat ik had meegemaakt, nog zo’n voorbeeld was van wat er volgens de bijbel zou gebeuren: „Omdat gij niet langer met hen deze weg bewandelt naar dezelfde lage poel van liederlijkheid, staan zij vreemd te kijken en gaan zij voort schimpend over u te spreken.” — 1 Petrus 4:4.
In 1965, mijn laatste jaar op de middelbare school, escaleerde de oorlog in Vietnam en ik zag me voor het dilemma geplaatst wat ik na mijn examen zou gaan doen. Ik voelde niets voor een oproep voor militaire dienst, want dan zou ik moeten doden. Ik vond doden nog steeds iets verschrikkelijks — of het nu om mussen of om mensen ging. Ik zou er gemakkelijk onderuit gekund hebben: ik kon een sportbeurs krijgen om voor een universiteit te basketballen. In plaats daarvan ging ik bij de luchtmacht, een tak van de strijdkrachten waarbij ik niet in de rimboe zou hoeven vechten en moeten doden.
Ik werd voor mijn vier dienstjaren bij een luchtbrugcommando ingedeeld als vliegtuigmonteur. Na een basisopleiding werd ik naar de CCK-Luchtmachtbasis op Taiwan gestuurd. Dat was in januari 1968. De meeste van mijn kameraden in het eskader kregen opdrachten die hen naar Vietnam, Thailand, Japan en de Filippijnen voerden. Zij konden aan alles komen wat zij wilden — ook aan hard drugs als heroïne en cocaïne. Ik was op de middelbare school drugs gaan gebruiken en nu begon ik ze te verkopen. Acht maanden later kreeg ons hele eskader een nieuwe standplaats, namelijk Okinawa (Japan), dat toen onder VS-bestuur stond. Onze drugshandel floreerde.
Mijn eskadercommandant nodigde mij persoonlijk uit naar Vietnam te gaan om er zelf eens een kijkje te nemen. Vanwege het geld en de sensatie greep ik die kans met beide handen aan. Ik vond Vietnam een prachtig land met witte zandstranden en een overvloed van tropisch groen. De Vietnamese bevolking was oprecht vriendelijk en gastvrij. Als je bij hen aanklopte, nodigden zij je binnen en gaven je te eten. Vaak vroeg ik me af: ’Wat is de zin van deze oorlog? Waarom worden deze mensen als beesten afgeslacht?’ Maar in Saigon zag ik zo veel misdaad, zo veel smerige zaakjes, zo veel corruptie en redeloos geweld! Een mensenleven was niets waard. Ik begon ernstig te twijfelen aan het vermogen en de bereidheid van de mens om ooit in vrede en geluk samen te leven.
Na mijn eervol ontslag uit de luchtmacht eind juli 1970 ging ik terug naar mijn woonplaats Robbins. Ik vond een baan en probeerde weer te wennen, maar alles was anders. Ook de mensen waren veranderd. Ja, en ik was eveneens veranderd. Thuis was mijn thuis niet meer. Mijn gedachten richtten zich op het Verre Oosten, bleven stilstaan bij herinneringen die in mijn geest gegrift waren. Mijn verlangen om naar de Oriënt terug te keren, was overweldigend. Acht maanden na mijn ontslag uit dienst kocht ik een enkele vliegreis terug naar Okinawa.
De eerste avond dat ik terug was, ging ik naar een van mijn oude stamkroegen, een club van twijfelachtig allooi die Tina’s Bar and Lounge heette. Tot mijn grote verrassing zat daar een van mijn oude makkers in de drugshandel aan de bar. Wij waren blij elkaar te zien en bedachten onmiddellijk een plan om drugs uit Thailand te smokkelen. Om Thailand binnen te komen, gaven wij ons uit voor militairen, want wij hadden valse identiteitsbewijzen, verlofpapieren, uniformen, enzovoort. Zo gingen wij van het vliegveld op weg naar Bangkok.
Daar legden wij contact met onze vooraf toegezegde gids, die ons per boomstamkano via de donkere vaarwegen en moerassen van de rimboe naar een geïsoleerd eiland bracht. Wij werden welkom geheten door een van de topfiguren in de Thaise drugshandel. Het was zo’n hoffelijke en gastvrije gastheer dat wij geen moment vermoedden dat hij de autoriteiten op de hoogte zou brengen van onze activiteiten. Maar dat deed hij wel degelijk. Zijn oogmerk was, dat zij in ruil daarvoor een deel van zijn illegale activiteiten door de vingers zouden zien.
De autoriteiten wachtten ons op bij het busstation in Bangkok — en ik had een koffer met 29 kilo drugs bij me! Toen ik de deur van het busstation binnenging, voelde ik een kil stalen voorwerp in mijn nek. Een kolonel van de Thaise politie hield een .38-revolver tegen mijn hoofd en zei heel kalm: „Verzet u zich alstublieft niet.” Wij werden gearresteerd en naar het hoofdbureau van politie afgevoerd.
Wij zouden een medeplichtige op Okinawa ontmoeten, die drie schoenendozen met heroïne bij zich zou hebben. Wij hadden gemeend dat wij met onze gezamenlijke voorraden de drugshandel op Okinawa zouden kunnen beheersen. De medeplichtige arriveerde daar met de heroïne, en toen de dozen er op de bagagetransportband aankwamen, stond de politie daar met een snuffelhond die de heroïne opspoorde. Hij raakte de heroïne kwijt, ik de koffer vol marihuana en speed, en het was met onze handel gedaan voordat hij begonnen was. Wij kwamen terecht in de Klong Prem-gevangenis. De toestanden waren er primitief. Het eten was karig. Ons voedsel bestond uit twee dagelijkse porties kleine gezouten visjes en rijst. In de twee maanden dat ik daar zat, viel ik 45 kilo af.
In de gevangenis kregen wij bezoek van een lange, gedistingeerd uitziende heer, die vertelde dat hij van het Amerikaanse consulaat kwam. Hij zei dat hij ons wilde helpen maar meer informatie moest hebben. Wij vertrouwden hem niet. Na wat heen-en-weergepraat onthulde hij ten slotte dat hij de hoogste drugsopsporingsambtenaar voor heel Zuidoost-Azië was en hij probeerde te bewijzen dat wij drugs het land uit smokkelden. De volgende dag kwam hij terug om onder vier ogen met me te praten.
„Kom er maar mee voor de dag”, zei de opsporingsambtenaar. „Doe je dat niet, dan beloof ik je dat je hier in deze gevangenis zult wegrotten.” En dus kwam ik ermee voor de dag. Ik vertelde de waarheid. Vervolgens vroeg hij: „Hoe zou je het vinden om voor mij te werken als buitengewoon agent?” Daarmee overrompelde hij me volkomen, maar ik stemde er ten slotte in toe deze undercover-operaties met hem uit te voeren.
Uiteindelijk werd ik vrijgelaten uit de gevangenis en keerde ik naar Okinawa terug om mijn nieuwe leven als speciale drugsbestrijdingsagent te beginnen. Mijn taak was, drugstransacties op te zetten met de bedoeling leveranciers die zich met de drugshandel bezighielden te arresteren. Ik deed dat werk zo’n anderhalf jaar en stopte er toen mee.
Na enige tijd hadden mijn compagnon en ik een kroeg die Papa Joe’s heette. Wij hadden barmeisjes voor ons werken als gastvrouwen en het was hun taak de Amerikaanse soldaten zoveel mogelijk drank aan te praten. Op een avond vroeg een man die aan de bar zat aan mij: „Jij bent toch Jimmy-san?”
„Ja zeker.”
„Het gaat je hier aardig voor de wind, hè?”
„Het gaat me goed. Vanwaar die vraag?”
„Ik zou je willen aanraden niet opnieuw in de handel te gaan. Doe je dat wel, dan pakken wij je en bergen je op.”
Toen besefte ik dat het een narcotica-agent was en dat ik in de gaten werd gehouden. Ik wist te veel en zij gaven me de waarschuwing niet in de handel te gaan. Het deed er niet toe. Ik zat op dat moment helemaal niet meer in de drugshandel. Ik leidde niet meer zo’n verdorven leven als voorheen.
In die tijd probeerde ik ook achter de zin van het leven te komen door mij in de oosterse godsdiensten te verdiepen. Ik besefte al gauw dat die even mysterieus en verwarrend waren als de Drieëenheidsleer van de christenheid. Ze klopten ook niet.
Toen werd er op een dag dat ik alleen thuis was bij mij aangeklopt. Er stond een wat oudere Japanse vrouw met een hartelijke glimlach op haar gezicht voor de deur. Maar het waren haar ogen die werkelijk mijn aandacht trokken. Ze schenen te fonkelen. Het was alsof ik aan haar ogen kon zien dat zij oprecht en zuiver was, dat zij daar niet stond om mij iets af te troggelen. Ik kreeg sterk het gevoel dat ik naar haar moest luisteren. Ik kon het niet verklaren, maar ik kon het ook niet negeren. En dus nodigde ik haar binnen.
Pas toen wij aan de keukentafel waren gaan zitten, begon ik echt te horen wat ze zei. Ik was als kind vaak naar de kerk geweest, maar nog nooit had ik iets op die manier rechtstreeks uit de bijbel horen voorlezen. Zij liet me zien waarom er zo veel kwaad is, dat Satan de god van deze wereld is en dat dit alles een teken is van de laatste dagen. God zou weldra opstaan om een einde te maken aan alle kwaad en voor een reine nieuwe wereld van rechtvaardigheid zorgen. Ik had me vaak afgevraagd waarom wij bestaan, of het leven enige zin had, of er een bedoeling was met deze prachtige aarde. De antwoorden stonden in de bijbel — hadden er altijd in gestaan. — Psalm 92:7; Prediker 1:4; Jesaja 45:18; Daniël 2:44; 2 Korinthiërs 4:4; 2 Timotheüs 3:1-5, 13; 2 Petrus 3:13.
Terwijl zij praatte, begonnen de stukjes van deze legpuzzel in elkaar te passen. Als zaden die jarenlang sluimerend in de grond liggen maar ontkiemen als er vocht bij komt, zo kwamen gedachten over God die in mijn geest hadden gesluimerd plotseling tot leven toen de waarheidswateren uit de bijbel eroverheen spoelden. — Efeziërs 5:26; Openbaring 7:17.
Eeuwig leven, niet in een verre hemel, maar hier op een paradijselijke aarde. De hele aarde een hof van Eden. Een opstanding die talloze miljoenen doden terug zou brengen en hun de gelegenheid zou bieden om eeuwig in dit Edense aardse Paradijs te leven. Geen pijn, geen tranen, geen lijden, geen misdaad, geen ziekte, geen dood — talrijke schriftplaatsen waarin deze komende zegeningen onder Jehovah’s koninkrijk in handen van Christus werden aangekondigd, schilderden bezielende beelden in mijn geest van wat God voor gehoorzame mensen in petto heeft. — Psalm 37:10, 11, 29; Spreuken 2:21, 22; Johannes 5:28, 29; 17:3; Openbaring 21:1, 4, 5.
Te mooi om waar te zijn? Nu, zij bewees alles wat ze zei aan de hand van de bijbel. Terwijl zij praatte, werd de bijbel voor de eerste keer kristalhelder voor me; hij kreeg betekenis en ging voor me leven. Ik besefte twee dingen: In de eerste plaats dat dit de zuivere waarheid uit Gods Woord was, niet besmet door de valse geloofsbelijdenissen en leerstellingen van de godsdiensten der christenheid; en in de tweede plaats dat ik veranderingen in mijn leven moest aanbrengen wilde ik aan Gods wetten en maatstaven voldoen. — Psalm 119:105; Romeinen 12:1, 2; 1 Korinthiërs 6:9-11; Kolossenzen 3:9, 10.
Wij praatten drie uur, drie uur die een keer brachten in mijn leven. Voordat Haroeko Isegawa — zo heette zij — vertrok, vertelde zij me waar ik vergaderingen van Jehovah’s Getuigen kon bijwonen. Zij begon ook wekelijks te komen om de bijbel met mij te bestuderen. De week daarop woonde ik mijn eerste vergadering met Jehovah’s Getuigen bij. Wat ik leerde, was van diepe invloed op mijn denken en gedrag. Bijna van de ene dag op de andere werden er veranderingen aangebracht. Voor veel van mijn oude vrienden was dit te veel en te snel, zodat onze wegen zich scheidden. Ik raakte enkele oude vrienden kwijt, maar ik kreeg er veel meer nieuwe vrienden voor terug, precies zoals Jezus had beloofd (Mattheüs 19:29). Tien maanden na het eerste bezoek van zuster Isegawa werd ik als een van Jehovah’s Getuigen gedoopt, op 30 augustus 1974.
De maand daarna keerde ik naar de Verenigde Staten terug en ging deel uitmaken van de gemeente Robbins in mijn woonplaats. Het jaar daarop bezocht ik het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York), Bethel genaamd, wat „Huis van God” betekent. Thans werken daar 3000 vrijwilligers, en zo’n duizend op Watchtower Farms iets noordelijker in de staat New York; zij drukken de bijbelse lectuur die wereldwijd wordt verspreid. Het bezoek versterkte mijn intense verlangen om daar te dienen, en in september 1979 heeft Jehovah mij dat geweldige voorrecht geschonken.
Een paar maanden na mijn komst werd er nog een broeder toegewezen aan de afdeling waar ik werkte. Hij had iets bekends, maar ik kon hem niet thuisbrengen. Toen wij elkaar beter leerden kennen, ontdekten wij dat wij in dezelfde periode op Okinawa waren geweest, in hetzelfde huizenblok hadden gewoond en allebei drugsdealers waren geweest. Het was een vreugdevol weerzien. Hij en zijn vrouw dienen nu als speciale volle-tijdpredikers van Jehovah’s Getuigen in Micronesië.
In 1981 zegende Jehovah mij met een lieve vrouw, Bonnie, en wij hebben veel rijke zegeningen genoten in de tijd dat wij hier samen op Bethel dienen. Ik voel me als de psalmist koning David, die zich in de 23ste Psalm, vers 6, als volgt uitdrukte: „Waarlijk, louter goedheid en liefderijke goedgunstigheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven; en ik zal stellig in het huis van Jehovah wonen tot in lengte van dagen.”
Op een dag las ik Mattheüs 10:29, 31 en moest daarbij aan mijn jeugd denken: „Worden niet twee mussen voor een geldstuk van geringe waarde verkocht? Toch zal er niet één van op de grond vallen zonder medeweten van uw Vader.” Wist Jehovah van de mus die ik had neergeschoten? Het was een opluchting voor me toen ik verder las: „Vreest . . . niet: gij zijt meer waard dan vele mussen.” — Verteld door James Dyson.
[Inzet op blz. 19]
’Waarom worden deze mensen als beesten afgeslacht?’
[Inzet op blz. 20]
Ik voelde een kil stalen voorwerp in mijn nek
[Inzet op blz. 21]
De politie stond daar met een snuffelhond die de heroïne opspoorde
[Inzet op blz. 22]
Ik kreeg sterk het gevoel dat ik naar haar moest luisteren
[Illustratie op blz. 23]
Met Bonnie, mijn vrouw