’Deze verachtelijke gewoonte tabak te gebruiken’
’WALGLIJK voor het oog, onaangenaam voor de neus, schadelijk voor de hersenen, gevaarlijk voor de longen.’
Deze beschrijving, die bijna 400 jaar geleden werd opgetekend, vormt het besluit van de verhandeling tegen het roken getiteld A Counterblaste to Tobacco, die door niemand minder werd gepubliceerd dan de Engelse koning Jacobus I, op wiens gezag de bijbelvertaling van 1611 ontstond die als de King James Version bekendstaat.
Wat was de aanleiding ertoe, en welke lessen kunnen wij eruit leren?
Medicinale en andere toepassingen
Toen Christophorus Columbus in 1492 na zijn bezoek aan Amerika naar Europa terugkeerde, had hij wat zaden bij zich van een plant die door Amerikaanse Indianen hoog werd aangeslagen vanwege haar geneeskrachtige eigenschappen. Later identificeerde Nicolás Monardes het kruid als tabaco (of picielt volgens de Indianen). De Spaanse veroveraars hadden de waarde ervan ervaren bij de verzorging van de wonden die zij opliepen; ’zij genazen zich met goed gevolg’. — Joyful News Out of the New Found World, Engelse vertaling uit 1577 door John Frampton.
Een andere toepassing van deze plant trok echter in het bijzonder de aandacht van de ontdekkingsreizigers. Monardes legt uit:
’Een van de wonderen van dit kruid dat nog de meeste bewondering wekt, is de manier waarop de priesters der Indianen het gebruikten. Als zich onder de Indianen zaken van groot gewicht voordeden, waarover de opperhoofden het nodig oordeelden hun priesters te raadplegen, nam hun opperpriester bepaalde bladeren van de Tabaco en wierp ze in het vuur, waarna hij de rook ervan naar zijn mond en naar zijn neus bracht met een rietje, en bij het opnemen ervan viel hij neer op de grond, als een dode, en bleef zo liggen, afhankelijk van de hoeveelheid rook die hij had opgenomen. Als het kruid zijn werk had gedaan, kwam hij weer bij en werd wakker en gaf hun de antwoorden, gebaseerd op de visioenen en beelden die hij zag. Op soortgelijke wijze gebruiken de overige Indianen als tijdverdrijf de rook van de Tabaco.’
Sir Walter Raleigh nam in 1584 Virginia in bezit. Toen de kolonie groeide, werd ook daar de Indiaanse gewoonte om tabak te roken populair bij de kolonisten. Terug in Engeland, ’was het hoofdzakelijk Raleigh die verantwoordelijk was voor het invoeren van de gewoonte en het bevorderen van de rage’, betoogt de historicus A. L. Rowse.
Reactie op een rage
Tegen de nieuwe gewoonte keerde zich echter niemand minder dan zijn koning, Jacobus. Hij zette de pen op papier om zijn onderdanen te waarschuwen voor de gevaren van het roken van tabak.
’Opdat de menigvuldige nadelen van deze verachtelijke gewoonte Tabak te gebruiken beter bespeurd worden, is het passend dat gij eerst beschouwt wat de oorspronkelijke herkomst ervan is en eveneens wat de redenen waren voor de invoering ervan in dit land.’ Zo begint de beroemde Counterblaste. Na een beschouwing van wat de koning de ’stinkende en onsmakelijke’ gewoonte noemde om tabaksrook te gebruiken voor het genezen van kwalen, somt Jacobus vier argumenten op die mensen gebruikten om hun gewoonte te rechtvaardigen:
1. Dat menselijke hersenen koud en nat zijn en alle droge en warme dingen (zoals tabaksrook) er dus goed voor moeten zijn.
2. Dat deze rook door zijn warmte, kracht en aard zowel hoofd als maag moet zuiveren van verkoudheden en stoornissen.
3. Dat mensen de gewoonte niet zo goed bevallen zou zijn als zij niet al doende hadden geleerd dat het goed voor hen was.
4. Dat velen er bij ziekte baat bij hebben en dat niemand ooit nadeel heeft ondervonden van het roken van tabak.
In het licht van de huidige wetenschappelijke kennis zult u het ongetwijfeld volkomen eens zijn met Jacobus’ tegenargumenten. Tabaksrook is niet alleen warm en droog, maar ’de hitte ervan heeft juist iets giftigs’. ’Het inademen van zulke rook is net zomin goed voor het genezen van een verkoudheid als het eten van vlees en het drinken van dranken die winderig maken om koliekpijnen te voorkomen!’ Sommige mensen mogen dan beweren jarenlang gerookt te hebben zonder er slechte gevolgen van te ondervinden, maar wil dat zeggen dat roken heilzaam is?
Jacobus gebruikte de krachtige redenatie: ’Oude hoeren mogen hun lange levensduur dan toeschrijven aan hun immorele praktijken, maar zij negeren het feit dat veel prostituées vroegtijdig sterven’ door de seksueel overdraagbare ziekten die zij oplopen. En wat te denken van oude dronkaards die geloven dat zij hun dagen verlengen ’door hun zwijnekost’ maar er nooit bij stilstaan hoeveel anderen sterven, ’verdronken in de drank als zij nog lang niet oud zijn’?
Zonden en ijdelheden
Nadat er van de argumenten voor het roken geen spaan is heel gebleven, vestigt Jacobus vervolgens de aandacht op de ’zonden en ijdelheden’ waaraan rokers zich schuldig maken. Een van de voornaamste daarvan, zo stelt hij, is de zonde der begeerte. Niet tevreden met het inademen van een beetje tabaksrook, verlangen de meesten hevig naar meer. Ja, nicotineverslaving is een algemeen verschijnsel geworden.
En hoe staat het met de ’ijdelheden’? Jacobus hekelt de tabaksroker met het argument: ’Is het niet zowel grote ijdelheid als onreinheid dat gij aan tafel, een plaats van eerbied, smerige rook en stank uitpuft, de rook uitademt, de lucht besmet, terwijl andere aanwezigen een dergelijke gewoonte verafschuwen?’
Als was hij op de hoogte van de talrijke gezondheidsrisico’s die rokers bedreigen, redeneert Jacobus: ’Rook hoort beslist veel meer in de keuken thuis dan in de eetkamer, en toch ontstaat er door de rook vaak ook een keuken in de inwendige delen van de mens doordat ze worden verontreinigd en besmet met een glibberige en vette soort roet, die aangetroffen is in sommige grote Tabak-gebruikers die na hun dood opengemaakt zijn.’
Ter bekroning van zijn argumentatie vervolgt Jacobus: ’Het is niet alleen een grote ijdelheid maar ook een grove minachting voor Gods goede gaven, dat de frisheid van de adem van de mens, die een goede gave Gods is, opzettelijk bedorven wordt door deze stinkende rook!’
[Illustratie op blz. 13]
Koning Jacobus I
[Verantwoording]
Ashmolean Museum, Oxford
[Illustratie op blz. 13]
Sir Walter Raleigh
[Verantwoording]
Met toestemming van de Trustees van het British Museum