De Haida — Een opmerkelijk volk van de „mistige eilanden”
Door Ontwaakt!-correspondent in Canada
ZO’N tweehonderd jaar geleden waren Europese ontdekkingsreizigers en handelaars aangenaam verrast bij hun eerste ontmoetingen met de Haida, de opmerkelijke bewoners van een pas ontdekte groep eilanden voor de westkust van Canada.
Deze eerste contacten verliepen zowel waardig als vriendelijk. Gladde, met de hand uitgehakte kano’s van cederhout vol mannen en vrouwen, soms gekleed in de prachtigste gewaden van robbevel, zwermden uit om elk koopvaardijschip te begroeten. Bij één gelegenheid begonnen de inzittenden van een kano te zingen en stond er een man op om, als vriendschappelijk gebaar, veren op het water uit te strooien. (Adelaarsdons was een symbool van vriendschap en verwelkoming.) Bij een andere gelegenheid kwam een opperhoofd naderbij en zong solo een welkomstlied, terwijl tweehonderd stemmen op de oever de refreinen meezongen.
Haida Gwaii, het vaderland van de Haida, bestaat uit een dolkvormige archipel van 150 eilanden die ongeveer 100 km ten westen van de kust van het Canadese British Columbia liggen. Deze groep mistige eilanden draagt nu de naam Queen Charlotte Islands, vaak afgekort tot Queen Charlottes. De warme zeestroom die van Japan komt, de Japanstroom, heeft een matigende invloed op het klimaat van de eilanden. Maar ondanks de zachte temperaturen worden de eilanden soms gebeukt door krachtige stormen en hevige buien.
Wie zijn de Haida?
Er is weinig bekend over de oorsprong van de Haida of over hun komst op de Queen Charlottes, daar er nooit een geschreven bericht van hun geschiedenis of cultuur is bijgehouden. Net als de archipel zelf is ook hun verleden in mist en nevelen gehuld. Sommigen denken dat de Haida via de Beringstraat uit Azië zijn gekomen, terwijl anderen betogen dat zij per kano op de Japanstroom zijn gearriveerd. Al wat wij echter hebben, is een verzameling mondelinge overleveringen waarin feit en fictie verweven zijn. Volgens één verhaal zijn de Haida te voorschijn gekomen uit een grote schelp, geopend door een raaf, bij Rose Point op de noordoostpunt van Graham Island — het grootste van de Queen Charlottes.
De talrijke mythen en legenden werpen weinig of geen licht op de oorsprong van de Haida, maar het is interessant dat verscheidene verhalen wel vertellen dat er eens een grote vloed is geweest die de hoogste toppen bedekte en dat slechts door een groot houtvlot te bouwen en dat vol te laden met voorraden, er mensen in leven zijn gebleven. Een bejaarde Haida uit Skidegate verklaarde: „Veel van onze mensen kennen dit verhaal van de Vloed, want het is de waarheid. Het is echt gebeurd, heel veel jaren geleden.”
De Haida, zelfbewust, vindingrijk en zeer creatief, kenden lang voor 1774, toen de Europeanen arriveerden, al een indrukwekkende en complexe maatschappijstructuur. Het volk bestond in feite uit twee clans, de Adelaars en de Raven, wat bij de geboorte bepaald werd door de afstammingslijn van de moeder. In deze matrilineaire maatschappij behoorden de kinderen altijd tot de clan van de moeder. Huwelijkspartners mochten alleen uit de andere clan worden gekozen en de verbintenis werd vaak gearrangeerd door de moeder als haar zoon of dochter nog heel jong was.
Totempalen — Hun betekenis
Familie- of clan-emblemen, waarbij echte of mythische dieren werden gebruikt als symbolen, waren trotse bezittingen die ter identificatie dienden. Tot de emblemen van de Adelaarsclan behoorden gesneden of geschilderde gestileerde adelaars, aalscholvers, bevers en hondshaaien, terwijl de emblemen van de Ravenclan sneeuwgeiten, zwaardwalvissen, grizzlyberen en regenboogforellen omvatten. Deze emblemen waren meer dan versieringen, want de afkomst, de rijkdom en de status van de familie, alsook de privileges, liederen en verhalen van de clan stonden erop uitgebeeld.
Hoewel de gesneden palen niet verafgood werden, hadden sommige van de embleemfiguren wel een mythische of geestelijke betekenis; ze beeldden namelijk bovennatuurlijke voorouders af die de magische kracht bezaten zich in dieren te transformeren en weer terug. Vanaf omstreeks 1840 was het snijden en oprichten van totempalen bijna honderd jaar lang erg populair. Nu rotten deze grote cederhouten palen, door het weer tot een zilverig grijs verbleekt, langzaam weg en vallen om. Sommige van de palen waren 18 meter hoog en 1,5 meter breed.
Van de lente tot de herfst was het leven van de Haida gevuld met het verzamelen en opslaan van voedsel. Uit zee kwam een overvloed van vis, schaaldieren, haringkuit en zeewier. Zeehonden werden gevangen voor het vet, dat geruild werd voor het vet van de ’kandelaarvis’, een spieringsoort die niet in de wateren rond hun eilanden werd aangetroffen. Dit vet wordt tot op de huidige dag zeer gewaardeerd omdat het smaak geeft aan allerlei gerechten. Vogeleieren, wilde bessen, wortels en wild zorgden voor variatie in het menu.
De Haida stonden niet bekend als landbouwers, maar toen de op het vasteland voorkomende aardappel er werd ingevoerd, verbouwden zij die met succes en verkochten hem weer aan de volken op het vasteland. In de wintermaanden waren er potlatches, vrolijke bijeenkomsten, waarvoor families zich vaak kleedden in ceremoniële kostuums gemaakt van prachtige robbevellen. Hun potlatches waren gelegenheden om anderen met zich te laten delen en geschenken te geven, om rijkdommen te verdelen of aanzien in de gemeenschap te verwerven. Het waren dagen waarop werd gesmuld, gedanst, gezongen en verteld.
De over de eilanden verspreid liggende overblijfselen van Haida-dorpen getuigen ervan dat de bevolking van de Queen Charlottes eens aanzienlijk geweest moet zijn. In het begin van de vorige eeuw telden de eilanden zo’n 7000 bewoners. Maar met de komst van de blanke deden ook zijn ziekten hun intrede, en zijn alcohol, wat tot wijdverbreid alcoholmisbruik leidde. Dorpen werden verlaten toen de Haida een pokkenepidemie probeerden te ontvluchten die veel slachtoffers eiste. Tegen 1885 was hun aantal teruggelopen tot niet meer dan 800.
Vikings van het noordwesten van de Grote Oceaan
Doordat hun land omgeven is door water hebben de Haida zich altijd thuis gevoeld op zee, vooral in hun schitterende kano’s. Sommige van deze kano’s waren zelfs langer dan de zeilschepen van de vroege Europese ontdekkingsreizigers! De kano’s varieerden in lengte van 23 meter — en konden dan 40 mensen en 2 ton vracht vervoeren — tot 8 meter. De kleinere dienden voor dagelijks gebruik dicht onder de kust. Met de grotere kano’s hebben de Haida eeuwenlang geroofd en handel gedreven als de onbetwiste meesters van Alaska in het noorden tot de Puget Sound in het zuiden. Zij boezemden de inheemse volken op het vasteland vrees en ontzag in en zijn wel de vikings van het noordwesten van de Grote Oceaan genoemd.
Hoewel de Haida nu moderne, goed uitgeruste zeewaardige boten hebben, zijn de oorspronkelijke kano’s van rood cederhout niet vergeten. Er wordt er nog wel eens een gebouwd voor speciale gelegenheden, zoals de Canadese Wereldtentoonstelling, Expo 86, die in Vancouver (British Columbia) werd gehouden. Het zachte hout van de grote Thuja plicata, rechtnervig, gemakkelijk te verwerken en bestand tegen verrotting, vormde een ideaal materiaal voor het bouwen van kano’s.
Wat zal de toekomst brengen?
De Haida wonen nu nog in twee dorpen, Old Masset en Skidegate, en velen vragen zich af wat de toekomst voor hen en hun cultuur en hun prachtige „mistige eilanden” zal brengen. Alcoholmisbruik en ziekte hebben beslist hun tragische sporen achtergelaten. De lokroep van de stad heeft een exodus van de jongere generatie teweeggebracht naar de steden Prince Rupert en Vancouver op het vasteland. De bosbouw zorgt weliswaar voor veel banen op de eilanden, maar heeft wantrouwen en bezorgdheid gewekt onder degenen die hun geliefde eilanden bedreigd zien.
De levenswijze van de Haida is ook negatief beïnvloed door de religies van de christenheid. De zendelingen van de kerken waren in hun ijver om te bekeren en te beheersen, niet erg gevoelig voor een zeer oude, ingeburgerde cultuur. Zij „hebben nooit geprobeerd de Haida te begrijpen — de manieren waarop hij zich uit, zijn denkprocessen, zijn waarden”, schrijft een gezaghebbend historicus. Potlatches, dansen, totempalen en sjamanen (medicijnmannen) werden stuk voor stuk door de zendelingen verboden. Als er iemand werd gedoopt, werd hem een naamsverandering opgedrongen. Dierbare namen, rijk aan betekenis, werden totaal genegeerd en vervangen door Angelsaksische achternamen als Smith, Jones en Gladstone. Bij de nieuwe namen werd een patrilineair stelsel gevolgd in plaats van het matrilineaire stelsel dat de Haida gebruikten. De zendelingen ontnamen hun de oude waarden maar vervingen ze niet door schriftuurlijke.
In recenter jaren zijn de Haida echter gezegend met de komst op hun kusten van een ander soort zendelingen — Jehovah’s Getuigen. Hun boodschap heeft geappelleerd aan de goede eigenschappen van de Haida en geeft hun een ware hoop voor de toekomst. Als deze christelijke zendelingen overal op de eilanden van huis tot huis gaan, waarbij zij soms gebruik maken van vissersboten en kleine vliegtuigen om van Cape St. James tot Langara Island de afgelegen nederzettingen te bereiken, worden zij overweldigd door de nog min of meer maagdelijke schoonheid van de Queen Charlotte Islands en de hartelijkheid en vriendelijkheid van de bevolking.
Net als de ontdekkingsreizigers van tweehonderd jaar geleden hebben Jehovah’s Getuigen ware vrienden onder de Haida gevonden doordat zij ijverig elk huis op de eilanden bezocht hebben met het goede nieuws van Gods opgerichte koninkrijk. En menig Haida-gezin heeft het aanvaard omdat de klank der waarheid uit Gods Woord, de bijbel, werd herkend. Door de bijbel met Jehovah’s Getuigen te bestuderen, zijn zij gaan beseffen wat de juiste verhouding tussen de mens en God, tussen de mensen onderling, en tussen mens en dier is.
Zij hebben het „opperwezen” bij zijn naam leren kennen, niet slechts als de „Macht van de Stralende Hemel”, maar als Jehovah God. Zij zijn gaan inzien dat alle mensen broeders zijn, gelijk voor Jehovah dank zij Christus Jezus (Handelingen 10:34, 35). Ja, en landdieren, vogels en vissen zijn allemaal zielen, net als de mens een ziel is. Ze bezitten geen onsterfelijke ziel of de bovennatuurlijke krachten die hun door de oude Haida-vertellers toegeschreven worden. — Leviticus 24:17, 18; Prediker 3:18-21; Ezechiël 18:4, 20.
Tien verschillende walvissoorten doen zich te goed aan het plankton waaraan het water zo rijk is. Op vooruitspringende rotsen liggen talrijke Steller’s zeeleeuwen. Een half miljoen zeevogels bewonen de steile klippen, samen met zeldzame slechtvalken, Amerikaanse adelaars en raven. Allerlei vissen bevolken de kustwateren, beken en meren. Zwarte beren, nergens ter wereld zo groot, zwerven over het mostapijt van de wouden, die duizend jaar oude bomen huisvesten, waaronder de reusachtige sitkaspar, de Thuja plicata of reuzenlevensboom en de hemlockspar.
Milieudeskundigen maken zich zorgen dat het met deze ongerepte schoonheid en het rijke milieu van de Charlottes dezelfde kant op zal gaan als met die van andere gebieden die door het wanbeleid van de mens troosteloze woestenijen zijn geworden. De Haida echter die de beloften van het Opperwezen, Jehovah God, hebben aanvaard, zien de toekomst vol vertrouwen tegemoet, daar zijn beloften nooit falen (Jozua 23:14). Van onze Grote Schepper komt de belofte dat de hele aarde onder het rechtvaardige bestuur van Gods koninkrijk een paradijs zal worden. Dan zal de overweldigende schoonheid van de „mistige eilanden” nooit meer bedreigd worden. — 2 Petrus 3:13.
[Illustraties op blz. 25]
Rechts: Schilderachtige mistige eilanden
Uiterst rechts: Totempalen van Ninstints Village op Anthony Island
Onder: Steller’s zeeleeuwen op Cape St. James
[Illustraties op blz. 26]
Links: Koninkrijkszaal in Queen Charlotte City
Boven: Bloeiende bremstruiken