Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g90 22/4 blz. 21-24
  • Geloof hielp mij toen ik voor een hersenoperatie stond

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Geloof hielp mij toen ik voor een hersenoperatie stond
  • Ontwaakt! 1990
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Aan mijn besluit valt niet te tornen
  • Voorbereidingen voor de operatie
  • Herstel na de operatie
  • Begrafenisplechtigheid geregeld
  • Mijn leven heeft zijn koers hernomen
  • Wat ik deed aan mijn hersentumor
    Ontwaakt! 1976
  • Wanneer het leven niet makkelijk is
    Ontwaakt! 1994
  • Mijn strijd voor mijn leven
    Ontwaakt! 1992
  • Als kanker wordt verzwegen
    Ontwaakt! 1990
Meer weergeven
Ontwaakt! 1990
g90 22/4 blz. 21-24

Geloof hielp mij toen ik voor een hersenoperatie stond

„JE HEBT een tumor achter je linkeroog.” Bij die woorden, gesproken door dr. Stewart, een neuroloog, kreeg ik het gevoel dat ik een nare droom had. Zijn volgende woorden veranderden de droom in een nachtmerrie: „Ik moet mij met je familie in verbinding stellen, zodat wij je onmiddellijk in een ziekenhuis kunnen laten opnemen.”

Ik was totaal van mijn stuk. Het kon niet waar zijn. Ik voelde me prima! Hoe kwam een gezond meisje van 22 jaar nu aan een hersentumor? Mijn geest verzette zich tegen de woorden van de dokter waardoor de koers die ik voor mijn leven had uitgestippeld, werd verstoord. Ik ben een van Jehovah’s Getuigen en juist de ochtend ervoor had ik een telefoontje gekregen waarbij ik werd uitgenodigd drie maanden op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn te komen werken. Daarop had ik gehoopt en ik had erom gebeden. Toen ik die ochtend van huis was gegaan voor een bezoek aan de oogarts, was ik in de wolken geweest.

Nu, 29 uur later, was er van dat gevoel niets meer over. Er was geen twijfel aan de tumor. Ik had 50 minuten doorgebracht in een NMR-apparaat (voor beeldvorming via kernspinresonantie), als een torpedo in een schietbuis, wachtend op de lancering. Ik heb wat last van claustrofobie en hoe langer ik erin was, hoe meer ik in paniek raakte. Ik bad om kalmte, neuriede Koninkrijksliederen en riep me bijbelteksten te binnen. Ik ontspande me. Weldra was ik met de film op de terugweg naar de spreekkamer van de neuroloog. De film liet een tumor ter grootte van een flinke sinaasappel zien, waarop de neuroloog die verpletterende mededeling deed — ik moest onmiddellijk opgenomen worden. Hij verliet de kamer om mijn ouders op te bellen.

Aan mijn besluit valt niet te tornen

„Je ouders zijn op weg hierheen”, zei hij toen hij terugkwam. „Je hebt me niet gezegd dat je een van Jehovah’s Getuigen bent. Wij zullen moeten praten. Bij de operatie zullen beslist bloedtransfusies nodig zijn.”

„Daar hoeft niet over gepraat te worden”, zei ik. „Mijn besluit is al genomen. Geen bloed.”

„Nu, daar kunnen wij over praten als je ouders er zijn.”

„Nee,” zei ik en schudde mijn hoofd, „aan mijn besluit valt niet te tornen.”

Toen mijn ouders arriveerden, bevestigden zij mijn standpunt inzake bloed. De neuroloog accepteerde de beslissing en zei dat hij een chirurg in gedachten had die waarschijnlijk mijn besluit zou respecteren. Zo maakten wij kennis met de neurochirurg, dr. H. Dale Richardson.

Wij ontmoetten hem in zijn spreekkamer op donderdagavond, 29 september 1988, deze man die zo’n belangrijk en gewaardeerd deel van ons leven zou gaan uitmaken in de maanden die volgden. Dr. Stewart had met hem gepraat en hij was op de hoogte van ons standpunt inzake bloed.

„Wij moeten een heel vaatrijk gebied openleggen”, vertelde hij. „De tumor ligt rond de sinus sagittalis (een belangrijk bloedvat in de hersenen), hoe ver zullen wij pas weten als wij de plaats bereikt hebben.”

„Zelfs als de toestand kritiek wordt,” zei ik, „en ik begrijp dat dat heel goed mogelijk is, wil ik toch niet dat u bloed gebruikt.” Mijn vader en moeder bevestigden dat zij mijn standpunt deelden. Wij zagen dat zijn ogen vol tranen stonden en later hoorden wij dat hij zelf twee zonen en een dochter heeft.

„Ik ben het dan wel niet met je overtuiging eens,” zei hij, „maar ik zal je verzoek respecteren. Zonder bloed hebben wij een kans van slagen van 70 procent. Je moet wel begrijpen dat wij de eerste keer misschien niet de hele tumor zullen kunnen weghalen. Het is niet ongebruikelijk bij een tumor van deze grootte dat wij het in twee of drie operaties moeten doen.”

Voorbereidingen voor de operatie

Op zondag 2 oktober meldde ik me bij het ziekenhuis. De maandag en dinsdag werden besteed aan twee preoperatieve onderzoeken om na te gaan hoe de tumor met bloed gevoed werd, met het oog op het verminderen van de bloedtoevoer naar de tumor. De hele dinsdag werd ik door vrienden opgebeld en die avond kwamen er verscheidene op bezoek. Iedereen wist wat er de volgende dag ging gebeuren, maar de stemming was vrolijk en opgewekt.

Ik viel die avond onmiddellijk in slaap maar werd rond middernacht wakker en begon te piekeren. Dat was niet goed. Ik speelde cassettebandjes met wat artikelen uit De Wachttoren af. Om 5.30 uur ’s ochtends kwam de verpleegster binnen en zij was verbaasd dat ik zo kalm en vol vertrouwen was. Twee goede vriendinnen kwamen kort daarna, met Pa vlak achter hen. „Geen sentimenteel gedoe”, zei ik toen zij me gedag kusten.

Beneden werd ik klaargemaakt voor de operatie; er werden naalden ingebracht en mijn hoofd werd geschoren. Terwijl ik daar lag, bad ik tot Jehovah: „Dank u dat u me helpt Satan te bewijzen dat hij het niet altijd wint. Ik weet dat ik wakker zal worden, of dat nu vandaag zal zijn of in uw nieuwe wereld. Laat het alstublieft gauw zijn.” Toen ik naar de operatiekamer werd gereden, zag ik dr. Richardson mijn film bestuderen.

„Goede morgen, Bethel”, zei hij. „Hoe heb je geslapen?”

„Goed,” antwoordde ik, „maar hoe u geslapen hebt, interesseert me eigenlijk meer.”

Toen deed dr. Ronald Pace, de anesthesist, een masker over mijn gezicht en zei me diep adem te halen en terug te tellen. Het wachten was voorbij.

Herstel na de operatie

Het volgende waarvan ik me bewust werd, was dat ik het erg koud had. Ik worstelde om uit de door de medicijnen teweeggebrachte mist te komen. Het was 10.10 uur ’s avonds die woensdag, zo’n 15 uur later. Pa was bij me op de intensive care en stelde me gerust. Ik was bezorgd of al mijn mentale vermogens nog intact waren. „Test me, Pa”, zei ik en begon rekensommetjes op te dreunen: „Twee plus twee is vier, vier plus vier is acht, . . .” Toen ik bij 512 kwam, zei hij: „Oei! Je gaat mij te snel!” Mijn moeder omhelsde me zo goed en zo kwaad als het ging en mijn broer, Jonathan, praatte mij bij over de beslissingswedstrijden in het baseball.

Dr. Richardson kwam vertellen dat hij 80 procent van de tumor had weggehaald. Hij zag er volkomen uitgeput uit — geen wonder nadat er 13 1/2 uur lang zo veel van zijn bekwaamheid was gevergd! Later hoorde ik dat hij tegen mijn vader gezegd had: „Wij waren haar bijna kwijt. Toen we bij de sinus sagittalis kwamen, bloedde ze verschrikkelijk. Het is een geluk dat we het konden stopzetten.” In ieder geval zou hij opnieuw moeten opereren, misschien wel meer dan eens. „Sommige patiënten met een meningeoom [het soort tumor dat ik had] moeten om de drie tot vijf jaar geopereerd worden”, zei hij. „Het kan zijn dat we nooit alles zullen kunnen wegnemen.”

Dit nieuws was een verschrikkelijke slag voor mij! Ik zag mijn hoop op een leven van christelijke volle-tijddienst vervliegen. Ik begon te huilen, hysterisch bijna. Pa sloeg zijn armen om Ma en mij heen en begon te bidden. Het was alsof er een mantel van totale rust op me neerdaalde. „De vrede van God, die alle gedachte te boven gaat,” kwam over me (Filippenzen 4:7). Ik had over anderen gelezen die deze vrede van God over zich voelden komen en had me afgevraagd wat voor gewaarwording het in feite was. Nu wist ik het. Ik zou die avond niet nog eens willen beleven, maar wat ik van die ervaring heb geleerd, is iets wat me altijd dierbaar zal zijn.

Tijdens mijn verblijf in het ziekenhuis heb ik met veel mensen over mijn hoop op Gods koninkrijk en eeuwig leven op een paradijsaarde gepraat. Ik heb twintig exemplaren van de brochure Jehovah’s Getuigen en de bloedkwestie verspreid en vijf exemplaren van het gebonden boek U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven. Tegen de tijd dat ik vertrok, had ik meer dan 330 kaarten en veel telefoontjes ontvangen, nog afgezien van de bloemen en kleurige ballonnen. Wat heeft dat me goedgedaan en me eens te meer onze wereldomvattende broederschap doen waarderen!

Ik werd op 16 oktober 1988 uit het ziekenhuis ontslagen. Die om te beginnen al prachtige dag scheen mij nog veel heerlijker toe nu ik weer in de zon en de frisse lucht was. De hemel leek blauwer, het gras groener. Het deed mij denken aan de pracht van het komende Paradijs: geen oorlog, geen honger, geen vervuiling — en geen hersentumoren! Een gereinigde aarde, voorgoed!

Begrafenisplechtigheid geregeld

In december ging ik weer naar dr. Richardson. De tumor groeide. Opereren was de enige uitvoerbare behandeling en hoe eerder hoe beter. Ik bezag deze tweede operatie bijna als een fysieke muur, een reusachtig obstakel dat mijn beoogde levenspad blokkeerde. Ik dacht veel na over Psalm 119:165: „Overvloedige vrede behoort hun toe die [Gods] wet liefhebben, en voor hen is er geen struikelblok.” Dit maakte me rustig, en geleidelijk werd de komende operatie in plaats van een muur slechts een te nemen hindernis bij een hordenloop. Maar voor alle zekerheid schreef ik aan een lieve vriend op het Wachttoren-hoofdbureau om hem te vragen de begrafenisplechtigheid voor mij te houden als dat nodig mocht zijn. (Later ontdekte ik dat Pa hem hetzelfde verzoek had gedaan.)

Op 31 januari 1989 werd ik opnieuw in het ziekenhuis opgenomen. In sommige opzichten was het nu gemakkelijker, maar het scheen ook beslissender te zijn. Zouden zij de rest van de tumor er deze keer uit krijgen, of zouden er later nog meer operaties nodig zijn? De artsen stelden mij heel erg gerust.

Toen ik mij meldde, kwam dr. Pace, de anesthesist die ik de vorige keer had gehad, naar me toe; hij bleef een uur bij me terwijl alle formulieren werden ingevuld en droeg toen mijn koffer voor me naar de kamer. Dr. Richardson verzekerde me: „Ik zal je behandelen als een lid van mijn eigen gezin, zoals ik zelf behandeld zou willen worden.” Er was geen sprake van een koude, zakelijke behandeling. Ik had een warm gevoel van vertrouwen toen ik mij aan hun zorgende handen toevertrouwde.

Opnieuw kwamen de telefoontjes en kaarten om mij te troosten, en dezelfde lieve vrienden die bij de eerste beproeving zo dichtbij en zo’n hulp waren geweest, waren er weer om mij op te monteren. Wij brachten de avond door met praten en lachen en een gezelschapsspel.

Mijn leven heeft zijn koers hernomen

De volgende ochtend kwam de verpleegster al vroeg om mij een injectie te geven. Die was erg sterk en het leek wel of ik in een mum van tijd weer op de verkoeverkamer lag. De operatie had niet zo lang geduurd als de vorige keer — tien uur — en de begroeting die mijn familie en ik kregen toen ik bijkwam, was een bijzonder stimulerend tonicum. Een glimlachende dr. Richardson vertelde ons dat hij erin geslaagd was de hele tumor te verwijderen en dat wij een algeheel herstel konden verwachten. Toen hij later mijn verband verwisselde, maakte hij mij aan het lachen door te zeggen: „Bethel, wij moeten een punt achter onze ontmoetingen zetten.” Wat waren wij Jehovah en die uitnemende artsen dankbaar!

Ik verspreidde nog meer boeken en brochures over Gods koninkrijk aan velen met wie ik praatte. Een van de boeken, U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven, deed ik dr. Richardson cadeau. Op het schutblad schreef ik:

„Er doen zich maar heel weinig gelegenheden voor dat het nodig is iemand te danken omdat hij ons leven heeft gered. Hoewel u ongetwijfeld vaak zulke dankbetuigingen te horen krijgt, wilde ik er zeker van zijn dat u weet hoeveel alles wat u voor ons hebt gedaan, voor mijn familie en mij betekend heeft. Ik besef wel dat de tijd die u aan lezen kunt besteden heel beperkt is, maar ik hoop dat als u in de toekomst de gelegenheid hebt Jehovah’s Getuigen te behandelen, dit boek u van dienst zal zijn om te begrijpen waarom ik geloof wat ik geloof. Met veel liefde en dank, Bethel Leibensperger.”

Acht dagen na de tweede operatie werd ik ontslagen en die avond ging ik naar de Koninkrijkszaal. Twee maanden later begon ik weer auto te rijden. Ik heb mijn volle-tijdbediening als een van Jehovah’s Getuigen hervat. Ik heb zelfs de historische congressen van Jehovah’s Getuigen in Polen in augustus 1989 kunnen bijwonen.

Mijn leven heeft zijn koers hernomen.

[Kader op blz. 22]

Bespiegelingen van een moeder

Die avond gingen Bethel en haar vader naar een bijbelstudie. Ik was te zeer van streek; ik kon het niet aan. Ik gaf het op en ging naar bed. De volgende ochtend was het nog erger. Ik kon me niet vermannen en begon te huilen. Mijn man zei vastberaden: „Ter wille van Bethel moeten we sterk en opgewekt zijn.” Toen sloeg hij zijn armen om me heen en zond een kort gebed op, waarin hij ons en onze toekomst volledig in Jehovah’s handen legde en om kracht vroeg om de volgende dagen door te komen. Het was als een injectie die mij van een lappenpop veranderde in een moeder die een steun kon zijn. — Judith Leibensperger.

[Kader op blz. 23]

Bespiegelingen van een vader

Mijn dochter, Bethel, was een tamelijk laat in ons leven van God ontvangen geschenk. Wij hadden een relatie zoals je die in verhalen tegenkomt. Vanaf de tijd dat Bethel nog heel klein was, deden wij alles samen. Wij kropen door velden om Jehovah’s kunstzinnigheid te bestuderen door de wilde bloemen te bekijken. Wij maakten sneeuwpoppen. Wij praatten over heel diepe dingen en over dwaze dingen. Als het bedtijd was, knielden wij met haar neer om te bidden, zij in haar behaaglijke pyjamaatje tussen haar moeder en mij in. Samen bezochten wij de bejaarden en hulpbehoevenden. Wij omarmden mede-Getuigen uit verre landen. Bij ons thuis onthaalden wij zendelingen en die zo toegewijde mannen en vrouwen die God dienen in de voetstappen van Jezus Christus. Wij deelden ons ene geloof, en wij deelden onze dromen over het Paradijs. Zij groeide op tot een meisje dat van mensen hield en behoefte had aan hun liefde. Ons leven als gezin was idyllisch — totdat dit gebeurde. De ’tijd en het toeval’ waarvan Prediker zegt dat ze iedereen treffen, troffen ons. In één dag tijd viel er door dat enorme medische dilemma een donkere schaduw over ons leven. Zonder waarschuwing kwam het schrikbeeld van de dood — de ergste vijand van de mens — opdoemen. — Charles Leibensperger.

[Illustratie op blz. 24]

Bethel en haar ouders vlak voor de tweede operatie

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen