Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g89 22/10 blz. 11-15
  • Dokters probeerden onze dochter weg te halen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Dokters probeerden onze dochter weg te halen
  • Ontwaakt! 1989
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een voorspoedige bevalling, maar . . .
  • Op het nippertje ontsnapt
  • Bron van hulp
  • Volledig hersteld
  • Tovenaars noch goden
    Ontwaakt! 1994
  • De beslissing die haar leven redde
    Ontwaakt! 1979
  • Ouderlijke beslissing gerechtvaardigd
    Ontwaakt! 1971
  • Hartchirurgie zonder bloedtransfusie
    Ontwaakt! 1970
Meer weergeven
Ontwaakt! 1989
g89 22/10 blz. 11-15

Dokters probeerden onze dochter weg te halen

TWEEËNVEERTIG jaar en zwanger! De artsen wezen mij al snel op de mogelijkheid van problemen bij een vrouw van mijn leeftijd, alsook op de problemen die de baby zou kunnen hebben. Er werd een zogeheten vruchtwaterpunctie voorgesteld. Artsen kunnen door het wegnemen van een kleine hoeveelheid vruchtwater uit de baarmoeder vaststellen of er sprake is van een genetische afwijking, zoals het Down-syndroom. Over het algemeen raden artsen een abortus aan als er zo’n afwijking gevonden wordt.

Ik weigerde dat onderzoek echter, uitleggend dat ik onder geen enkele voorwaarde zou instemmen met een abortus. Toen dat achter de rug was, verheugde ik mij op een aangename zwangerschap. De volgende stap om alles in orde te hebben, was het zoeken naar een kinderarts die onze wensen zou respecteren en geen bloed zou geven, aangezien mijn man en ik Jehovah’s Getuigen zijn. Wij maakten een afspraak, hadden een gesprek met de arts en zetten ons standpunt inzake bloed uiteen (Genesis 9:4, 5; Leviticus 17:10-14; Handelingen 15:19, 20, 28, 29). Hij zei dat hij het begreep en dat het geen probleem was. Nou, dat was makkelijk, dat dacht ik tenminste.

Een voorspoedige bevalling, maar . . .

De dag dat ik uitgerekend was naderde, en wat waren wij allemaal opgewonden! Ik was weduwe en had drie opgroeiende jongens toen ik hertrouwde. Mijn tweede echtgenoot, Gino, kreeg ook mijn moeder erbij, die sinds de dood van mijn eerste man bij mij had gewoond.

De weeën begonnen in de nacht van maandag 17 februari 1986. Gino, Moeder en ik gingen op weg naar het ziekenhuis, samen met mijn jongste zoon, Matthew. De oudste jongens bleven liever thuis wachten. Wij werden op de kraamafdeling opgewacht door Evelyn, een mede-Getuige, die verpleegkundige is. Zij was ervan op de hoogte gebracht dat ik weeën had en was direct naar het ziekenhuis gegaan. De geboorte was voor ons allemaal erg opwindend. Wij hadden de beschikking over een verloskamer en er heerste een huiselijke sfeer. Gino was zelfs in staat de navelstreng door te knippen. Een van de verpleegsters kwam met roomijs aanzetten, en wij vierden Kaleighs intrede in ons leven.

Twee dagen later was ik thuis. Er was nooit gebrek aan hulp. Mijn moeder, die 84 jaar is, was zo’n hulp en aanmoediging! Die eerste paar dagen raakte ik snel vermoeid en haar zorg voor mij en de baby was dus uiterst welkom. Nadat er een week verstreken was, begonnen wij ons echter zorgen te maken over Kaleigh. Zij dronk niet goed en sliep veel meer dan naar mijn mening normaal was voor pasgeborenen. Zij werd wat geel. Ik belde de kinderarts en maakte een afspraak voor die dag.

De arts was omstreeks twee uur ’s middags klaar met het onderzoek en had het nodige bloed afgenomen voor proeven. Er werd ons gezegd dat hij ons later telefonisch de uitslag zou laten weten. Zijn telefoontje kwam ten slotte rond vijf uur. Hij zei dat wij Kaleigh onmiddellijk naar een academisch ziekenhuis op ruim 160 kilometer ten noordwesten van onze woonplaats moesten brengen omdat zij een wisseltransfusie nodig had. Ik herinnerde de arts eraan dat wij Jehovah’s Getuigen zijn en vertelde hem nogmaals dat wij onder geen enkele voorwaarde een bloedtransfusie zouden aanvaarden. Wij verzochten hem het ons direct te zeggen als hij onze overtuiging niet zou respecteren, opdat wij dan een arts konden zoeken die dat wel zou doen.

„Ik weet het niet,” antwoordde hij, „ik moet erover nadenken en laat het u dan weten.”

Geduldig wachtten wij op zijn telefoontje. Toen wij om zeven uur ’s avonds nog niets van hem hadden gehoord, belde Gino hem op en kreeg te horen dat de dokter nog geen beslissing had genomen. Wij waren nu erg argwanend, omdat de dokter nadrukkelijk gezegd had hoe belangrijk het was dat Kaleigh direct behandeld zou worden. Wij gingen naar mede-Getuigen bellen om aanmoediging en hulp. Zij reageerden onmiddellijk; sommigen kwamen van wel 30 kilometer ver.

Om negen uur belde de dokter op en vroeg ons met Kaleigh naar het plaatselijke ziekenhuis te komen voor nog wat onderzoeken. Gino wist dat als Kaleigh daar eenmaal was, de artsen volledige zeggenschap over haar konden krijgen en erop toe zouden zien dat zij voor de wisseltransfusie naar het academisch ziekenhuis werd vervoerd. Mijn man zei dus dat hij erover wilde nadenken en het de dokter de volgende ochtend zou laten weten.

Ondertussen probeerden onze mede-Getuigen wanhopig telefonisch een andere kinderarts te vinden. Vanwege het late tijdstip waren hun inspanningen tevergeefs. Kaleigh zag er vreselijk uit en mijn emotionele toestand werd steeds slechter. De waarschuwing van de arts dat Kaleigh erg ziek was en dat sterke geelzucht zeer gevaarlijk is, bleef maar door mijn geest spoken. Terwijl ik haar in mijn armen hield en huilde, vroeg ik mij af hoe de dokter met zijn geweten in het reine kon komen, wetend dat hij zo bedrieglijk tegenover ons had gehandeld.

Wat vertroostend was het toen onze christelijke broeders gezamenlijk ten behoeve van ons baden. Ik voelde mij buitengewoon gesterkt en aangemoedigd om alles wat ons nog te wachten stond moedig tegemoet te treden. Het zoeken naar een arts ging nog steeds door, en het was nu half twaalf. Gino zei kalm tegen mij dat wij het huis beter konden verlaten. Hij was ervan overtuigd dat de artsen iets in hun schild voerden. Ik kon mij er niet toe brengen dat echt te geloven. Maar Gino herhaalde: „Wij kunnen hier beter snel weggaan.” Niettemin bleef ik gewoon zitten.

Toen, om ongeveer kwart voor twaalf, ging de telefoon. Het was Evelyn, die vanuit het ziekenhuis belde. Er was haar gevraagd om die avond een dienst te draaien die niet op haar rooster stond, iets wat zeer ongebruikelijk was. Terwijl zij in de verloskamer assisteerde, werd de arts weggeroepen voor een bespreking. Het betrof een geval waarbij men een bloedtransfusie wilde toedienen maar daarvoor een gerechtelijk bevel moest zien te krijgen. Nu was ik overtuigd!

Op het nippertje ontsnapt

Wij gooiden letterlijk wat spullen in een koffer, stopten etenswaren en dergelijke in plastic zakken en renden naar de auto. Wij kregen de naam van een dokter in Jacksonville (Florida) die ons misschien wel zou helpen. Het zou een 320 kilometer lange rit worden en het was vijf minuten na middernacht toen wij vertrokken.

Vijftien minuten later stopten er een auto en een ambulance met zwaailicht voor ons huis. Vijf inspecteurs van de Floridase dienst voor de Volksgezondheid en Revalidatie klopten op de deur. Moeder kwam uit bed, ging rustig naar de deur en zei eenvoudig dat de baby en haar ouders niet thuis waren. Zij vroegen of zij binnen mochten komen om zelf te kijken. Zij zeiden dat zij de baby mee moesten nemen. Alle kamers werden grondig doorzocht. Zij keken zelfs in een van de ladenkasten van de jongens. Moeder kon het niet laten te vragen: „U gelooft toch niet echt dat ze de baby daarin gestopt hebben?”

Wij kwamen om ongeveer vijf uur ’s morgens in Jacksonville aan. Nu moesten wij noodgedwongen vier uur wachten. De arts die wij hadden gehoopt te consulteren, begon pas om negen uur met zijn praktijk. Terwijl wij vol spanning zaten te wachten, drong de vraag zich aan mij op of de artsen in Vero Beach zich werkelijk even ernstig bekommerden om de gezondheid van mijn baby als om het doordrijven van hun zin. Ook al hebben zij het misschien goed bedoeld, hun standpunt dat Kaleigh een bloedtransfusie nodig had om haar voor ernstig letsel te behoeden, was eenvoudig onjuist. Er bestaat voor de aandoening waaraan Kaleigh leed een medisch erkende behandeling zonder bloed, en daar waren wij alleen maar naar op zoek.

Prompt om negen uur belden wij naar de praktijk van de arts en legden de verpleegster uit in welke precaire situatie wij ons bevonden. Ze zei dat de arts ons zo snel als hij kon zou terugbellen. Wij belden steeds weer. Ten slotte zei de verpleegster dat de arts ons niet wilde bellen en ons ook niet wilde helpen. Het was nu één uur ’s middags. Wij voelden ons zo machteloos en gefrustreerd. Toen besloot ik naar de receptie beneden te gaan en daar gebruik te maken van de telefoon, omdat ik de telefoon op de kamer niet bezet wilde houden.

Bron van hulp

Ik belde naar een plaatselijke Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen. Een Getuige die daar aan het werk was, luisterde vriendelijk en kwam ons direct te hulp. Hij haastte zich naar het motel en nam ons mee naar een aantal klinieken, maar geen ervan kon ons helpen, omdat ze niet over de benodigde apparatuur beschikten. Kaleigh had een behandeling met speciaal licht ofte wel fototherapie nodig. Haar bilirubinegehalte was opgelopen tot 29 milligram per 100 milliliter, en een gehalte van 25 wordt als ernstig beschouwd.

Toen herinnerde de Getuige zich een ziekenhuis waar een arts onlangs de baby van Jehovah’s Getuigen zonder bloed geopereerd had. Dus gingen wij daar naar toe. Maar wij besloten dicht bij Kaleigh te blijven en haar niet uit het oog te verliezen totdat wij er zeker van waren dat onze op de bijbel gebaseerde wensen gerespecteerd zouden worden. Wij gingen naar de afdeling voor spoedgevallen en beantwoordden alle vragen die ons gesteld werden. Vol ongeloof bleef de verpleegster vragen: „Waarom bent u van Vero helemaal hierheen gereden? Ik kan mij niet voorstellen dat ze hier in Florida werkelijk met geweld een baby zouden weghalen bij zulke aardige mensen als u.”

Toen het administratieve gedeelte eenmaal achter de rug was, volgden de dingen elkaar snel op. Wij werden allemaal naar een onderzoekkamer gebracht waar Kaleigh uitgekleed werd, waarna het spoedgevallenteam erbij geroepen werd. Wij hoorden als een echo door de hal gaan: „Het zijn Jehovah’s Getuigen, geen bloed, geen bloed.” Vlak daarna verscheen de arts die de leiding over het spoedgevallenteam had op het toneel en deelde mee dat hij een wisseltransfusie wilde toedienen.

Vastberaden legde Gino nogmaals ons standpunt uit en de arts ging weg om met zijn collega’s te overleggen. Er moest nu bij Kaleigh een infuus aangebracht worden. Ik was zo langzamerhand fysiek en emotioneel uitgeput en kon het gewoon niet meer hebben de baby weer geprikt te zien worden en nog langer naar haar gehuil te moeten luisteren. Op dat moment begon Gino zich af te vragen of de baby dit alles wel zou overleven. Hij knipte voorzichtig wat plukjes haar van haar hoofdje en stak ze in zijn zak. Hij wilde iets van zijn kleine meisje hebben als aandenken.

Die nacht werd Kaleigh in haar couveuseachtige bedje gelegd met verband over haar ogen om ze tegen het speciale licht dat in zulke gevallen gebruikt wordt te beschermen. Gino en ik waren er nog steeds niet zeker van of ons standpunt in verband met de bloedkwestie gerespecteerd zou worden en durfden dus niet van de zijde van de baby te wijken, ook al zou dit voor ons de tweede nacht zonder slaap worden. De leidinggevende arts kwam de kamer binnen en gaf opnieuw de wens te kennen Kaleigh een bloedtransfusie te geven. Wij legden hem nogmaals ons op de bijbel gebaseerde standpunt inzake bloed uit.

Uiteindelijk zei hij: „Goed, tot hoever wilt u het laten komen?” Gino maakte hem duidelijk dat wij alles zouden doen wat in ons vermogen lag om te voorkomen dat onze baby een bloedtransfusie zou krijgen. Wij hadden zelfs net midden in de nacht 320 kilometer gereden om dat te voorkomen. Hij zei tegen de arts dat er dan weer een verzoek tot een gerechtelijk bevel ingediend zou moeten worden, maar dat wij tegen die tijd weg zouden zijn. De arts liep weg zonder iets te zeggen. Weer maakten wij ons klaar om te vertrekken. Zouden wij de baby moeten oppakken en vluchten? Ik wierp een blik buiten de kamer en nam de hal in me op. Ik wilde weten waar de uitgangen waren, voor het geval dat.

De nacht kroop voorbij. Om de twee uur werd er een bloedmonster genomen uit Kaleighs hieltje. Het hoge gehalte daalde langzaam. De behandeling hielp! De twee volgende dagen werden er regelmatig om de twee uur bloedmonsters genomen. Kaleighs hieltjes waren rauw van al die prikken. Zij raakte er zelfs aan gewend en soms huilde zij niet eens als zij geprikt werd.

Ondertussen werden wij liefdevol bezocht door veel Getuigen uit Jacksonville en omgeving die van onze situatie gehoord hadden. Het echtpaar waarvan het dochtertje onlangs zonder bloed geopereerd was, behoorde tot de eersten die ons bezochten. Wat waren zij een aanmoediging voor ons! Een cardioloog vertelde ons nu dat een bloedtransfusie riskanter zou zijn dan de geelzucht. Na dat bericht geloofden wij eindelijk dat wij de baby, voor de eerste keer in drie dagen, met een gerust hart even alleen konden laten.

Volledig hersteld

Nadat de baby door een groot aantal artsen met verschillende specialismen grondig onderzocht was, werd ons gezegd dat zij geen nadelige gevolgen had overgehouden aan de geelzucht, wat hun, naar zij zeiden, verbaasde. Wij konden nu eindelijk naar huis. Ik snakte ernaar Kaleigh zonder al die infuusslangetjes in mijn armen te houden. Omdat wij weloverwogen voor de veilige fototherapie hebben gekozen en een bloedtransfusie met alle daaraan verbonden risico’s hebben afgewezen, hoeven wij ons geen zorgen te maken dat Kaleigh misschien AIDS, hepatitis of een andere vreselijke ziekte heeft opgelopen.

Wij zaten met nog één probleem. Het gerechtelijk bevel in Vero Beach was nog steeds van kracht en wij durfden dus niet weg te gaan alvorens dat herroepen was. De leidinggevende arts was zo vriendelijk de nodige telefoontjes te plegen om de betreffende autoriteiten in kennis te stellen van de behandeling die de baby had gekregen. Toen dat afgehandeld was, keerden wij naar huis terug.

Natuurlijk dachten wij er niet aan om met Kaleigh naar haar oorspronkelijke kinderarts te gaan. De artsen in Jacksonville, die dat al vermoedden, stemden ermee in alle gegevens van de baby daar te houden totdat wij een andere arts gevonden hadden. Wij beseften niet half hoe bekend ons kleine meisje was en hoe bevooroordeeld de artsen in Vero Beach waren!

Ik maakte een afspraak met een andere kinderarts die ons was aanbevolen omdat hij gezegd had dat hij het standpunt van Jehovah’s Getuigen inzake bloed zou respecteren. Ik nam Kaleigh mee naar zijn praktijk. Ik kleedde haar uit en de verpleegster woog haar en nam haar temperatuur op. Kaleigh lag op de tafel, in afwachting van het onderzoek. De dokter kwam binnen en liep langs haar heen met de mededeling dat hij en de andere kinderartsen afgesproken hadden haar niet te behandelen en dat zij achter de kinderarts stonden die om het gerechtelijk bevel had gevraagd.

Ik zei dat hij vrienden van mij verteld had dat hij rekening zou houden met ons standpunt inzake bloed. Hij beweerde dat hij dat niet echt gezegd had. „Maar zij zijn ervan overtuigd dat u meende wat u zei”, antwoordde ik. Daarop verliet hij de kamer zonder ook maar één keer naar de baby te kijken die op de tafel lag. Toen ik haar aankleedde, barstte ik weer in tranen uit bij de gedachte hoe harteloos de mensen zijn geworden, met inbegrip van degenen die verondersteld worden zich aan de zorg voor hun medemensen te wijden.

Opdat Kaleigh toch geregeld onderzocht kon worden, moest ik ruim 60 kilometer ver met haar naar een arts die haar wel wilde onderzoeken. Ik denk dat veel artsen niet echt geloven dat wij in een kritieke situatie van leven of dood werkelijk bloed zullen weigeren. Zij denken dat wij wel van gedachte zullen veranderen. Wij dienen hen ervan te doordringen dat wij oprechte, toegewijde Getuigen van onze God zijn, en dat gehoorzaamheid aan zijn wet het zwaarst weegt.

Onze ervaring is een hulp gebleken voor andere ouders die Getuigen zijn en die met hun arts over een medische behandeling moeten spreken. Zij zijn hun arts specifieker gaan vragen wat hij of zij onder bepaalde omstandigheden nu precies zou doen. Zij hebben met betrekking tot onze situatie gevraagd: ’Hoe zou u dat aangepakt hebben?’ En het aanhalen van onze ervaring heeft artsen doen beseffen dat Jehovah’s Getuigen werkelijk menen wat zij zeggen.

Wij waren verbaasd ongeveer zes maanden later een brief van de dienst voor de Volksgezondheid en Revalidatie te ontvangen waarin stond dat zij hun onderzoek naar de aanklacht wegens medische verwaarlozing tegen ons afgerond hadden. De aanklacht, zo stond in de brief, bleek ongegrond te zijn en werd ingetrokken. Ik belde de betreffende dienst op om naar hun onderzoek te informeren. Ik was er nieuwsgierig naar wat dit onderzoek precies had behelsd. De dame die met de zaak belast was, zei dat men enkel naar Jacksonville gebeld had om zich ervan te vergewissen wat daar gedaan was. Daar waren zij tevreden mee.

Kaleigh is nu drie jaar. Zij blaakt van gezondheid en is een voortdurende bron van vreugde. Zij houdt van mensen en vindt het heerlijk om anderen in de gemeente als haar tijdelijke mama of papa te adopteren. Heel vaak wordt de opmerking gemaakt: „O, wat hebt u een schattige kleindochter!” Ik lach dan alleen maar en zeg: „Nee hoor, ze is helemaal van mij.” Wat ben ik onze liefdevolle God dankbaar! — Verteld door Bonnie Deskins.

[Inzet op blz. 13]

„Zij zeiden dat zij de baby mee moesten nemen”

[Inzet op blz. 14]

„Zouden wij de baby moeten oppakken en vluchten?”

[Illustratie op blz. 15]

Met mijn dochter Kaleigh

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen